Flutklap

Het is een ontmoeting van niks, zoals gebruikelijk. Een min of meer toevallig schampen van volstrekt verschillende levens, niet goed vast te leggen. Op het scherm van mijn telefoon, waar ik zo nu en dan een blik op werp, beweegt een stipje. Dat stipje ben ikzelf, weet ik. Het is nog 1,4 kilometer tot mijn bestemming en ik wandel door een chique Hilversumse villawijk – de dag is helgroen, felblauw, goudgeel. Er hangt een vochtige bloemengeur. Achter heggen, over brede gazons ligt een weelderige stilte. Dan zie ik ze staan, op een oprit aan de overzijde. Een oudere man en een oudere vrouw. De man heeft dun, grijs haar dat strak achterover is gekamd. Hij draagt een glanzend, antracietkleurig trainingspak en een grote zonnebril. De vrouw heeft een nauwsluitende rode broek aan met daarop een witte polo. Ze draagt een zonneklep met witte band. Ik moet aan tennis denken. En aan de jaren tachtig. Zowel de man als de vrouw past in dit decor, vind ik. Ze passen bovendien bij elkaar, zoals je vaak ziet bij mensen die lang samen zijn; die hebben een gezamenlijk leven in hun blik. Toch klopt er iets niet. Het komt door hoe hij staat, min of meer recht tegenover haar. Hoe hij zijn handen tot vuisten balt en weer opent. Hij ziet er houterig uit, onrustig. Zij kijkt naar zijn gezicht. Het moet een soort impasse zijn, op die oprit. Iets na een echtelijke storm misschien, een vorm van wederzijds afwachten. Dan heft de man zijn hand en probeert de vrouw in haar gezicht te slaan. Het is een flutklap, dat zie ik meteen. Ongericht, te traag en te zacht. Ze vangt tamelijk moeiteloos zijn hand in de hare, zegt iets dat ik niet versta. Het klinkt niet boos, eerder kalmerend. Hij haalt opnieuw uit, met de andere hand. Sneller nu, harder. Er zit paniek in zijn beweging. Ze grijpt de hand, houdt vast. Hij schudt, angstig, met zijn hoofd. Wat wil ze van hem? Wat doet ze hem aan? Wie is ze? ‘Nee, nee schat’, hoor ik haar nu zeggen. ‘Dat gaan we niet doen. Wij gaan samen wandelen, jij en ik.’ En net als ik op het punt sta over te steken, hulp aan te bieden, ziet de vrouw mij ook. Ze lacht naar me en ik herken die lach. Het is de lach die ik vroeger ook wel bij mijn moeder zag, wanneer ze aan het werk was en met een van haar meervoudig beperkte en luid joelende cliënten op een terras neerstreek, waar ze de blikken van andere bezoekers op zich wist gericht, soms ongegeneerd starend, verbijsterd, afkeurend. ‘Ja, zo is het nu eenmaal’, zegt zo’n lach. ‘Ik ken dit gedrag en ik kan er uitstekend mee omgaan, u hoeft zich geen zorgen te maken.’ Ik knik even naar haar en loop dan door, terwijl zij samen blijven staan. Zijn handen liggen nog in de hare, haar lichaam wacht tegenover het zijne. Een dans zonder muziek en zonder beweging. ‘Nee, nee schat.’ Twee mensen die elkaar tegelijkertijd vasthouden en kwijt zijn. Een oprit, een zomerse hemel, een wandeling. En het grote vergeten dat zich tussenbeide wringt.

maar we zouden niet vergeten dat
we hebben gelachen, gelachen hebben
we veel en dat zal ik niet vergeten
want we hebben gelachen en veel hè?
en dat zullen we nooit vergeten omdat
we zoveel gelachen hebben en dat
niet vergeten gvd wat hebben we gelachen
en niet en nooit vergeten dat we zo
hebben gelachen omdat we samen waren
en zoveel gelachen hebben dat we
het nooit zullen vergeten

Bert Schierbeek (1918-1996)
uit: De deur (1972), De Bezige Bij