Forse duim

Atte Jongstra, De heldeninspecteur . € 24,95

Medium jongstra boekcover

De nieuwe roman van Atte Jongstra, De heldeninspecteur, begint met een scène die thuishoort in een Kuifje-strip. De vrije burger Junius nadert in de zomer van 1830 Brussel en krijgt en route, na enig aandringen, een lift van een rijtuig waarin drie zwijgzame heren zitten. Junius, een vrolijke vijftiger, vraagt de heren of ze soms uit Parijs komen. Welnee, zeggen de heren, wij komen zeer zeker niet uit Parijs. Niet op bedevaarttocht naar Waterloo geweest, vraagt Junius? Nee, hoor, zeggen de heren. Of de heren het erg vinden het doek van de koets open te doen, voor frisse lucht. Liever niet, zeggen de heren, zo meteen gaan mensen nog denken dat we uit Parijs komen. Maar dat geeft toch niets, zegt Junius, ik kom immers ook uit Parijs. Dat kan zo zijn, zeggen de heren, maar wij absoluut zeker niet!
Het spreekt voor zich dat de heren uit Parijs komen, waar zojuist alle bomen zijn omgehakt om er barricades van te maken. De grote nationalistische, liberale vrijheidsgolf gaat over Europa en landt in de Zuidelijke Nederlanden, dat zich wil afscheiden van het nog jonge Koninkrijk der Nederlanden. Wat volgt is een avonturenroman zoals ze die in de negentiende eeuw schreven, waarin Junius in het heetst van de strijd belandt, geheel tegen zijn eigen ambities in. Junius raakt toevallig bevriend met prins Frederik, de broer van de prins van Oranje, de latere Willem II, die hem prompt tot ‘heldeninspecteur’ benoemt; een oorlog tegen de Belgen, de 'kielen’, heeft helden nodig, dus aan Junius om uit te zoeken wie voor die titel in aanmerking komt.
De oorlog van Jongstra is gespeend van elke heroïek: 'Een volgende granaat explodeerde. Een soldaat miste plotseling een been en werd door een luitenant weggedragen. Ze kwamen zijn kant op, bij een nieuwe ontploffing werd ook de luitenant geraakt. Junius zag het vlak voor zich gebeuren: één scherf en ook de luitenant miste een been.’
Die arme Hollanders! Zelfs als ze voor vorst en vaderland sneuvelen is het nog een en al onhandigheid. Daar komt bij dat Junius opvallend veel schotwonden in de billen registreert, wat doet vermoeden dat de Hollandse soldaten eerder van de vijand wegrenden dan hem met mes tussen de tanden te lijf gingen. Junius - is dat Latijn voor 'Jongstra’? - ziet het koeltjes en ironisch aan, als hij al eens iemand in het hossende gepeupel ontwaart die heldhaftig gedrag lijkt te vertonen, dan wordt die meestal in no time door rondvliegend staal en lood geveld, waardoor Junius met een boekje vol doorgekraste namen rondloopt. In postuum decoreren gelooft hij niet.
En zo maakt hij dan ook de heldendaad van luitenant-ter-zee J.C.J. van Speijk mee, zo ongeveer het enige van de Belgische opstand dat nog in ons collectief geheugen zit. De overijverige Van Speijk informeert eerst bij Junius hoe zijn functie precies in elkaar steekt, aan wat voor criteria de held moet voldoen om 'de eeuwigheid te halen’. Als Van Speijks kanonneerboot afdrijft naar de haven en wordt overspoeld door de rebellerende kielen is Van Speijk dolblij dat de heldeninspecteur op de eerste rij zit. Bij het klinken van het 'Berg uw billen!’ is Junius als eerste overboord, terwijl het schip (en Van Speijk) de lucht in gaat. Of zoals Jongstra het illustreert in zijn voetnoten, een citaat van de 'koopman-dichter Adriaan van der Hoop’ (1802-1841): 'Dáár vlamt het achter, voor en onder/ Met bliksemvuur! Dáár barst en kraakt/ Een Hecla los: dáár brult de donder!/ Dáár spat de boot met hels gerucht,/ Met vriend en vijand in de lucht!’
Junius drijft op een afgerukte romp naar de kade, waar de Hollanders hém prompt voor de held aanzien; de romp waar hij op dreef blijkt van Van Speijk te zijn. De heldeninspecteur heeft hoogstpersoonlijk het ontzielde lichaam van de vissen gered. De prinsen van Oranje zijn hem eens te meer dankbaar.
Dit gebeurt na zo'n 120 bladzijden in het boek, het moment waarop ik alle vragen waar een recensent doorgaand in zijn hoofd mee leest - wat zijn de dubbele bodems? Wat vind ik van de stijl, het realisme? Is dit literatuur? - al lang waren verdwenen en ik volledig opging in Jongstra’s vertelpret. Junius’ avontuur leest als een toeristische tocht langs de trekpleisters van de Belgische opstand, waar de heldeninspecteur steeds net op tijd is voor het mooiste panorama. Soms is het te uitleggerig, soms stapelen de gebeurtenissen zich zo rap op dat de sleur erin komt en het tragische liefdesverhaal is van dik-hout-zaagt-men-planken, maar het plezier dat Jongstra moet hebben gehad bij het schrijven is op elke bladzijde te lezen. En in elke voetnoot. Net als in zijn vorige historische roman, De avonturen van Henry II Fix (2007) geeft Jongstra talloze voetnoten om aan te tonen dat alles wat hij schrijft klopt. En dan lees je ineens noot 41, in een scène waarin een kunstenaar met een plat Amsterdams accent praat: 'De kunstenaar drukt zich uit in de Amsterdamse tongval, wat in historisch opzicht bijzonder onwaarschijnlijk is. (…) Dat hij hier niettemin als Amsterdammer wordt voorgesteld is om wille van koloriet, iets wat deze gebekte kunstenaar maar al te goed zou begrijpen.’ De vraag is dan: waar in het boek kunnen we de schrijver dan wél vertrouwen?
Antwoord: helemaal nergens. Dit is een heerlijk leesboek en Jongstra’s boekenkast is vast net zo fors als zijn dikke duim.

Atte Jongstra
De heldeninspecteur
De Arbeiderspers, 424 blz., € 24,95