De tumultueuze perestroika

‘Folders uitdelen was nog gevaarlijk’

De vernieuwing en openheid die Michail Gorbatsjov eind jaren tachtig propageerde, leidden in de Sovjet-Unie tot vele volksinitiatieven. Een van de ‘informelen’ was de natuurkundige Michael Schneider. ‘Het leven moest beter.’

Medium folders

HALVERWEGE de jaren tachtig van de vorige eeuw gaat het niet goed in de Sovjet-Unie. De olie-inkomsten vallen tegen. De wapenwedloop met de Verenigde Staten kost handenvol geld. De oorlog met Afghanistan verloopt dramatisch. Het ergste van alles: de mensen zijn arm, als ze geld hebben treffen ze lege winkels en als er iets te kopen valt, is het vies of meteen stuk. Michail Gorbatsjov komt in 1985 aan de macht. Hij wil vernieuwing (‘perestroika’).

Gorbatsjov wil niet het einde van de Sovjet-Unie. Hij wil ook niet het einde van het communisme. Gorbatsjov wil dat de sovjeteconomie beter gaat draaien, niets meer en niets minder. Maar voor het kader (‘nomenklatura’) van de almachtige communistische partij staat er veel op het spel: macht, invloed, een makkelijk en luxe leventje. Lang niet iedereen zit te wachten op verandering. Bovendien is Gorbatsjov vaag over wat er precies anders moet. Hij wil én meer particulier initiatief én meer planning door de staat. De partij stribbelt tegen. Gorbatsjov besluit via de samenleving de druk op te voeren.

Op 2 november 1987 spreekt hij de leiders van alle communistische staten ter wereld toe. Honecker, Castro, Ceausescu, reporting for duty. Thema: zeventig jaar rode revolutie. Gorbatsjov, oncommunistisch helder: ‘Het is volkomen duidelijk dat het niets anders dan het gebrek aan een juist niveau van democratisering van de sovjetsamenleving was dat zowel de persoonlijkheidscultus, wetsovertredingen en de willekeur als de onderdrukking van de jaren dertig mogelijk maakte, om het ronduit te zeggen: pure misdaden die voortkwamen uit machtsmisbruik.’ Het is tijd voor meer democratie en openheid (‘glasnost’). Niet omdat die dingen goed zijn voor de mensen. Wel omdat ze schijndode partijtijgers over het randje kunnen helpen. Zo ontstaat ruimte voor sociale bewegingen, alternatieve partijen en voor verkiezingen.

MICHAEL SCHNEIDER (1948) werkt in de jaren tachtig als natuurkundige bij een Moskous onderzoeksinstituut. Tussen 1989 en 1993 vervult hij prominente rollen in de (Sovjet-)Russische democratiseringsbeweging. Zijn politieke stroming is de afgelopen jaren naar de marge gedrukt door het tamelijk autoritaire bewind van Vladimir Poetin. Maar hij is nog altijd actief in de Moskouse politiek. 1989 was het mooiste jaar van zijn leven. Hij straalt bij de herinnering. Hij vertelt in zijn kleine werkkamer in zijn flat in het zuiden van Moskou over een tumultueus jaar. Soms even verlegen, maar altijd overtuigd.

Michael Schneider: ‘Ik wilde al lang graag iets doen. Het leven, of in ieder geval het mijne, moest beter. Maar in de communistische partij had ik geen zin. En ook met de dissidenten heb ik me nooit echt bemoeid. Ik had het gevoel dat hun tijd voorbij was. Ze hadden hun kans gehad en niet echt goed gebruikt. Dan kon je verder niet zo veel. Je was partijlid of dissident en anders bemoeide je je niet met politiek. Maar na 1987 sprongen de clubjes als paddestoelen uit de grond, van een serieuze club als Memorial, die erkenning wilde voor de slachtoffers van Stalin, tot de meest wonderlijke groepjes zoals de Che Guevara Brigade. Er kon eindelijk iets veranderen aan onze maatschappij en dat had iedereen door. Ik sloot me aan bij Lingua, een soort discussieclub. Demonstreren of folders uitdelen was nog gevaarlijk.’

Ze heten de ‘neformalni’, de informelen, politici buiten het systeem. Langzaam maar zeker wagen ze zich ook op straat. De confrontaties tussen demonstranten en politie nemen af. Schneider verlaat vanaf halverwege 1988 elke dag al voor de lunch zijn werkplek, om daar pas de volgende ochtend weer terug te keren. ‘Mijn chef vond het best.’ Zolang het daglicht het toestaat foldert hij op wat toen de Gorkistraat heette en nu (weer) de Tverstraat. ’s Avonds is het vergaderen geblazen, pacten sluiten met verwante clubjes, broeden op de betekenis van uitspraken van het Kremlin, plannen maken voor een beter socialisme.

‘We noemen onze hoek “Hyde Park”. Mensen kwamen vanuit het hele land naar Moskou om te horen wat er aan de hand was. En ik op ze inpraten als ze langs kwamen lopen. Als je je leven wilt verbeteren, moet je nu zélf iets doen! Organiseer je, verenig je! Wat precies met het land moest gebeuren, daar hadden we geen flauw benul van. Niet alleen Gorbatsjov, maar zo’n beetje iedereen was nog socialist rond die tijd. We dachten dat het communisme gered kon worden. Als er eerst maar meer discussie was, onder leiding van nieuwe mensen, dan zouden we de rest daarna wel oplossen.’

Gorbatsjov herstelt in 1988 het Congres van Volksafgevaardigden als hoogste macht van de Sovjet-Unie. Dat is ruig. Het parlement van 2250 leden was al decennia niet bijeen geweest. Sterker, Gorbatsjov laat ruimte voor het kiezen van kandidaten van buiten de communistische partij. Dat is voor het eerst sinds 1906. Zo wordt het begin 1989 druk in de straten van de hoofdstad. De manifestaties van de verschillende alternatieve bewegingen volgen elkaar snel op. Schneider wordt coördinator van het Volksfront, een club die zich inspant om Sergej Stankevich verkozen te krijgen, een jongensachtige man op gymschoenen, net niet de gemiddelde in bruin imitatietweed verpakte 83-jarige apparatsjik. Ook Schneider is met zijn 38 jaar een jonge hond in de sovjetpolitiek.

Doel is verkozen te worden via de wijk Cheremushisnkii in het zuiden van de stad. Het klassieke politieke handwerk hebben de novieten zo te pakken. Schneider, grijnzend: ‘We hielden zelf opiniepeilingen onder buurtbewoners, en dan zei Stankevich op zijn zeepkist voor de supermarkt precies wat ze wilden horen. We maakten tegenkandidaten zwart door een verband met de Pravda te suggereren. Dat was tamelijk dodelijk. Als het nodig was om indruk te maken zei ik dat we in rechtstreeks contact met Gorbatsjov stonden.

Wisten wij veel wat campagnevoeren inhield, of hoe je een partij opzette, of wat zo’n partij zou moeten gaan doen. Ik schreef met de hand briefjes. Die hingen we op in de metro. Daar stond dan op: “Stem op ons wanneer je een normaal leven wilt, wanneer je je schaamt voor de huidige politiek, wanneer je de zittende macht beu bent. Bel ons op als je iets wilt doen.” Met mijn telefoonnummer eronder. Ik ging van deur tot deur om mensen zo ver te krijgen ons te steunen. Vooral in flats waar ze met velen op elkaar gepropt woonden. En telkens maar weer duidelijk maken dat het nu echt anders kon worden. Als ze zelf maar hun handtekening zetten, als ze maar langskwamen op een van onze bijeenkomsten. We hadden op het hoogtepunt in onze wijk driehonderd vrijwilligers op de been. En honderden soortgelijke clubs door het hele land die andere kandidaten steunden.’

OP 26 MAART 1989 gaan alleen de zieken niet naar de stembus. Het opkomstpercentage is negentig. Niet dat de communistische partij weggestemd kan worden; bizarre regels verhinderen dat. Maar Schneiders kandidaat boekt een ruime overwinning. Dat jaar discussiëren in het Volkscongres zo’n driehonderd hervormingsgezinden met een kleine tweeduizend door de communistische partij afgevaardigde vertegenwoordigers. Het zijn nogal zoekende, wijdlopige debatten over wie mag demonstreren (mits met vergunning, iedereen), of je als volksvertegenwoordiger een lid van het gevreesde Politbureau ter verantwoording mag roepen (mag). Maar het hele land volgt de discussies live op tv. De fabrieken staan stil, nog stiller dan anders. De straten blijven leeg. Iedereen kijkt toe hoe de uitvinder van de sovjetatoombom en latere dissident en Nobelprijswinnaar Andrej Sacharov het opneemt tegen Gorbatsjov, de leider van het land. En hoe Sacharov heel af en toe zijn zin krijgt, in plaats van weer te worden verbannen. De mensen zien politiek plotseling als contactsport voor stervelingen in plaats van propaganda door laaielichters.
Na afloop van de vergaderingen van het Congres organiseert Schneider bijeenkomsten bij het Luzhniki-voetbalstadion. Daar komen soms honderdduizend mensen opgewonden bijeen om naar de laatste wederwaardigheden en analyses van de liberale volksafgevaardigden te luisteren. Sacharov spreekt er. Schneider: ‘Die was wereldvreemd, hij riep op tot nationale staking, alsof we daar wat aan hadden. Het land stond al aan de afgrond.’ Boris Jeltsin spreekt er. De latere president van Rusland mag als tragische dronkaard de wereld over zijn gegaan, hij heeft op dat moment torenhoog gezag als de man die uit de regering is gezet omdat hij te vooruitstrevend is.

‘We hadden voor het eerst in ons leven het gevoel dat de dingen in het land de kant op gingen die de mensen wilden’, zegt Schneider. ‘Niet alleen dat je hardop kon denken. Ook dat het uitmaakte wat je dacht.’ Wat rond die tijd in de rest van Europa gebeurt houdt de mensen niet echt bezig. ‘De val van de Berlijnse Muur, ach, er gebeurde zo veel in die tijd. De hereniging van Duitsland was vooral iets vanzelfsprekends. We hebben in de rats gezeten over Ceausescu, dat het helemaal mis zou gaan in Roemenië. Zijn dood was wel een opluchting.’

VAN GROTE AFSTAND gezien doet het bijna naïef aan. De Sovjet-Unie bestond uit vijftien republieken. Veertien daarvan wilden graag onder het juk van Rusland uit. Nu eenmaal het sein voor verkiezingen gegeven was, zouden Litouwen, Oekraïne, Georgië en nog elf andere naties niet wachten tot het hooggeëerde Volkscongres klaar was met het vernieuwen van het socialisme. ‘Weg met Rusland’ was voor de Russische buren net wat belangrijker dan ‘weg met de nomenklatura’. En een paar steden mochten in de ban zijn van grootschalige verandering, progressieve woorden als ‘meerpartijendemocratie’ klonken nogal triviaal op het overwegend conservatieve platteland. In de rest van het enorme Russische rijk wilde men vooral graag meer eten. In zo’n situatie soebatten over de leidende rol van het proletariaat in de geschiedenis?

‘Naïef? We waren als kinderen. Ons programma was dat de hele oppositie moest samenwerken. Dat de bureaucratie weg moest. Dat de macht aan het volk moest. En dan zou het allemaal beter worden. Dan zou de nomenklatura het onderspit delven. Dan zou er democratie komen. En dan zou er dus een socialisme met een menselijk gezicht komen. We hadden geen idee over nieuwe wegen of bruggen of ziekenhuizen of hogere of lagere lonen. We hadden ook geen tijd om over dat soort dingen na te denken. Dat hadden we trouwens ook nog nooit gedaan. We waren sovjetburgers. Het was min of meer onvermijdelijk dat het zo ging.

Gorbatsjov was niet mijn held. Ik heb geen held, de Beatles misschien, John Lennon dan toch. Maar ik wist zeker dat Gorbatsjov het meende. We wisten allemaal dat hij als enige het land kon veranderen. Je moest hem helpen, tegen de conservatieven. Zoals je later Jeltsin moest helpen, ook als je het niet helemaal met hem eens was. Er waren vooral mensen waar je tégen was, die aan de macht vast wilden houden, oude communisten. Die moesten weg.’

Maar Michail Gorbatsjov ontkomt niet aan het snelle verval tijdens de omwenteling. Al zijn ambities ten spijt trekt hij snel meer macht naar zich toe, noodgedwongen naar eigen zeggen. ‘We zijn nu in een eenmansdictatuur beland’, mopperde Schneiders baas Stankevich al in 1991.
De nieuwe partijen verliezen hun glans. Echt machtige oppositiefiguren, zoals Jeltsin, sluiten zich nergens bij aan. Niet nodig, hun populariteit organiseren ze via de tv. Bovendien is het idee van een partij onder de kiezers niet zo populair. Het doet aan de oude communistische partij denken. Men wil leiders, probleemoplossers. Jeltsin in 1991: ‘Ik ben één keer lid geweest van een partij en dat was genoeg voor mijn hele leven.’ In de jaren direct daarna blijven de democratische bewegingen verweesd achter. Succes in de politiek is nog altijd georganiseerd rond de tégenstem.

Oorspronkelijk tegen het verkalkte communisme. Daarna tegen chaos, eerst veroorzaakt door het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, daarna door de ongeremde privatisering van al het staatseigendom. Achteraf gezien, zegt Schneider, was dat misschien onze misser, dat we niet meer op Jeltsin hebben ingepraat om onze voorman te worden. Het had misschien tot een echte partij kunnen leiden.

JE ZOU KUNNEN zeggen dat Gorbatsjov zijn zin heeft gekregen. Via kronkelwegen leverde zijn pleidooi voor meer democratie een hoop marktactiviteit op. Van 2000 tot 2008 klotste het geld in Rusland tegen de plinten, zij het dat het bij een relatief kleine club mensen bleef hangen, niet zelden voormalige communisten en apparatsjiks. En innovatie – nieuwe producten, nieuwe ideeën, nieuwe industrieën – was niet echt te ontdekken. Het geld werd verdiend met olie, net als vroeger. Op de bijeenkomsten rond het Luzhniki-stadion zie je de mensen in 1989 juichen: ‘Het wordt nooit meer hetzelfde. Wij zullen niet meer zwijgen.’

Van die opgewekte energie is in 2009 niet veel meer zichtbaar. Oppositie voeren is tegenwoordig weer lastig in Rusland. Nog maar een handjevol mensen is geïnteresseerd, of ze nu links of rechts zijn. Mensen die lastige vragen stellen zijn hun leven niet altijd zeker. Maar Schneider, nog niet zo lang van start met een nieuwe politieke beweging, trekt geen sombere conclusie: ‘Weet je waar we vandaan komen, hoe het was in 1985? Kijk eens wat bereikt is. We hebben nu veel meer dan we hadden. Kijk eens naar Oekraïne, naar de democratische revolutie die daar in 2004 was. Ik ben niet pessimistisch. Het gaat de afgelopen jaren politiek gezien minder, maar in 1989 namen we het met z’n allen op tegen één duidelijke tegenstander. Bovendien was de economische situatie erg slecht, dat motiveerde de mensen enorm. Het land is nu natuurlijk meer versnipperd, maar wacht. Over twee jaar kan het er weer heel anders uitzien.’


De Unie van Socialistische Sovjet Republieken (USSR) bestaat van 1917 tot 1991. Officieel ligt de macht in handen van arbeidersraden, ‘sovjets’. Deze sturen afgevaardigden naar het Volkscongres dat de grote lijnen van beleid vaststelt. Het bestuur van dat congres, de Opperste Sovjet, ziet toe op de uitvoering ervan. In praktijk maakt het dagelijks bestuur van de communistische partij, het Politbureau, als enige de dienst uit. Alle andere organen zijn applaus- en zelfverrijkingsmachines. Behalve Rusland is in de jaren rond 1920 nog een aantal landen en gebieden die ooit bij het Russische rijk hoorden onderdeel gemaakt van de USSR: Estland, Letland, Litouwen, Wit-Rusland, Oekraïne, Moldavië, Armenië, Georgië, Kazachstan, Kirgizië, Oezbekistan, Azerbeidzjan, Tadzjikistan en Turkmenistan. Bovendien houdt de USSR via het Warschaupact een aantal Oost-Europese landen in de greep: Oost-Duitsland, Polen, Hongarije, Tsjechoslowakije, Roemenië en Bulgarije.

Michail Gorbatsjov is vanaf 1979 lid van het Politbureau en vanaf 1985 de baas (secretaris-generaal). Hij zet vanaf 1986 het proces in gang dat zal leiden tot de val van de Muur. Zijn idee van openheid (‘glasnost’) wordt ruimer geïnterpreteerd dan voorzien. Terwijl men in Moskou democratie oefent, ontstaan aan de randen van het sovjetrijk nationalistische opstanden en slaat de bevolking in Oost-Europa massaal op de vlucht naar het Westen. Oost-Europa zegt het Warschaupact op en de diverse republieken scheiden zich af van de Sovjet-Unie, die ophoudt te bestaan. Een staatsgreep in 1991 mislukt, maar Gorbatsjov moet toch het veld ruimen. Boris Jeltsin (1991-1999) en daarna Vladimir Poetin nemen het roer over van Rusland als erfopvolger van de Sovjet-Unie.


Beeld: Ismaelovpark Moskou, 1989 (Carl De Keyzer / Magnum / HH).