Klassiek: Openluchtfestivals

Fluiten met de vogels

Het openluchtfestival blijkt een ideaal laboratorium voor nieuwe presentatievormen van klassieke muziek. Na het succes van Oranjewoud en Wonderfeel volgden initiatieven in Overveen en Veenhuizen.

Wonderfeel-podium Weeshuis van de Hits. ’s-Graveland, 21 juli © Foppe Schut

Festival Wonderfeel in ’s-Graveland. Zeven openluchtpodia, buiten gehoorbereik van elkaar verspreid over de 25 hectare van landgoed Schaep en Burgh, bieden ‘een totaalbeleving van klassieke muziek voor een breed publiek van nu.’ Men hapt massaal. Al op de eerste dag, een vrijdag, staat het weiland naast het landgoed bomvol auto’s.

In de lange rij voor de ingang hoor ik van verre het Wonderfeel Festivalorkest met soliste Anastasia Kobekina Tsjaikovski’s Rococo variaties spelen. Haar bespreken hoeft niet meer, dat heeft Wonderfeel al gedaan. ‘Schwung, charisma, passie, ongekende perfectie… de jonge Russische celliste Anastasia Kobekina heeft het allemaal.’ Zo moet dat: grote blije woorden. Hier de appetizer voor de Soirée érotique, een muziekspektakel dat ik om gezondheidsredenen oversla: ‘Teder voorspel, badende nimfen, melodieuze oh’s en ah’s, Debussy qui fait l’amour, klinkende kussen, een sensuele Sjostakovitsj, porno medievale dall’Italia, skin-orgasms, een Russisch nummertje, klamme handen, vijftig tinten rode oortjes, vurige dansen, welluidende hoogtepunten en de nacht die zich voor je uitstrekt…’

Zo breng je klassieke muziek in 2019. Laagdrempelig, verleidelijk en een tikje stout in nieuwe baanbrekende formats. Orkesten en concertzalen doen het in crisistijd net zo, in de hoop naast hun vergrijzende publiek het jonge volk aan zich te binden. Maar de buitenfestivaldirecties hebben letterlijk en figuurlijk veel meer ruimte. Letterlijk, omdat hun totaalbeleving in lommerrijke dorpen en buitenplaatsen neerstrijkt. Figuurlijk, omdat ze ongehinderd door opgelegde presentatieregimes het wiel opnieuw kunnen uitvinden. Naast alle reguliere kamermuziekfestivals die ’s zomers op conventionelere locaties het gat tussen seizoenen vullen, is het openluchtfestival een ideaal laboratorium voor nieuwe presentatievormen.

Op het prachtige, uitgestrekte festivalterrein verken ik het Wonderfeel-aanbod via stille zandpaden van de ene tent naar de andere. Ik hoor muziek van alle tijden, ingebed in een diversiteitsstrategie van Bach tot bijna-pop en experimenteel, in room gegaard voor een publiek van acht tot tachtig. Recitals, soloprogramma’s, best veel cross-over van gezelschappen als Caravan, het bijdehand tussen jazz, pop, klassiek en oosters navigerende ‘postbandje’ van pianist Julian Schneemann; een Chopin-concert in zakformaat met Hannes Minnaar en het Dudok Kwartet. In het Weeshuis van de Hits, de bühne voor de kaskrakers, zie ik het Nieuw Amsterdams Klarinet Kwartet de sterren van de hemel spelen in een New York-programma met Gershwin, het Largo uit de Nieuwe Wereld-symfonie van Dvořak en nog meer Gershwin. De pikant laagdrempelige presentatie van de spelers onderstreept wat jonge muzikanten tegenwoordig moeten doen om in de markt te komen en te blijven. Hun cultuur is sociologisch ongekend op drift geraakt. Subsidiënten eisen dat ze buiten hun reservaten nieuw publiek opzoeken. Omgevingsbewustzijn wordt een beoordelingscriterium. Voor de jonge generatie musici komen deze nieuwe podia dan ook als geroepen. Ze zijn goed bewapend, want ze kunnen en ze willen alles. Als de wederopbouw van het geteisterde muziekleven enige kans van slagen heeft, dan hier.

Op het White Label-veld – podium voor ‘onderzoek naar de rekbaarheid van het begrip klassieke muziek’ – een gitaarrecital van Gyan Riley. Zoon van legende Terry, de baardige west coast-componist van het cultische minimal-stuk In C. Dol op oude hippies en hun kinderen; voor elke verkochte plaat doneert Gyan een boom. Ik hoor zijn candlelightgetokkel postmodern geleidelijk complexer worden. Mild weeft hij zijn holistische spectrum van minimal en jazz, echo’s van India, barokke solosuite en een tikje Middeleeuwen. Hij is geen wereldwonder maar goed genoeg voor slaperige zomermiddagen op Schaep en Burgh. Hij slaat een stiltegat in het geroezemoes. In de brandende namiddag strand ik op Het Veld, het grote grasveld met het grootste podium. Onder het tentdak van het paviljoen de zangeressen Judith van Wanroij en Barbara Kozelj met hun begeleider Thomas Beijer in een programma – titel: Operahits! – met aria’s en duetten van Dvořak, Mozart en Monteverdi. Het is volle bak in een cultuursector die al jaren wordt geteisterd door publiekskrimp en bezuinigingen. Een trend die Wonderfeel niet keert is de vergrijzing. Op houten banken, klapzitjes en vloerkleedjes een publiek dat je moeilijk jong kunt noemen. De tattoodichtheden zijn laag, de linnen tassen vaker van het Rijks dan van de Lidl. Zelfs een enkele broekrok waagt het hier op te duiken.

Er is iets merkwaardigs aan de hand met Wonderfeel. Het Lowlands van de klassieke muziek heeft een volstrekt conventioneel Concertgebouwpubliek, beschaafd en van zekere leeftijd. Alsof de politie een volle zaal met veertig touringcars van de Van Baerlestraat naar Schaep en Burgh verplaatste. Toch is een deel echt nieuw. Het toont zich onbekend met het gebod tussen de delen van een compositie niet te klappen. Na het eerste deel van Mendelssohns Octet door het ensemble ROctet barst het in boers applaus uit.

Vooruit, dit willen mensen. Zomerse buitenlucht, de benen strekken, goed eten en drinken.

Zo breng je klassieke muziek in 2019. Laag-drempelig, verleidelijk, in nieuwe formats

De achtste editie van het Oranjewoud Festival onder artistieke leiding van de Nederlandse pianist Yoram Ish-Hurwitz trok tussen 29 mei en 2 juni 16.000 bezoekers. Op het vijfde Wonderfeel-festival kwamen 9.200 bezoekers af, vier volle Grote Zalen. Dat succes werkt besmettelijk. In het Drentse Veenhuizen programmeert Jan van den Bossche, onder meer oud-directeur van het Utrechtse Festival Oude Muziek, eind augustus voor de tweede keer het Veenhuizen Festival, met muziek en verhalen voor en over het monumentale Drentse gevangenisdorp. In Noord-Holland programmeert Bruno Truyens sinds 2017 het festival Klaterklanken, dat op landgoed Elswout in Overveen de verbinding zoekt ‘tussen natuur, klassiek en cultureel erfgoed.’ De Concertwandelingen op Elswout zijn een muzische blind date met miniconcertjes die de deelnemers onderweg op onverwachte plekken overvallen. Fluitist Erik Bosgraaf gaat er tijdens een matineus Dauwtrapconcert in dialoog met de vogels.

Je kunt dat allemaal wat overdreven vinden, de zoektocht naar nieuwe belevingsmogelijkheden en het succes van dit cultuurtoerisme-nieuwe-stijl zegt als symptoom van onvrede toch iets over de staat van het muziekbestel. Freuds Unbehagen in der Kultur laat zich breder trekken. Moet je jongeren, en ouderen zoals ik, verwijten dat ze de concertzaal mijden? Het ís ook een gevangenis, waar instituties volharden in versteend eenrichtingsverkeer naar een gehoor dat zich alleen passief tot de muziek kan verhouden. Het sterft in lijdzaamheid en Brahms sterft mee.

Dat is hier anders. Ongehinderd door verwachtingspatronen en in volledige bewegingsvrijheid ondergaan niet-ingewijden Ligeti of een curieuze Brahms-parafrase van de omnivore jazzpianist Rembrandt Frerichs met de vanzelfsprekendheid van natuurverschijnselen. Wandelend door een romantisch land van ooit trekt bijna herkenbare muziek mijn ingeslapen concentratie naar zich toe. Ik val voor de ongedwongenheid van de formule, en na verloop van tijd bereid ik me met opzet niet meer voor op de concerten. Ik wil een Brahms naar wie ik niet heb kunnen toeleven en die me net als de allereerste keer tabula rasa vanuit het niets bespringt. De methode werkt als een big reset voor je perceptie van muziek. Het is een les voor de concertganger die niet begreep waarom hij zich al jaren zo verveelde.

In zijn beginjaren als festivaldirecteur werd Yoram Ish-Hurwitz, concertpianist van beroep, zich gaandeweg bewust van wat hij kwalificeert als ‘de onthechtheid van het publiek’. Ish-Hurwitz: ‘In die tijd was er een vrij negatieve discussie over cultuur. Het was de tijd van de gedoogsteun door Wilders, van de enorme bezuinigingen. En ik beschouwde Wilders niet zozeer als het probleem als wel als symptoom van, blijkbaar, de enorme kloof die was ontstaan tussen cultuur en publiek. Zonder publiek is een cultuur niet levensvatbaar, het is de schakel die de cirkel rond maakt.’ Daar moet je dan wel iets voor willen doen, vindt hij. ‘Voor mij is het een soort oerdrift om klassieke muziek, wat dat ook moge zijn, levend en urgent te houden. Dat wil zeggen; ademend, bewegend, niet in een hoekje, maar juist voortdurend beïnvloed door van alles en nog wat, en zoals elk levend organisme voortdurend belaagd en geprikkeld. Dan moet je dus ook niet bang zijn om waarden overboord te gooien en nieuwe te creëren.’

Ish-Hurwitz liet Michael Gordons Timber voor zes slagwerkers met houten planken in een bos uitvoeren, haalde ensemble Erlkings naar Nederland voor een scabreuze bewerking van Schuberts Die Schöne Müllerin met een begeleiding van tuba, cello en slagwerk. Kan het, mag het? De vraag is het antwoord. ‘Je kunt geen spirituele waarden verwachten als je ze niet cultiveert en ontwikkelt.’ En misschien kon dat in Oranjewoud wel veel beter dan in het Concertgebouw. ‘In Friesland hebben we op cultuurgebied geen infrastructuur. Dat is een nadeel maar ook een voordeel. We zitten niet aan stramienen vast.’

Pynarello op Festival Veenhuizen in 2018. Dit jaar treden ze weer op © Wouter Jansen

Na een reeks min of meer normale Oranjewoud-concerten – fantastische Brahms met het Londense Busch Trio, de wereldberoemde Zweedse mezzosopraan Anne Sofie von Otter die met het Amerikaanse strijkkwartet Brooklyn Rider Philip Glass, Elvis Costello en Kate Bush zingt – loop ik sporthal Thialf binnen voor het experimentele klapstuk van het festival, bij uitzondering overdekt: #freebrahms van het Berlijnse Stegreif Orchester. In het verduisterde ijshockeystadion deconstrueert dit uit het hoofd spelende gezelschap met postmodern geschut Brahms’ Derde symfonie in een mengvorm van concert en performance. Fragmenten Brahms in een collage van ruimtelijk verspreide muziekflarden die onderweg naar nergens alle schijnvormen aannemen, van jazzrock en Weill tot latin en Darmstadt-modernisme, à la recherche du Brahms perdu. De orkestleden verplaatsen zich spelend, hummend en zingend in kleinere en grotere subformaties door de ruimte, gevolgd – of niet – door een vrij rondlopend publiek.

Een cellist op rolschaatsen trekt zijn instrument achter zich aan, dat met de punt luidkeels over de vloer krast. Hij steekt het als een krijger in de lucht, beklimt met rolschaatsen en al een lichtpaal. En dan is er opeens weer Brahms zoals hij was, onherkenbaar veranderd in de verre herinnering die een vergeten Brahms-geluk via een immense omweg uit de as laat herrijzen. #freebrahms is een amusante, stomvervelende en noodzakelijke rituele schoonmaak van het horen. Eindelijk weer eens een situatie waarin je niet meer weet waar je aan toe bent. Er moest iets gebeuren. Het gebeurt.


Festival Veenhuizen vindt op 30 en 31 augustus plaats in Veenhuizen, festivalveenhuizen.nl