Fluwelige zachtheid

Vergelijken we Karel Appel met Rembrandt, dan zien we dat Appel niet alleen maar aanrotzooide. Beiden hadden eenzelfde visueel instinct.

LAATST HAD IK het over schaduwrijke gezichten in portretten door Rembrandt. Daarbij dacht ik vooral aan het intense, frontaal waargenomen gelaat van de oude Jeremias de Decker die kort voor zijn dood in 1669 nog door de meester is geschilderd. Het is alsof de dichter in het halfduister zit, in het zwart en met een zwarte hoed op. Wat in die schemering oplicht is het wit van zijn eenvoudige kraag en dan ook, door dat wit gedragen, het gezicht. Daar valt het meeste licht, zacht en van linksboven, op de wang en de zijkant van de neus. De rand van de hoed werpt een donkere schaduw over de bovenste helft van het gezicht tot net onder de ogen die door de holte van de oogkassen nog net iets donkerder zijn. In de traditionele portretkunst zijn het vooral de ogen die voor subtiele levendigheid moeten zorgen, en natuurlijk ook de uitdrukking rond de mond. Hier is de mond rustig gesloten en de ogen zijn gehuld in schaduw - waardoor het gelaat van De Decker een nadenkende, zwijgzame stemming krijgt.
Ik geloof niet dat dit een al te moderne interpretatie is waarbij ik werd misleid door, bijvoorbeeld, herinneringen aan het suggestieve gemanipuleer met schaduw en belichting in fotografie en film. Dit is niet een impressie, dit portret, daarvoor is het te bewust en zorgvuldig opgebouwd. De bijzondere gravitas is bewust, met de middelen van het clair-obscur geconstrueerd. Rembrandt deed dat vaker, vooral bij portretten van mensen met wie hij bevriend was zodat hij minder hoefde te letten op de formele regels van het normale, representatieve portret. Die vrijheid had hij natuurlijk nog meer bij het afbeelden van Hendrickje of zijn zoon Titus.
Kijken we naar het vertederende schilderij van de jongen, dan veertien jaar oud, achter een lessenaar. Voor hem liggen een paar losse vellen papier op een ietwat scheef mapje. Met de duim van zijn rechterhand, waarop het gezicht net niet rust, wrijft hij over zijn kin. Vastgehouden door de andere hand, net over de rand van de lessenaar, bungelt een soort inktstel. Bovendien heeft hij ook nog een pen in zijn rechterhand, dus uiteraard zien we de zoon van een kunstenaar die van zijn vader schilderles krijgt, terwijl hij aan het tekenen is. Dat was steeds de traditionele interpretatie totdat in 1965 de fijnzinnige kunsthistoricus Van de Waal (mijn leermeester) een andere opperde - dat Titus hier aan het schrijven is en daarbij even nadenkt.
Ooit, stel ik me voor, is de jongen Rembrandt zo opgevallen zoals hij daar zat met die bijna afwezige blik in zijn ogen, te peinzen over een woord. Maar om dat in een schilderij te kunnen verbeelden moet de juiste vorm gevonden worden die een dergelijke verstilling kan weergeven. Eigenlijk is het daarom eerder een soort stilleven geworden. Voor de mooie roerloosheid in het stille beeld zorgt allereerst de houten lessenaar die, dof glanzend bruin, als een sokkel werkt voor het gezicht. Tussen die sokkel en het gezicht is er het visuele gedruis van papier, schrijfgerei en handen - alles bedaard weergegeven in een zacht licht. Daarboven dan, roerloos, verschijnt het gezicht in het licht, omgeven door blonde krullen en bekroond met een donkerrode baret. Als losse vlekken bijna zien we datzelfde rood, van de armen van het wambuis, bij de handen. Verder is het schilderij voornamelijk monochroom bruin, hier en daar door schaduwwerking donkerder. Tegen die achtergrond donkerbruin halfduister, warm vanwege het rood, wordt het bleke gezicht wonderbaarlijk verstild. Iemand die tekent en daarbij nadenkt, kijkt naar zijn tekening. Maar de ogen van de jonge Titus dwalen weg in het onbestemde. Dat effect van dromerigheid werd door de schilder versterkt door de grote ogen door de zachte schaduw eromheen nog groter te laten lijken. De hele opbouw van het schilderij is erop gericht die stemmigheid te bereiken. Het is vanwege die zachte schommeling van licht en schaduw, speciaal rondom de ogen, dat het gezicht tegelijk stil is maar ook leeft.
Overigens: in een vroeg schilderij van Karel Appel (Paar) vielen mij dingen op die me deden denken aan Titus en die nog eens lieten zien dat Appel, ondanks zijn reputatie van aan-rotzooier, net als Rembrandt een visueel uiterst fijngevoelige schilder was. We zien naast elkaar een man en een vrouw, op Appels typische manier getekend en gekleurd, die elkaar vasthouden zoals ook het paar in het Joodse bruidje elkaar omarmt. Maar kijk naar hun gezichten. Die zijn stevig en plastisch door de tekening met helder rood. Ze hebben echter ook een bijna fluwelige zachtheid. Die komt door de dun geschilderde, ovale vlekken blauw en blauwgrijs die er als lichte schaduw overheen glijden. Dat is de kleurige variant van de schommeling van licht en schaduw in Rembrandts monochromie. Schilderijen kunnen enorm van elkaar verschillen, maar het visuele instinct van schilders blijft door de eeuwen heen grotendeels gelijk.

PS Jeremias de Decker (Bredius 320) hangt in de Hermitage, Sint-Petersburg, maar Titus (Bredius 120) is te zien in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. De Appel zit in de collectie van het Stedelijk Museum, Amsterdam