Formalisme, lafheid en nalatigheid

OP 25 FEBRUARI 1946 werd voor de eerste keer de Februaristaking herdacht. Al snel zou de staking uitgroeien tot hét symbool van het verzet tegen de jodenvervolging. In zionistische kring echter was dat symbool van begin af aan omstreden. Sam de Wolff, marxist en socialist-zionist, benadrukte het heroïsche en bovenal proletarische karakter van de staking. Andere zionisten bestempelden de Februaristaking tot een incident. De radicaal-zionist Jo Melkman (nu Jozeph Michman) schreef in 1949 in het Nieuw Israelitisch Weekblad een bittere aanklacht tegen de suggestie dat de Februaristaking het begin was van het daadwerkelijk verzet tegen de jodenvervolging. De joden waren immers evengoed gedeporteerd en vermoord. Nu dienden zij nog slechts ‘ter verheerlijking van het nationaal Nederlands zelfbewustzijn’.

Voor radicaal-zionisten als Melkman, die zich voorbereidden op hun vertrek naar Israel, was het minder pijnlijk de houding van de niet-joodse bevolking in harde bewoordingen aan te klagen dan voor joden die hun toekomst voorlopig nog aan hun geboorteland bleven verbinden. Bovendien waren zij als zionisten getraind in het denken in termen van joden en niet-joden en als radicalen gespitst op het signaleren van anti-joodse tendensen, ook in Nederland.
Melkmans artikel leidde tot een felle intern-zionistische polemiek, waarin men er op wees dat veel joodse levens verloren gingen door ‘gebrek aan activiteit van de grote massa van het Nederlandse volk’ en zelfs door verraad. De socialist Salomon Kleerekoper, hoogleraar economie en van 1947 tot 1951 voorzitter van de Nederlandse Zionisten Bond, waarschuwde dat een lofzang op de Februaristaking er niet toe mocht leiden de situatie der joden rooskleuriger voor te stellen dan zij was. Hij wees op het antisemitisme tijdens de oorlog in kringen van de illegaliteit, de jodenhaat onmiddellijk na de bevrijding, de treurige geschiedenis van de oorlogspleegkinderen en het ellendig geregelde rechtsherstel. Andere zionisten weigerden de door de radicaal-zionisten streng doorgevoerde scheiding tussen joden en niet-joden over te nemen. Sam de Wolff vond de staking nu juist het bewijs dat de joden deel uitmaakten van het Nederlandse volk en over een dubbele nationaliteit beschikten.
Met het vertrek in de jaren 1949 en 1950 van het gros der radicaal-zionisten naar Israel verzandde deze eerste, min of meer gecoördineerde, joodse aanklacht tegen de niet-joodse Nederlandse samenleving. Het is overigens sterk de vraag of die aanklacht ooit buiten de eigen kring is gehoord.
VOOR IDO DE HAAN, politicoloog en filosoof, is dat géén vraag. In zijn zojuist verschenen boek Na de ondergang, gewijd aan de herinnering aan de jodenvervolging in Nederland tussen 1945 en 1995, treft men bovenstaande polemiek niet aan. De Haans belangrijkste stelling luidt dat de scheiding tussen joden en niet-joden die tijdens de bezetting in Nederland werd doorgevoerd, na de oorlog nooit meer zou verdwijnen. Hij schetst het spanningsveld waarin, na de bevrijding, de jodenvervolging enerzijds gold als een stuk joodse (of joods-Duitse) geschiedenis waar Nederlanders part noch deel aan hadden, terwijl er anderzijds voor de joden zelf als vertolkers van de herinnering aan de jodenvervolging slechts een marginale rol was weggelegd. Als zij al gehoor probeerden te vinden voor hun ervaringen, hun positie en hun belangen, werd er niet of nauwelijks naar hen geluisterd. De Haan benadrukt dat de jodenvervolging nooit werd verdrongen en van het begin af aan de inzet vormde van een politieke controverse. Zo kwamen er in 1952 twintigduizend mensen op de been tegen de gratie voor Willy Lages. Maar de joden zelf bleken in de praktijk afhankelijk van woordvoerders buiten hun eigen gemeenschap. Tot in de jaren zestig waren dat vertegenwoordigers van het voormalig verzet; het was de tijd dat weerbaarheid tijdens de oorlog de maat was en weerloosheid wrevel wekte.
Dat veranderde volgens De Haan ingrijpend in de jaren zeventig. In wat mag gelden als het 'zenuwcentrum’ van zijn boek betoogt hij dat door de groeiende invloed van de psychiatrie de joden evolueerden van 'zielige’ of 'geminachte’ slachtoffers tot gerespecteerde dragers van psychisch leed. Daarmee verwierven ze, zij het kortstondig, de exclusieve zeggenschap over de herinnering aan de jodenvervolging. Draaipunt in deze ontwikkeling vormde volgens De Haan de notie van het vervolgingstrauma, waarin concentratiekamp, vervolging en onderduik als structureel ziekmakend werden erkend. De jodenvervolging werd nu begrepen in termen van haar psychische effecten en gaf overlevenden qualitate qua het recht op erkenning in de vorm van zorg en geld. Deze ontwikkeling noemt De Haan de 'politieke erkenning van psychisch leed’, een erkenning die onder meer tot uitdrukking kwam in de Wet Uitvoering Vervolgingsslachtoffers (WUV), in de oprichting van het Centrum '45 (beide in 1973) en in het doorslaggevende belang dat werd gehecht aan de joodse stem in het debat rond de vrijlating van de Drie van Breda in 1972.
De Haan schetst vervolgens hoe in een klimaat waarin geestelijke kwetsbaarheid de norm werd en slachtofferhulp een absoluut vereiste, tal van groepen opstonden om hun plek op te eisen in de 'hiërarchie van het leed’. Hij betoogt dat de joodse overlevenden in een concurrentiestrijd verwikkeld raakten met andere slachtoffergroepen, allereerst met hun eigen naoorlogse generatie, maar al snel ook met andere etnische minderheden en met vrouwen en homoseksuelen. Zo verloren zij niet alleen de maatschappelijke erkenning als 'ultiem’ slachtoffer, maar ook hun zeggenschap over de herinnering aan de jodenvervolging. 'Auschwitz’ werd als het ware in verdunde vorm voor iedereen beschikbaar en groeide niet alleen uit tot een nationaal trauma maar ook tot een metafoor van universeel lijden. In feite stelt De Haan dat het slachtofferschap van de joden zich opnieuw als een boemerang tegen hen keerde. Dit keer wekten zij geen irritatie vanwege hun slachtofferschap, maar omdat zij zich schuldig zouden maken aan een monopolisering van het leed. 'Gojse nijd’ werd een fenomeen bij de gratie waarvan provocerende anti-joodse grappen of snieren konden gedijen.
Ook in een ander opzicht werd het joods slachtofferschap opnieuw gedegradeerd. De getuigenissen van joodse overlevenden tijdens processen tegen oorlogsmisdadigers kwamen terecht in een vermeend spanningsveld tussen 'authenticiteit’ en 'historiciteit’. Juist omdat getuigenissen zo authentiek zijn, worden zij gediskwalificeerd vanwege een overdosis aan emoties. En hier sluit De Haan zijn cirkel: in de rechtbank werd de getuige van de jodenvervolging zélf, als drager van 'psychisch leed’, object van onderzoek.
Wie het boek van De Haan leest krijgt het beeld van een gesloten inrichting vol joodse slachtoffers, waarvan de getraliede deuren scherp worden bewaakt door de niet-joodse samenleving. Als de joden al durven of willen ontsnappen, worden zij met gebalde vuist dan wel fluwelen handschoen teruggeworpen. Het is een schildering die fascineert door haar strakke lijn en scherpe kleuren. Maar juist door de strakheid van de constructie treden vertekeningen op.
ZO LIJKT DE HAAN, als politicoloog, te weinig oog te hebben voor de politieke impact van de subjectieve factor. Volgens hem droegen Abel Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong, de drie joodse historici aan wie de geschiedschrijving over de jodenvervolging in Nederland werd 'gedelegeerd’, ieder bij aan de 'monumentalisering’ van het beeld dat de jodenvervolging voorstelde als een zaak tussen Duitsers en joden, met de niet-joodse Nederlanders in de rol van al te meegaande omstanders. Met name Presser, en in mindere mate De Jong, zouden door hun nadrukkelijke aandacht voor de kwalijke rol van de Joodsche Raad de joden zelf verregaand medeverantwoordelijk hebben gemaakt voor de jodenvervolging. Presser nagelde weliswaar de niet-joodse Nederlandse samenleving aan de schandpaal, zo redeneert De Haan, maar dat leidde niet tot een nadere beschouwing van de rol van de Nederlandse bureaucratie, politie en spoorwegen. De Haan suggereert dus - hij zegt het niet - dat Presser en De Jong ongewild bijdroegen aan het fenomeen van beating the victim.
Allereerst ontkent De Haan daarmee dat Presser met zijn requisitoir tegen de niet-joodse samenleving wel degelijk een duizendkoppige hamer liet neerkomen op menig Nederlands hoofd. Resultaat was, zo schreef de historicus Jan Bank, een 'bijna collectief besef van tenminste passieve schuld’. De Haan, en anderen met hem, trekken dit effect in twijfel. Zij zien echter over het hoofd dat niet altijd de doorwrochte analyse maar de opeenhoping van schijnbaar futiele details, de toon en de retoriek de doorslag geven, mits verwoord door de 'juiste persoon op het juiste moment’.
In de tweede plaats is De Haans stelling dat de joodse identiteit van de drie historici geen factor in hun oordeelsvorming zou zijn, onhoudbaar. Zij zouden daarmee de eerste en de laatste historici zijn die zich niet mede lieten leiden door persoonlijke en impliciete veronderstellingen, standpunten en emoties. Herzbergs uitspraak dat de jodenvervolging eigenlijk geen Nederlandse geschiedenis was en de joden tegen wil en dank een eigen levenslot te dragen kregen, valt niet los te zien van zijn zionistisch referentiekader. Nog tijdens de oorlog trok Herzberg vurig van leer tegen het kwaad van de assimilatie.
Ook de relatieve verbetenheid van Presser en De Jong ten opzichte van de Joodsche Raad is voor herinterpretatie vatbaar. In zijn analyse van het vooroorlogse joodse streven naar assimilatie heeft de historicus Michael Marrus gewezen op de menselijke behoefte het vertrouwen (of de illusie) te koesteren dat men greep heeft op het verloop van de eigen geschiedenis. Ook de joden zouden graag het gevoel hebben dat zij een andere draai aan de noodlottige ontwikkelingen hadden kunnen geven. 'Unfortunately’, merkt Marrus op, 'this may simply not be the case.’ Deze drang om de afhankelijkheid van anderen te doorbreken, om onmacht om te zetten in macht, zou mede ten grondslag kunnen liggen aan Pressers en De Jongs benadering van de Joodsche Raad. Door de verantwoordelijkheid op wellicht disproportionele wijze af te wentelen op 'een groep binnen de eigen groep’ hielden Presser en De Jong niet zozeer als historici maar wel als joden deels het heft in eigen handen.
Overigens is de niet alleen bij De Haan ingesleten opvatting als zou De Jong het Nederlandse antisemitisme als 'mild’ en 'latent’ relativeren, aanvechtbaar. In de eerste plaats kraakt De Jong wel degelijk harde noten over het antisemitisme tijdens de oorlog, niet alleen onder de Nederlandse bevolking maar ook bij de regering in Londen, in verzetskringen en in het college van de secretarissen-generaal. Wat De Jong nalaat, is de samenhang analyseren tussen de negatieve joodse stereotypen die al (ver) voor de oorlog leefden en die van tijdens de bezetting. Die eerste vormden immers de kleefstof waaraan zich de latere vooroordelen konden hechten. In de tweede plaats wordt pas sinds kort het verschijnsel van het 'milde’ antisemitisme met andere ogen bekeken. Ironischerwijze is er juist als reactie op Daniël Goldhagens stelling in Hitler’s Willing Executioners dat de jodenvervolging een door massaal en virulent Duits antisemitisme gedragen Duitse aangelegenheid was, meer aandacht gekomen voor de niet-extreme en allesbehalve exclusief Duitse vormen van antisemitisme. Zo wees de Israelische historicus Yehuda Bauer op het belang van weliswaar milde en latente maar niettemin taaie en wijd verspreide antisemitische sentimenten als rem op het verzet tegen de jodenvervolging. In navolging van hem suggereerde de historica Dienke Hondius (in De Groene Amsterdammer van 23 april dit jaar) dat de jodenvervolging in Nederland mede zo effectief was omdat een meerderheid van de bevolking zich niet betrokken achtte bij wat 'een andere bevolkingsgroep’ overkwam. Daarmee legde zij, impliciet, de link tussen 'alledaags antisemitisme’ en 'alledaags racisme’. Onder 'normale’ omstandigheden vormen die geen kwestie van leven of dood, maar wat gebeurt er in een crisissituatie?
NOG EVEN TERUG naar het door Bank genoemde after Presser effect van het 'bijna collectieve besef van tenminste passieve schuld’. Maatschappelijk en politiek gezien is verantwoordelijkheid een zinvoller categorie dan schuld. Niet alleen omdat dit begrip zich er beter toe leent de blik op het verleden te verbinden met die op het heden en de toekomst, maar ook omdat men met het stellen van de schuldvraag het mijnenveld van het 'menselijk tekort’ betreedt - en wie komt daar ongeschonden uit? Ook joodse overlevenden hebben met die vraag geworsteld. De schrijver G.L. Durlacher kwam met het antwoord dat hij niet wist hoe hij zelf zou reageren. 'Ik durf niemand te veroordelen, behalve verraders.’ Bovendien heeft het besef van schuld bij de individuele niet-joodse Nederlandse burger zijn verzadigingspunt waarschijnlijk wel bereikt.
Veelzeggend in dit verband was dat het halverwege de jaren tachtig door de historicus Hans Blom geïnitieerde onderzoek naar het gegeven dat in Nederland meer joden zijn vermoord dan in andere West-Europese landen, aanvankelijk alleen doordrong tot een intellectuele bovenlaag. Maar tien jaar later, in 1995 (De Haan heeft deze 'vijftigste mei’ niet in zijn onderzoek betrokken) werd al op een bijna matter of fact-manier in de media niet alleen aan bovenstaand gegeven gerefereerd, maar ook aan pijnlijke kwesties als de actieve samenwerking van het Nederlandse ambtenarenapparaat met de bezetter en het opgeleefde antisemitisme na de bevrijding. Wat dat betreft vormde ook de hoe voorzichtig ook geformuleerde uitspraak van koningin Beatrix in de Knesset ('voor de juiste beeldvorming kan niet worden verhuld dat naast een moedig optreden ook passief gedrag en actieve steun aan de bezetter zijn voorgekomen’) al een doorbraak. Maar minstens zo onthullend waren de talkshows op televisie, waarin joden over antisemitische bejegeningen na de bevrijding vertelden en niet-joden over hun afzijdige houding (de vrouw die onder tranen liet weten dat ze had doorgewerkt op haar naaiatelier, terwijl haar joodse collega’s werden ontslagen en zich voor 'tewerkstelling’ elders moesten melden) dan wel hun actieve participatie aan de vervolging (de machinist die de trein had laten rijden, ook die ene keer dat die vol met joden zat).
Met zijn term 'politieke erkenning van psychisch leed’ schept De Haan zowel duidelijkheid als verwarring. Inderdaad werd het leed vertaald in politieke instituties die geld en therapie verdeelden onder de gedupeerden. Niet echter in het op zich nemen van een politieke medeverantwoordelijkheid voor de jodenvervolging door de Nederlandse overheidsinstellingen. Individuen werden 'gezuiverd’, maar niet de structuren en de mentaliteit die leidden tot een plichtsgetrouw of zelfs overijverig meewerken aan de anti-joodse maatregelen van de bezetter. Kortom, een wezenlijke 'politisering van het leed’ bleef uit.
NIET OVERAL. In zekere zin werd de fakkel van de radicaal-zionistische aanklacht tegen de Nederlandse samenleving veertig jaar later overgenomen door groeperingen uit de naoorlogse joodse generatie. Juist de politieke erkenning van hun leed gaf hun de ruimte dit leed te politiseren, zoals in de actie tegen de opvoering van het gewraakte toneelstuk Het vuil, de stad en de dood van R.W. Fassbinder. De kracht van dit protest lag namelijk meer in de aanval op de Nederlandse samenleving dan in de dubieuze stelling dat Fassbinders stuk antisemitisch zou zijn. Politisering van het leed vond overigens al eerder plaats, in het maatschappelijk protest vanaf de jaren zestig. Toen werd er, soms diepgaand en soms te oppervlakkig, op gewezen dat de autoritaire en bureaucratische structuren van Nederland de jodenvervolging ruimschoots hadden overleefd.
Terwijl De Haans boek doortrokken is van kritiek op het feit dat de jodenvervolging nog altijd als een 'vreemd element’ in de Nederlandse geschiedenis wordt beschouwd, rijdt hij zichzelf in de wielen door te benadrukken dat de herinnering aan de jodenvervolging nooit werd verdrongen en al meteen vanaf de jaren vijftig tot grote politieke controversen leidde. Hij laat immers tegelijkertijd zien dat deze controversen nooit tot gevolg hadden dat de Nederlandse (overheids)instellingen reflecteerden op hun eigen aandeel in de jodenvervolging. Daarom heeft De Haan het door hem bekritiseerde standpunt van de socioloog Abram de Swaan niet echt weten te ontkrachten. De Swaan stelde dat de Nederlandse samenleving de jodenvervolging naar de behandelkamer van de therapeut verbande uit onvermogen en onwil om het falen van het eigen politieke stelsel onder ogen te zien.
Laten we ons nu eens niet richten op alle verschillen maar op de overeenkomsten met Frankrijk ten tijde van de Vichy-regering. Met Maurice Papon staat de generatie Franse ambtenaren terecht die tijdens de oorlog met de Duitsers samenwerkte. De grootste Franse politievakbond heeft dit keerpunt aangegrepen om zijn excuses aan te bieden voor zijn 'actieve inzet en gewetenloze gehoorzaamheid’ bij de deportaties. Ook in Nederland is het ambtenarenapparaat (van hoog tot laag) doordrenkt geweest van de noodlottige mix van gemakkelijke distantiëring van de 'ander’, al dan niet milde anti-joodse vooroordelen, autoriteitsgevoeligheid, legalisme en beroepsijver. Verregaande beroepsdeformatie spreekt uit het door De Haan geciteerde gedenkschrift (1954) van het Amsterdamse Bevolkingsregister. Daar bracht de aanslag in 1943 niet alleen opluchting maar ook 'spijt dat een administratie, waaraan zo veel moeite en tijd was besteed (…) in enkele uren was vernietigd’. En hoe vaak moet nog van de daken worden geschreeuwd dat de 'jodenvangst’ in Amsterdam hoofdzakelijk het werk was van Nederlandse politieagenten, die zich vaak met grote inzet van hun opdracht kweten.
Over de dubbele moraal als bestanddeel van de Nederlandse identiteit (met de vinger naar anderen wijzen en de eigen besmeurde handen in onschuld wassen) is al veel geschreven. Op de laatste pagina van Na de ondergang voert De Haan bijna achteloos drie Nederlandse nationale ondeugden ten tonele: formalisme, lafheid en nalatigheid. Ziehier de elementen voor de politieke verklaring van de medeverantwoordelijkheid voor de jodenvervolging van de kant van Nederlandse overheidsapparaten, inclusief politie, spoorwegen en wie weet inmiddels ook wel banken en verzekeringsmaatschappijen.
Dat we nog steeds wachten op zo'n verklaring komt waarschijnlijk ook omdat deze elementen niets aan actualiteit hebben ingeboet. Wat bijvoorbeeld vooral opvalt bij het debacle in Srebrenica zijn de schrijnende details die, nog steeds, van formalisme, lafheid en nalatigheid getuigen: het overhandigen aan de Serviërs van een lijst met namen van gewonde moslims, het vasthouden aan de noodzaak van een pasje voor het moslimpersoneel, het niet alles op alles zetten om op zijn minst de familieleden van dit personeel te ontzetten. Veel Nederlanders associeerden dit optreden direct met de opstelling van de Nederlandse overheid in oorlogstijd. Zoniet de militaire leiding van Dutchbat. En evenmin haar opdrachtgever, de Nederlandse overheid anno 1995, die met de promotie van een overspannen Karremans een wel heel perverse 'politieke erkenning van psychisch leed’ toepaste.
We zouden bijna vergeten dat dit land, waar het voor zo velen van ons zo veel prettiger toeven is dan elders, mede wordt geregeerd door repressieve tolerantie. De Nederlandse leeuw heeft een januskop. Afwisselend grijnst en gromt-ie. Als vanouds kan een meerderheid rekenen op - repressieve - tolerantie. Welke minderheid het slachtoffer wordt van uitsluiting en onderdrukking, varieert.