Fonduepan

Toen ik Nederlands studeerde, gingen de meeste aan mij gestelde vragen aan de kersttafel over spelling- en grammaticaregels. ‘Hoe zit het nu eigenlijk met…?’ Ratelde ik niet onmiddellijk de nieuwste regels over de tussen-n af, dan versterkte dit onder familieleden het vermoeden dat ik een al met al nogal twijfelachtige studie volgde.
‘Nederlands, is dat een studie? Maar dat kún je toch al lang?’ luidde de volgende vraag op het geijkte lijstje. Studenten Nederlands doen er goed aan op kerstavond de Schrijfwijzer van Jan Renkema nog eens door te bladeren. Al was het maar om de ouderlijke toelage veilig te stellen.
Sinds ik in de schrijverij actief ben, klinken er heel andere vragen boven het gepruttel van de fonduepan. ‘Dit ga je zeker in je boeken gebruiken?’ Of vaker: ‘Pas maar op, straks lees je het terug in zijn boeken.’
Merkwaardig, want ik heb nog nooit over familiezaken geschreven, wat in onze vaderlandse letteren haast een unicum is. ‘Maak je geen zorgen’, is mijn antwoord dan, ‘ik ben Adriaan van Dis niet.’ Toen ik als student in Leiden zijn gastcolleges volgde, vertelde hij dat hij voor Indische duinen een eerdere werktitel had: Dood aan de familie.
Helemaal gerustgesteld zijn ze niet, als ik dit vertel. Waarschijnlijk omdat het in de boeken die ze zelf lezen praktisch altijd over familieperikelen gaat. Een enkeling heeft misschien de openingszin van Tolstoi’s Anna Karenina gelezen, dat alle gelukkige families hetzelfde zijn, en alle ongelukkige families van elkaar verschillen, en daardoor dus de moeite van het vertellen waard zijn. Zelf weten ze donders goed tot welke categorie ze behoren, dus houden ze de kiezen stijf op elkaar.
De tussen-n-vraag heeft de laatste jaren plaatsgemaakt voor vragen over collega-scribenten. ‘Wat is die Arthur Japin eigenlijk voor type, in het echt?’ Vooral die laatste drie woorden maken me moedeloos. Want het antwoord is altijd dat zo iemand vriendelijk en sympathiek is, want ik ontmoet de meeste van die lui op vriendelijke en sympathieke bijeenkomsten. ‘En Gerbrand Bakker? Bij ons in het dorp ligt-ie in zúlke stapels in de Readshop. Echt, zúlke stapels! Van jouw boek is er maar ééntje, en die staat al wekenlang in de kast.’ Tsja, wat moet je dan antwoorden? ‘In het echt is hij heel anders dan in de Readshop.’
Het zijn natuurlijk absurde aannames  dat ik zou weten hoe het met de tussen-n zit, hoe Arthur Japin ‘in het echt’ is en waarom de Readshop een abject en betreurenswaardig inkoopbeleid heeft  maar ik begrijp ze wel. Zelf vraag ik ook aan een schoon-stiefbroertje dat in vastgoed handelt of hij Willem Endstra of Holleeder wel eens ‘in het echt’ heeft ontmoet, en aan een schoon-stiefzwager die op de beurs speculeert ‘hoe het nu eigenlijk zit’ met de kredietcrisis.
Mensen die medicijnen hebben gestudeerd worden geacht onder de kerstboom diagnoses te stellen en te kijken naar rare plekjes op de huid van familieleden. Je zou maar een psychiater in je familie hebben. En hoe beleeft een gynaecoloog de kerstdagen?
Onbewust dicht je de ander meer expertise toe dan hij bezit. Je waant ze lid van andere families, die van malafide vastgoedbaronnen, beursanalisten, artsen en dus ook: van de familie van schrijvers. Met voorleesavondjes als een soort verjaardagsfeestjes, en het boekenbal als een eigen alternatief kerstfeest.
Ach, laat ze maar in die waan. Als schrijvers al een familie vormen, dan toch zeker van het Anna Karenina-type. Behalve natuurlijk op hun vriendelijke en sympathieke bijeenkomsten. Daar is het een familie van Tolstoi’s eerstgenoemde categorie: de moeite van het vertellen niet waard. Zeker niet rond de fonduepan.