Folklore

Het is natuurlijk altijd folklore geweest: de gouden koets, het houten koffertje, de hoedjes, de drie hoeraatjes voor de koning. Prinsjesdag stamt in zijn huidige gedaante, als geritualiseerde start van het parlementaire jaar met de overhandiging aan de Tweede Kamer van de overheidsbegroting, uit 1814.

Maar tot drie jaar geleden was het tenminste serieuze folklore. De hoedjes fleurden een politieke gebeurtenis van gewicht op, misschien wel de belangrijkste gebeurtenis van het parlementaire jaar. De staatsbegroting was immers gebaseerd op het begrotingsrecht, behelsde de verdeling van publieke middelen over verschillende politieke doelen en vormde daarmee de kern van de nationale soevereiniteit van onze parlementaire democratie. De begroting weerspiegelde de politieke machtsverhoudingen in het zittende kabinet, werd tijdens de daaropvolgende Algemene Beschouwingen aan de Staten-Generaal voorgelegd voor politieke beraadslaging, discussie en steun, belichaamde daarmee het collectieve wilsbesluit van de Nederlandse demos en ontleende daar haar democratische legitimiteit aan.

Zoals de Raad van State zich in februari 2013 al bezorgd afvroeg: is de Europese begrotingscontrole die in reactie op de eurocrisis is opgetuigd wel verenigbaar met de Nederlandse democratische traditie van parlementair begrotingsrecht? Het omzwachtelde antwoord van de Raad luidde destijds negatief. Het Europees Semester dat initiatief en uiteindelijke zeggenschap over nationale begrotingen bij de Europese Commissie legt, degradeert Prinsjesdag tot een toneelstukje, zo luidde in 2013 het oordeel van de Raad van State. En vervolgens stelde de Raad versterking van de democratische controle op de Europese Commissie voor in plaats van ontbinding van de Europese Monetaire Unie als zijnde onverenigbaar met de Nederlandse democratische traditie.

De afgelopen twee jaar is duidelijk geworden dat het in werkelijkheid allemaal nog veel erger is dan de Raad van State begin 2013 al bevroedde. Vorig jaar beperkte het politieke spel rond begroting en Algemene Beschouwingen zich tot zes miljard aan bezuinigingen: hoe vinden we dekking voor een extra zes miljard aan begrotingstekort reducerende maatregelen om op het in Europees verband overeengekomen pad naar begrotingsevenwicht terecht te komen. Op een totaalbudget van pakweg 250 miljard euro was iets meer dan 2,5 procent onderworpen aan politieke onderhandelingen. De rest was in de negen maanden ervoor al met de Europese Commissie overeengekomen. Oftewel, over de besteding van 97,5 procent van de publieke middelen had het Nederlandse parlement, en daarmee de Nederlandse burger, niets te zeggen. En van de 2,5 procent waar het wel iets over te zeggen had, had de Europese Commissie al bepaald dat het om bezuinigingen en/of lastenverzwaringen moest gaan.

Een technocratische coup door ongekozen Europese mandarijnen…

Dankzij Nederlands begrotingsmasochisme verkeren kabinet en parlement dit jaar in de gelukkige omstandigheid dat ze niet hoeven te discussiëren over nieuwe bezuinigingsposten maar mogen uitdelen. Maar liefst 1,5 miljard euro. Maar in de euforie verliezen politiek, journaille en burgerij het zicht op de onthutsende constatering dat een jaar democratisch politiek spel door toedoen van het Europees Semester is gereduceerd tot wat gebakkelei over financieel strooigoed. Anderhalf miljard is ongeveer 0,6 procent van de begroting.

Het is een ontwikkeling die al veel langer gaande is: de financiële ruimte voor nieuw beleid en daarmee voor nieuwe politiek is in de meeste ontwikkelde economieën al decennia aan het krimpen. Onderzoek van de Duitse sociologen Streeck en Mertens heeft laten zien dat de discretionaire begrotingsruimte in de Verenigde Staten en Duitsland sinds de vroege jaren zeventig grofweg is gehalveerd van veertig naar twintig procent. Dat komt door groeiende staatsschulden, defensieverplichtingen en het optuigen van sociale programma’s die niet van de ene op de andere dag kunnen worden stopgezet, denk pensioenregelingen, arbeidsongeschiktheidsrechten en gezondheidszorg. Oftewel, de ‘smalle marges’ waar Den Uyl in de jaren zeventig over klaagde, zijn door de uitbouw van de verzorgingsstaat in de jaren tachtig, negentig en nul alleen maar smaller geworden.

Met het Europees Semester lijkt de ontdemocratisering van het begrotingsrecht echter een quantumsprong te hebben gemaakt. Zodra je als land de Europese convergentiecriteria overschrijdt, ben je als burger iedere indirecte zeggenschap over je eigen staatshuishouding in feite kwijt. Want het maakt nogal wat uit of je over twintig procent van je begroting discretionaire zeggenschap hebt of over maar 0,6 procent. In het eerste geval gaat het simpelweg om het respecteren van eerder genomen democratische begrotingsbesluiten. In het tweede geval om een technocratische coup door ongekozen Europese mandarijnen. Begroten, in de eurozone is het Staphorster folklore geworden.