De voetbal-opstand tegen het neoliberalisme

‘FOOTBALL BELONGS TO ÚS’

De Super League liet zien dat het moderne voetbal een strijd is van kleine clubs tegen grote rijke clubs. Door de opstand van de fans tegen de League was het alsof David Goliath versloeg. En deze revolte ontsteeg het voetbal.

Supporters honen Arsenal-eigenaar Stan Kroenke weg. Londen, 23 april © Daniel Leal-Olivas / AFP / ANP

Nadat twaalf grote voetbalclubs op 18 april de Europese Super League proclameerden, gingen de slogans van protesterende fans viraal. Aan het hek van het Liverpool-stadion hing een spandoek met de tekst ‘SHAME ON YOU – R.I.P. LFC – 1892-2021’. Een Chelsea-supporter bij een demonstratie in Londen wapperde met een bordje waarop stond, ‘FOOTBALL BELONGS TO US NOT YOU’. En buiten het Manchester United-stadion: ‘Created by the poor, stolen by the rich’. Dit waren nota bene supporters van clubs die mochten meedoen aan de exclusieve Super League. In heel Europa was de weerstand zo verrassend groot dat tien van de twaalf clubeigenaren zich binnen 48 uur uit de Super League terugtrokken.

Dit was de eerste massaopstand tegen het neoliberalisme. (Brexit bevatte weliswaar dat element, maar ook vele andere – het was bijvoorbeeld tevens een opstand tegen immigratie.)

Neoliberalisme schreef ik nooit eerder zonder aanhalingstekens, omdat het te pas en te onpas wordt gebruikt als aanduiding voor alles wat commercieel is. Maar sinds de voetbalrevolutie begrijp ik beter wat het woord betekent. Ik definieer het hier als het idee dat elke activiteit voor winstbejag moet worden georganiseerd; dat elk ziekenhuis of universiteit of theater of sociale-mediaplatform als een bedrijf moet handelen. De Super League was de toepassing van dat idee op het voetbal, en tientallen miljoenen fans zeiden ‘nee’. Deze opstand ontsteeg het voetbal.

Sinds Ronald Reagan en Margaret Thatcher heeft het neoliberalisme veertig jaar lang de wind mee gehad. Maar in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd, is het voetbal er al die tijd amper door geraakt. Het is waar dat clubs sinds begin jaren negentig steeds nieuwe inkomstenstromen aanboorden. Eerst kwamen de betaalzenders in het Verenigd Koninkrijk en Italië, vervolgens door heel Europa vip-boxen, replica-shirts en lucratieve reizen van grote clubs naar nieuwe markten als China en de VS. Deze omslag ergerde veel traditionele fans. Het is echter een misverstand dat de meeste clubs ‘bedrijven’ werden die uit winstbejag handelden. De overgrote meerderheid maakte helemaal geen winst. Bijna elke cent die de clubs verdienden, betaalden ze meteen weer uit aan spelers en spelersmakelaars.

De bijna ijzeren wet van het voetbal is namelijk dat de club met de hoogste salarissen de prijzen wint. Waarom wordt Ajax kampioen van Nederland? Omdat het genoeg inkomsten heeft om topvoetballers als Dusan Tadic, Daley Blind en Davy Klaassen topsalarissen te betalen. En het hoofddoel van Ajax, zoals van bijna elke andere club in Europa, is het winnen van wedstrijden en niet het maken van winst. Sporteconomen zeggen: voetbalclubs zijn ‘win-maximising’, niet ‘profit-maximising’.

Zakenlui die het voetbal in gaan beginnen vaak met de illusie dat zij bedrijfsmatig zullen handelen. De Russische oligarch Roman Abramovitsj (eigenaar van Chelsea) en de Britse zakenman Alan Sugar (lang eigenaar van Spurs) dachten: die andere clubvoorzitters zijn idioten, ik ga mijn club als een bedrijf runnen, we gaan niet méér uitgeven dan we binnenkrijgen. Maar dat werkt in het voetbal niet. Omdat Sugar weigerde topsalarissen te betalen, kon hij de beste spelers niet halen en zakte Spurs op de ranglijst. Toeschouwers en sponsoren haakten af, dus faalde zijn club op het veld én in de boekhouding.

Abramovitsj gaf wél veel geld uit, stelde steeds het moment uit waarop Chelsea zwarte cijfers moest schrijven, en liet uiteindelijk de hoop op bedrijfsmatigheid stilletjes varen. De periode sinds 1992 (geboorte van de Engelse Premier League) is dus een tijdperk van toenemende commercialiteit in het voetbal, maar niet van winstbejag.

Veel Europese clubeigenaren maken graag winst, maar zij staan constant onder druk van mondige fans die eisen dat zij hun inkomsten meteen weer uitgeven aan voetballers. McDonald’s kan winsten maken zonder dat de consumenten boos voor de deur komen protesteren. Voetbalfans beschouwen zichzelf echter niet als individuele consumenten maar als een gemeenschap van clubleden. De voorzitter mag hun club tijdelijk leiden en hij mag er vooral geld in steken, maar de club is in hun ogen niet van hem, ook niet als hij alle aandelen bezit. Hij is niet meer dan de hoeder.

Slechts een handjevol clubs in Europa is erin geslaagd om regelmatig winst te maken, en zelfs dividenden uit te keren aan aandeelhouders: Manchester United, Arsenal en de laatste jaren ook Spurs onder voorzitter Daniel Levy. Het is geen toeval dat de winst makende clubs Engels zijn. Al sinds het begin van het Britse profvoetbal in de late negentiende eeuw staan bijna alle clubs op het eiland geregistreerd als ‘limited liability companies’, oftewel bv’s. Dat is niet omdat ze winsten nastreven, maar uit voorzorg tegen het bankroet dat clubs regelmatig treft. Als een club failliet gaat, wordt de bv opgedoekt en kan de eigenaar niet persoonlijk aansprakelijk worden gehouden voor schulden. Vervolgens sticht een nieuwe eigenaar een nieuwe ‘limited liability company’ en voetbalt de oude club onder deze holding vrolijk verder.

De meeste continentaal Europese clubs hebben echter altijd hun verenigingsvorm aangehouden. Ajax, Bayern München, Barcelona en Real Madrid zijn ledenorganisaties die niet verkocht kunnen worden. Dit is een eigendomsvorm waar het neoliberalisme weinig mee kan.

De opstand tegen de Super League is de Occupy Wall Street van nu, maar dan succesvol

Slechts twee groepen in het voetbal gedragen zich als neoliberale winstmaximaliseerders: de spelers en hun makelaars. Hoezeer een voetballer ook van zijn club zegt te houden en hoe liefdevol hij na een doelpunt het clubembleem zoent, hij zal bijna altijd vertrekken als hij meer kan verdienen bij een grotere club. Matthijs de Ligt kwam als kleine jongen naar Ajax maar tekende in 2019 al op zijn negentiende bij Juventus. Wayne Rooney is een kind van Everton maar trok tot walging van zijn fans in 2004 op zijn achttiende naar United. Voetballers doen dit niet alleen uit hebzucht. Kijk naar hun taal: ze noemen zichzelf ‘profs’ met een ‘carrière’. Hun persoonlijk-succesethiek is in strijd met de gemeenschapsethiek van clubfans, die dan ook vaak boos en teleurgesteld zijn als een speler vertrekt.

Over het algemeen hebben fans het post-1992 commerciële tijdperk van het voetbal geaccepteerd. Ondanks stijgende entreeprijzen zaten stadions tot de pandemie vol. Elke avond kijken mensen naar de meest onbenullige praatprogramma’s over voetbal. De Super League was voor veel supporters echter een stap te ver.

De basisbelofte van het voetbal is het verhaal van David en Goliath. In het voetbal kan David zondag van Goliath winnen. David kan zelfs kampioen worden. Dit gebeurt weliswaar zelden, maar vaak genoeg om de belofte levend te houden: drie clubs uit het nietige Nederland zijn in het verleden Europees kampioen geworden, het Alkmaarse AZ werd in 2009 kampioen van Nederland, Leicester won in 2016 de Engelse titel, enzovoort.

De Super League wilde Goliath echter tegen David beschermen. Vijftien van de twintig plekken in de Super League zouden voor Goliaths als Liverpool, Barcelona en Inter Milaan worden gereserveerd. Slechts vijf plekken zouden jaarlijks openvallen voor de honderden Europese Davids. De Goliaths zouden met gegarandeerde hoge inkomsten uit de Super League eindelijk voorspelbare winsten kunnen draaien.

Als zoveel neoliberale ideeën kwam de Super League uit de VS overwaaien. Vier van de twaalf clubeigenaren achter het plan zijn Amerikanen: John Henry van Liverpool, Stan Kroenke van Arsenal, Paul Singer van AC Milan en de familie Glazer van Manchester United. Tsja, dachten ze, zo werkt het in de Amerikaanse sport – en, breder beschouwd, in de Amerikaanse economie. Die sentimentele Europeanen moesten niet zeuren.

Hun plan werd verkocht met de gebruikelijke neoliberale argumenten. Florentino Pérez, voorzitter van Real Madrid, kwam met het jaren-zeventigverhaal van ‘trickle-down economics’. De Goliaths zouden een deel van hun Super League-inkomsten gebruiken om de Davids in leven te houden. Zo zouden de armen profiteren van het succes van de rijken. Dat zeiden Reagan en Thatcher vroeger ook. In het voetbal zou dat echter op z’n best leiden tot een situatie waarin de Goliaths met de kruimels van hun Super League de Davids eindeloos zouden subsidiëren. Op z’n slechtst zouden de Davids zonder hun reuzendodende droom irrelevant worden en verdwijnen, zoals een eeuw geleden gebeurde met honkbalclubs in kleinere Amerikaanse steden.

En Pérez greep naar het andere standaard-neoliberaal argument. Om met Thatcher te spreken: ‘There Is No Alternative.’ Zonder de Super League zou het voetbal volgens Pérez aan schulden ten onder gaan. Dit was een flauwekulredenering: al een eeuw lang maken bijna alle clubs schulden, maar ze zijn er bijna allemaal nog. Praktisch elke Engelse profclub die in 1921 bestond heeft de Grote Depressie, de Tweede Wereldoorlog, corrupte voorzitters, incompetente hoofdtrainers, de financiële crisis van 2008 en nu Covid-19 overleefd. Clubs overleven deels juist omdat het geen bedrijven zijn. Als ze grote schulden maken, durven de crediteuren zelden de stekker eruit te trekken, want die begrijpen dat een club meer is dan een bedrijf, en ze willen fans niet boos maken. Zelfs áls de club aan zijn schulden ten onder gaat, richten clubleden vaak gewoon terstond een nieuwe club op, die onder dezelfde naam en in dezelfde kleuren door voetbalt. Voetballiefhebbers doen dit omdat ze zichzelf niet als consumenten beschouwen. Sommigen laten na hun overlijden hun as over het veld van hun club strooien. Wie deze mensen als consumenten behandelt, begrijpt ze niet.

Voor fans is hun club geen bedrijf. Het lijkt meer op een stadsmuseum: een instituut voor de openbare zaak, dat bestaat om mensen gelukkig te maken. Ook de belangrijkste clubwerknemers – de spelers en trainers – zien het zo. Het is waar dat weinig spelers zich tijdens de 48 uur van de Super League ertegen uitspraken. Moderne voetballers zijn met militaire discipline opgevoed en hebben geleerd zich als goed betaalde, gehoorzame reclamezuilen te gedragen.

Maar Liverpool-aanvoerder Jordan Henderson – een van de meest mondige voetballers van deze tijd – was tijdens die 48 uur al bezig een vergadering van zijn mede-Premier League-aanvoerders te organiseren. Als het Super League-idee langer was staande gebleven, waren zij waarschijnlijk in opstand gekomen. Net als artsen, verpleegsters en academici beschouwen de meeste voetballers zichzelf niet puur als schakels in een neoliberaal systeem.

Ook ex-spelers als Jamie Carragher van Liverpool en Gary Neville van Manchester United spraken schande van de Super League. ‘Ze slepen instellingen die we al meer dan honderd jaar in dit land kennen door de modder, ze verbranden de geschiedenis van die clubs’, zei Carragher. ‘Instellingen’ en ‘geschiedenis’: het zijn begrippen die niet in het neoliberale woordenboek staan.

Na de implosie van de Super League durfden veel trainers en spelers het idee af te wijzen. Dat deden ze niet alleen uit overtuiging, maar ook uit angst. De harde kern van hun club weet waar zij wonen en waar hun kinderen naar school gaan. De supportersopstand tegen de Super League was geweldloos en voltrok zich vooral op sociale media, maar de dreiging van geweld was onderhuids aanwezig.

Deze opstand is de Occupy Wall Street van ons tijdperk, maar dan massaal en succesvol. Ik vermoed dat het een bredere afkeer van het neoliberalisme uitdrukt – zie ook de huidige ommekeer in het vaderland van het neoliberalisme onder Joe Biden. Natuurlijk is het makkelijker om een voetbalcompetitie te vloeren dan een heel systeem. Maar misschien is de voetbalopstand wel een politieke voorbode.