Forever yang

Wie weet leren we nog eens om vriendschap te sluiten met de aarde. Zolang Ursula K. Le Guin het zegt klinkt het niet eens heel onrealistisch.

Medium ap 18023860942327
Ursula K. Le Guin in 1972 © The Oregonian / AP / HH

Eerlijk gezegd hoopte ik dat Ursula K. Le Guin érgens in haar laatste boek, het laatste dat voor haar overlijden begin dit jaar verscheen – het terugblikkende No Time to Spare: Thinking about What Matters – een uitspraak zou doen over de mogelijkheid die het genre van de sciencefiction haar bood om van vrouwelijke personages waarlijk handelende personages te maken. Of om vrouwelijke personages te laten rondlopen in een hun passend universum. Ik meende ook iets dergelijks te hebben gelezen, maar misschien was dit dan in een interview, want ik kan het in deze bundeling van overpeinzingen en essays niet terugvinden.

Het is in ieder geval opmerkelijk dat het sciencefictiongenre op feministische schrijvers, naast Le Guin als bekendste redelijk hedendaagse vertegenwoordigers Margaret Atwood en Doris Lessing, altijd een speciale aantrekkingskracht leek en lijkt te hebben. Alsof zij door hun werk in de toekomst te plaatsen, kunnen laten zien dat er meer tussen hemel en aarde is dan deze patriarchale ellende. Of dat er, zoals onze eigen Joke Smit het verwoordde, wel degelijk een land is waar vrouwen willen wonen.

Ik beken dat ik dit, dit verlangen om een andere realiteit te verbeelden, of juist een waarschuwende boodschap af te leveren – als we niet heel gauw het patriarchale tij weten te keren, zijn jonge vrouwen gedoemd als broedmachines of erger opgesloten te worden – voornamelijk in theorie kan aanvoelen. Ik ben niet echt een liefhebber of kenner van sciencefictionromans. De historische roman, de gotische, de fantasynovel; ik ben er niet trots op maar ze lijken niet aan mij besteed. De werken van J.K. Rowling, maar ook die van Tolkien, heb ik nooit echt kunnen savoureren, en zelfs Alice in Wonderland is altijd tussen mijn vingers door geglipt. Ik weet niet waaraan het je dan ontbreekt. Verbeeldingskracht? Heb ik last van realiteitshonger? Of heb ik gewoon geen oog voor het metaforische? Zit ik gevangen in het hier en nu, denk ik te letterlijk?

Le Guin is in staat om zonder aanstellerij, op het idiot savante af, tegen de keer te denken

In een interessante korte bespiegeling in No Time to Spare gaat Le Guin in op het bekende yin-yang-principe, als hulpmiddel om traditionele en revolutionaire utopieën te ontleden. Ze vertelt over dit zogenaamde ideale evenwicht zoals ik er niet eerder tegenaan had gekeken, namelijk als een non-evenwicht. Sowieso maken deze opstellen eens en te meer duidelijk wat een lucide, oorspronkelijke, autonoom denkende geest zij moet zijn geweest. Zo iemand van wie je het liefst elke dag een stukje in de ochtendkrant had willen lezen, omdat ze in staat is om zonder aanstellerij, op het idiot savante af, tegen de keer te denken. Niets is vanzelfsprekend voor haar, en dat strekt zich uit van het dragen van uniforms tot de wenselijkheid van economische groei en die zogenaamde ‘grootsheid’ van de great American novel. Zelfs de letters van het alfabet, die zij tegemoet treedt als haar gereedschap, zijn entiteiten die elke keer opnieuw moeten worden ingelijfd en ingezet, om de magie van literatuur – een volkomen mentale aangelegenheid zoals zij keer op keer stelt – te kunnen bewerkstelligen.

Yin en yang dus. In ‘Utopiyin, Utopiyang’ schetst ze allereerst de traditionele utopie als de verbeelding van een maatschappij die zich niet noodzakelijk in de toekomst hoeft te bevinden, maar die zich ook net daar achter de bergen kan bevinden, of op een andere planeet. En dat het altijd zowel een goede als een slechte plaats is: ‘every eutopia contains a dystopia, every dystopia contains a eutopia’. Ze vergelijkt die mengvorm met het yin en yang-teken, waarin elke helft iets van de andere helft in zich heeft, hiermee hun complete wederzijdse afhankelijkheid en onderlinge beweeglijkheid symboliserend. De figuur op zich is statisch, maar elke helft bevat de mogelijkheid tot transformatie.

Die beide helften staan kennelijk voor het traditioneel mannelijke en vrouwelijke, zo legt Le Guin het althans uit: yang is helder, droog, hard, actief, penetrerend; yin is donker, nat, makkelijk, ontvangend. De dichotomie waarop Le Guin doelt, roept bij mij onwillekeurig de klassieke uitspraak van Marjan Berk in gedachten, ‘wij vrouwen zijn nu eenmaal een vochtig soort’, vergelijkbaar ook met de manier waarop Simone de Beauvoir in De tweede sekse de zaken terugbrengt tot hun essentie: ‘de man wordt hard, de vrouw nat’. In utopieën, aldus weer Le Guin, is dat yin-yang-idee terug te vinden, met dien verstande dat yang traditioneel gezien superieur wordt bevonden aan yin. Vaak wordt er een enclave verbeeld van maximale controle, die omgeven wordt door een ontembare wildernis. De goede bewoners van utopia beschouwen de wildernis als iets gevaarlijks, vijandigs, onleefbaars, terwijl de rebellen of de avonturiers juist hier de mogelijkheden voor verandering en vrijheid zien. Volgens Le Guin is het dominerende yang altijd bezig om de afhankelijkheid van yin te ontkennen, en zie je dit terug in twee beroemde literaire sciencefictionromans, Brave New World van Aldous Huxley, en 1984 van George Orwell. Zowel psychologische als politieke terreur hebben gezorgd voor een dystopische toestand van ultieme controle en regelzucht, die geen enkele mogelijkheid tot ontsnapping of verandering biedt. De balans is onwrikbaar: ‘everything is yang forever’.

‘Misschien moeten we meer yinly denken, om nog in staat te zijn een utopie te schrijven’

Waar is de yin-dystopie? vraagt Le Guin zich vervolgens af. Schuilt die misschien in horrorfictie waarin zombielegers volkomen out of control raken, of in van die – volgens haar steeds populairder wordende – verhalen waarin alles en iedereen naar de verdoemenis gaat, en de wereld ten onder gaat in totale chaos? Sowieso lijken er bijna alleen nog maar dystopieën te worden geschreven, en amper utopieën. ‘Misschien moeten we meer yinly denken, om nog in staat te zijn een utopie te schrijven’, concludeert ze. Om bescheiden te verwijzen naar haar eigen poging daartoe, Always Coming Home, uit 1985.

Ik kan me herinneren dat de boeken van Le Guin in de jaren tachtig, op de toppen van de tweede feministische golf, erg populair waren. In Always Coming Home schetst ze een anarchistische, agrarische samenleving in een postapocalyptisch tijdperk, deels teruggrijpend op de verhalen van de oorspronkelijke bewoners van de Napa Valley in Californië, een gebied dat Le Guin goed kende omdat ze daar opgroeide.

De vraag van Le Guin, of ze met dit boek erin is geslaagd een yin-utopie te schrijven, kan ik niet beantwoorden. Op de een of andere manier vind ik de vraag stellen in ieder geval al een daad van yin. In de slotalinea van haar stuk betoont ze zich optimistisch over de richting die ons denken over de toestand van de wereld is ingeslagen, hoe we iets nederiger zijn geworden ten aanzien van onze natuurlijke bronnen, niet alleen meer koste wat het kost willen groeien en meer oog hebben gekregen voor de manier waarop we onze planeet dreigen uit te putten en het klimaat te verstoren. Wie weet leren we nog eens om imperfectie te accepteren, geduld te hebben met onzekerheden, leren we vriendschap te sluiten met water, duisternis en de aarde… Zolang Le Guin het zegt klinkt het niet eens heel onrealistisch utopisch, zij het dat ze dit visioen schetste vlak voor Trump aan zet kwam.

Veel van de stukken in deze memoir-achtige bundeling gaan over ouder worden, en dat het in feite een taboe is om je zo oud te voelen als je bent. In het geestige stuk waaraan het boek zijn titel te danken heeft, beschrijft ze hoe ze, dan tachtig jaar oud, een vragenlijst krijgt opgestuurd van Harvard, ten behoeve van een reünie. Windt ze zich al op over de beperkte keuzemogelijkheden om de vraag te beantwoorden naar levensverbetering voor de toekomstige generaties – men is kennelijk geobsedeerd door angst voor terrorisme en ‘effectieve’ immigratiepolitiek, in plaats van te denken aan zaken als industriële vervuiling en bevolkingsgroei – bij vraag achttien is ze definitief gevloerd. ‘Wat doet u in uw vrije tijd?’ De eerste keuzemogelijkheid is ‘golf spelen’, daarna komen ‘winkelen’, ‘tv-kijken’, ‘bridgen’. Wat is dat eigenlijk, spare time, vraagt ze zich af. Het is iets waardevols als je werkt, midden in het leven staat, maar als je boven de tachtig bent? Is er dan nog iets anders dan spare time? Bedrieglijk luchtig doorredenerend komt Le Guin tot een opsomming van de zaken waarmee haar leven onverminderd gevuld is. ‘I am free, but my time is not.’ Natuurlijk, een toenemend deel van haar leven is gevuld met het tegemoet treden van lichamelijke ongemakken. Maar verder? Ze slaapt, ze dagdroomt, ze leest, ze e-mailt, ze schrijft, ze denkt, ze vergeet, ze kookt, ze eet, ze praat… Ze gaat nog wel eens naar de film, ze doet haar Chinese oefeningen als ze lukken, ze houdt haar kat bezig en vice versa… ‘I still don’t know what spare time is because all my time is occupied, It’s occupied by living.’ Wat denkt Harvard in godsnaam als ze haar zo’n lijst sturen? Ze wordt volgende week 81. Ze heeft geen tijd te verliezen.