Fondsen op naam

Wat je zelf mooi vindt moet ook zichtbaar zijn voor anderen. Zo worden particulieren kleine mecenassen.

HET PRINS Bernhard Fonds, in de Tweede Wereldoorlog opgericht om Spitfires, Britse jachtvliegtuigen, te kopen, werd in 1946 omgevormd tot een fonds dat zich inzette voor de culturele wederopbouw van Nederland. In 1999 werd het omgedoopt tot Prins Bernhard Cultuurfonds. Sinds twintig jaar heeft het fondsen op naam, inmiddels ruim 260. Dat moderne, kleine mecenaat moet meer gezicht krijgen, vindt directeur Adriana Esmeijer, want Van den Endes, daar zijn er maar heel weinig van. ‘Particulieren, stichtingen en bedrijven doen grote of kleine schenkingen, voor minimaal vijf jaar’, zegt ze. ‘Mensen met passies, mensen die van orgels houden, van moderne kunst of poëzie. Ook vermogensfondsen die geen menskracht hebben worden bij ons ondergebracht.’

Samen met het Prins Bernhard Cultuurfonds worden naam en doelstelling bepaald en de periode dat het geld mee moet gaan. Met 25 miljoen per jaar honoreert het Cultuurfonds 3700 van de 7500 aanvragen die het jaarlijks krijgt. Ook de fondsen op naam worden zo nodig aangevuld met bedragen uit het Cultuurfonds. Negentig procent van de gevers doet dat bij leven; het grootste deel heeft geen kinderen. Veel schenkers zijn betrokken bij de door hen gedoneerde projecten, maar al het werk wordt gedaan door de medewerkers van het Cultuurfonds.

Mecenaat kan zorgen voor dat extra toefje op de taart, zegt Esmeijer: ‘De overheid moet vooral faciliteren. Aan de ene kant zal de overheid moeten gaan uitstralen dat ze mecenaat waardeert, aan de andere kant zal er ook een culture of asking moeten groeien. Durven vragen is moeilijk. Wij blijven hier vaak hangen in gezellig borrelen. Je zou moeten zeggen: het was een prachtige avond, wij rekenen erop dat u duizend euro geeft.’

Marta Gnyp (43) heeft de afgelopen vijftien jaar gewerkt als trader in grondstoffen en daarna een switch gemaakt naar kunstgeschiedenis, waar ze nu over schrijft en in doceert. Daarnaast participeert ze in een galerie in Amsterdam. Zij heeft bij het Cultuurfonds een fonds op naam ingesteld en steunt nu jaarlijks met tienduizend euro beurzen voor getalenteerde studenten in de geesteswetenschappen. ‘Als ik even naar Londen wil voor een tentoonstelling, dan ga ik’, zegt ze, ‘maar veel studenten hebben daar geen geld voor. We leven in een superefficiënte maatschappij waarin geesteswetenschappers zich moeten verdedigen, omdat hun resultaten niet meetbaar zijn. Maar ook hier moeten topwetenschappers uit voortkomen.’ Gnyp constateert dat elitair in Nederland een scheldwoord is geworden en dat 95 procent van haar ex-collega’s in het bedrijfsleven niet openstaat voor kunst. ‘Misschien moet cultuur weer een statussymbool worden. In Duitsland is dat meer het geval.’ Ze bemoeit zich niet met de toewijzing van kandidaten en heeft het fonds ook niet ingesteld omdat ze wil voortleven via haar naam. ‘Het leuke is het directe. Ik geef het aan concrete personen, met heel veel plezier. Ik hou van actie. Niet wachten tot ik oud ben. Als ik zeventig ben is die jongen misschien wel professor aan de Sorbonne.’

Ook Jasper Peterich, sinds tien jaar bestuurder van het Peter Paul Peterich Fonds, onderdeel van de Stichting Van Beuningen/Peterich Fonds en genoemd naar zijn oom, vindt dat het woord cultuur een negatieve klank heeft gekregen. Hij voelt zich op zijn 45ste oud ten opzichte van jongere collega’s, die nooit gehoord hebben van de Gouden Eeuw. ‘Als je aan de gemiddelde Franse bakker iets vraagt over de geschiedenis van zijn land, weet hij het. Niet in Nederland.’ Het fonds betaalt twee plekken aan de Rijksacademie per jaar, daarnaast gaat het geld naar poëzie, samen zo’n 75.000 euro per jaar. Hij bekent dat hij uit ijdelheid in het bestuur ging zitten, nergens iets van afwist, maar steeds meer betrokken raakte. Peterich bemoeit zich nu intensief met de bestemming en discussieert over de stelling dat iets niet langer dan drie jaar en ook niet structureel gesteund mag worden. ‘Onzin, wat goed is moet je steunen. Als een festival relevant is moet je blijven betalen, jarenlang. Je kunt met je geld echt iets doen, écht een keuze maken, niet oppotten. “In de statuten staat…”, zeggen ze dan. Niets is makkelijker dan naar de rechter gaan en de statuten te veranderen.’

‘Wat je geput hebt moet je weer uitgeven’, Hausta Donans, zo heet het fonds van de familie De Haas van Dorsser uit De Bilt. Doelstelling is het gezongen en geschreven woord, gedichten en liederen. Modern klassiek is het sleutelwoord, op een redelijk professioneel niveau. Het geld komt van de ouders – ‘zuinig leven en een beetje erven hier en daar’ – die in overleg met hun kinderen besloten een deel van het vermogen onder te brengen bij het Prins Bernhard Cultuurfonds. Zoon Hugo (48) beheert het fonds, samen met zijn ouders. Hij was het eens met de bestemming die zij bedachten en zijn zus Carolien gelukkig ook. Beiden hebben geen kinderen en zullen het fonds later voortzetten, al dan niet met een gewijzigde bestemming. Ze zijn nog maar heel kort bezig, de eerste termijn is vervuld en het eerste voorstel van het Cultuurfonds is binnen. Het fonds wordt in vijf jaar volgestort, maar het geld mag meteen al worden uitgegeven. Donans: ‘De liefde voor dichtkunst hebben we meegekregen van mijn ouders, daar kun je dus niet tegen zijn. Ik word hier erg gelukkig van. Dat wat je zelf mooi vindt moet ook mogelijk blijven voor anderen.’

Het echtpaar Nijman uit Witmarsum stopte na dertig jaar hun gezamenlijke huisartsenpraktijk en apotheek en van de opbrengst van de verkoop richtten ze het Nijman Biermasz 17 Dorpen Fonds op. In al die jaren hielpen ze als verloskundige huisartsen ook nog eens duizend kinderen ter wereld, en raakten stevig verbonden met hun Friese omgeving. ‘Wij wilden het geld op deze manier teruggeven aan de gemeenschap’, vertelt een van hen. ‘Dat geld hoort hier. We hebben het goed; onze kinderen hebben goede opleidingen en beste banen. Belastingtechnisch is het ook aardig, als je het zelf ontvangt gaat de helft eraf, bij een stichting blijft het in stand. De honderdduizend euro mogen na twintig jaar op zijn, dan zijn wij oud.’ Het geld is in principe bedoeld voor culturele activiteiten in hun oude praktijkgebied, de zeventien dorpen om hen heen. Het Cultuurfonds beoordeelt wie in aanmerking komt en houdt hen op de hoogte; het contact is uiterst plezierig, vinden ze. ‘Juist kleinschalige projecten moeten kunnen doorgaan en niet sneuvelen door dat beetje geldgebrek. Weet je dat het leuk is, zo’n fonds? Wat zijn de piekjes in het leven? Een toneelstuk, mooie muziek. Niet het geld dat op de bank staat.’