Essay De EU en het migratiedilemma

Fort Europa?

In 2050 komt Europa 31 miljoen arbeidskrachten te kort. Daar is een eeuwenoude remedie tegen: immigratie. Maar waar we onze immigranten vroeger helden vonden, zien we ze nu als ‘gelukszoekers’ of schurken. Moet Europa dan maar een openluchtmuseum worden vol gebrekkige en slecht verzorgde mensen?

DE EUROPESE UNIE komt in 2050 maar liefst 31 miljoen mensen te kort op de arbeidsmarkt. Althans volgens het rapport Mind the Gap van de Stichting voor Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam. De alarmerende boodschap van het rapport is echter minder uitzonderlijk dan ze lijkt, en dat zeg ik niet omdat mijn naam onder die van de auteurs staat.
Op papier zijn er drie manieren om op dat tekort te reageren: 1) niets doen, 2) de omvang van onze economie handhaven, maar dan met minder mensen en 3) het tekort geheel of deels opheffen door het toelaten van arbeidsmigranten van buiten de EU.
Niets doen heeft de voorkeur van de economen. De bevolking krimpt en dat betekent minder vraag naar goederen en diensten. Laat de economie, net als de bevolking, maar rustig meekrimpen. In dit scenario veroudert de bevolking van Europa echter dramatisch. En dat heeft gevolgen voor wat we maken. Zo kan de productie van eengezinswoningen, auto’s, racefietsen, baby- en zwangerschapskleding verminderen, en worden vervangen door de fabricage van rollators, rolstoelen en steunkousen. We hebben minder scholen, universiteiten en onderzoekscentra nodig en meer verpleeg- en ziekenhuizen. En ook de beroepsbevolking moet zich omscholen, want we hebben veel minder productiepersoneel nodig en veel meer dienstverleners: in 2050 moet maar liefst een vijfde van de beroepsbevolking in de zorg werken. Maar ook daar hebben de economen een patente oplossing voor: het prijsmechanisme. Gewoon meer betalen en het aanbod stijgt.
Historisch gezien valt er op deze oplossing wel wat aan te merken. Ziet u voor uw geestesoog de honderdduizenden ex-tomatenplukkers, wegwerkers, postbodes, bankwerkers en bankiers na hun ontslag een opleiding volgen om daarna met hart en ziel bejaarden te wassen en zieken te verplegen? In het verleden heeft de prijs van de arbeid wel een zekere sturing bewerkstelligd, maar bij de beroepskeuze spelen traditie, geslacht en sociale herkomst ook een rol. Kortom, het is goed mogelijk dat het prijsmechanisme toch veel gaten op de arbeidsmarkt laat vallen. Voor de ongekend grote bevolkingsdaling die ons te wachten staat, zou deze oplossing wel eens op een drama kunnen uitlopen. Ik ken geen voorbeeld uit het verleden waarin een land, en laat staan een heel continent, met een krimpend aantal werkenden in combinatie met een steeds groter deel van de bevolking dat bejaard is en niet meer werkt, toch innovatief en concurrerend kan blijven. Kortom, als we het aan de economen overlaten wordt mijn nachtmerrie werkelijkheid: Europa is in 2050 een vervallen openluchtmuseum vol met oude, gebrekkige en slecht verzorgde mensen, meewarig aangestaard door de rijke toeristen uit Azië en Amerika.
Maar economen zijn nooit voor één gat te vangen. Volgens hen kan het tekort aan mensen worden gecompenseerd door een stijging van de arbeidsproductiviteit, dat wil zeggen dat de arbeid van de mens steeds meer oplevert in combinatie met betere machines en intelligenter management. Daar is historisch niets tegen in te brengen. De mens is in staat geweest om in de afgelopen eeuwen en met name in de laatste eeuw steeds meer te produceren in steeds minder uren. Maar de groei van de arbeidsproductiviteit gaat met horten en stoten en het is zeer de vraag of dat steeds in gelijke mate de daling van het aantal werkenden kan opvangen. Daarbij komt nog dat een dramatische stijging van de arbeidsproductiviteit in de explosief groeiende gezondheids- en bejaardenzorg niet erg voor de hand ligt.

EEN ANDERE MOGELIJKHEID is om de arbeidsparticipatie op te krikken. Maar eerder beginnen met werken in je leven? Juist het omgekeerde heeft ons de afgelopen eeuw in Europa zo rijk gemaakt. Het ligt veel meer voor de hand om te veronderstellen dat we in de toekomst niet minder, maar juist meer en beter geschoolde arbeid nodig hebben, en we zijn zo rijk dat we de komende generaties nog langer de gelegenheid kunnen geven zich te scholen.
En de ouderen dan? Die kunnen toch langer doorwerken? Het kan, maar weer geeft de geschiedenis ons weinig hoop. We zijn nu eenmaal zo rijk geworden dat we het ons kunnen veroorloven niet alleen de eerste twee decennia van ons leven vrije tijd te kopen, maar ook de laatste twee. Die vraag naar vrije tijd blijkt bovendien erg crisisbestendig, of in economentaal: inelastisch. Ik zie trouwens niet goed waarom de koop van pensioenjaren plotseling als iets obsceens wordt afgeschilderd, terwijl iemand die met dat geld een wereldreis financiert, of een tweede huis, een boot of nog maar weer een auto wel op maatschappelijke waardering zou mogen rekenen.
Meer vrouwen aan het werk? Binnen de EU is daar nog wel wat te halen, maar lang niet in ieder land. Weer zullen de economen op hun panacee wijzen: verhoog de lonen. Volgens hen zijn vrouwen gaan werken omdat thuisblijven steeds duurder werd. Was het maar zo eenvoudig. In Italië bijvoorbeeld zijn de lonen voor vrouwen niet zo veel lager dan die voor mannen en toch werkt minder dan vijftig procent tegen zeventig procent van de mannen. In Nederland werkt 66 procent van de vrouwen en tachtig procent van de mannen, terwijl de behoefte om geld te verdienen in beide landen even sterk is. Voor een historicus is dat niets nieuws. Hoewel schattingen uitwijzen dat de levensstandaard in Europa tussen 1500 en 1700 helemaal niet veel hoger was dan in andere continenten zijn in ons continent vrouwen en kinderen eeuwenlang in de economische luwte gebleven, hoewel de honger vaak op de loer lag.
Dat een hogere beloning altijd een bijna evenredige stijging van het arbeidsaanbod betekent, was bij vrouwen in Europa lang niet altijd het geval. Was het gezinsinkomen voldoende om in de eerste levensbehoeften te voorzien, dan lijkt eerder het omgekeerde het geval. Hoe hoger het gezinsinkomen, hoe lager het aanbod van vrouwen op de arbeidsmarkt. Dat was bijvoorbeeld in Afrika wel anders. Daar speelden vrouwen een belangrijke rol in de economie en slavinnen waren in de interne slavenhandel in Afrika zeer gevraagd. Dat ontdekten ook de kapiteins van slavenschepen, die voor het harde werk op de plantages in de Nieuwe Wereld in Afrika volgens de Europese normen op zoek waren naar mannelijke slaven, maar tegen heug en meug steeds meer vrouwen en kinderen inkochten, omdat die nu eenmaal in steeds groteren getale door de Afrikaanse makelaars werden aangeboden. Het gevolg was dat in de meest dynamische sectoren van de economie in de Nieuwe Wereld veel minder acht werd geslagen op sekseverschillen dan in Europa, een van de factoren waardoor de levensstandaard daar zo hoog was. Kortom, de vijf eeuwen geschiedenis van vrouwen op de arbeidsmarkt laat zien dat financiële prikkels maar een beperkte werking hebben. En zolang je niet weet wat precies de arbeidsparticipatie van vrouwen beïnvloedt, kun je er niet op rekenen dat hun extra bijdrage de demografische teruggang geheel zal compenseren.

ALS DAT ALLEMAAL niet werkt of onvoldoende soelaas biedt, waarom krijgen de Europeanen dan niet meer kinderen? Maar daar is een effectieve bevolkingspolitiek voor nodig. Ik heb eigenlijk alleen maar voorbeelden van zo’n politiek die ten doel had om het aantal kinderen te verminderen. Zoals in India, waar mannen een gratis transistorradio kregen als bij hun vrouwen een spiraaltje was ingebracht. Dat werkte niet, want de organisatoren van deze campagne hadden geen rekening gehouden met de vingervlugheid van de betrokkenen. En wie denkt dat er alle reden is om juist in Afrika voorbehoedsmiddelen te gebruiken, heeft het mis. De goedbedoelde condoomcampagnes hebben er weinig succes, hoewel de infectie met het hiv-virus toch een krachtig argument vormt. Het condoomgebruik stijgt alleen mondjesmaat in de steden. Op het platteland lijkt de culturele aversie nog steeds van meer belang dan de aidsdreiging.
In het verleden waren kinderen je oudedagsvoorziening. Daar houden deze campagnes geen rekening mee. In Europa zijn we rijk en daarom hebben we onze kinderen daar niet meer voor nodig. Maar weer speelt hier een aantal onbekende factoren, die het onwaarschijnlijk maken dat we in de nabije toekomst het demografisch tekort kunnen compenseren met meer kinderen. Zo zijn er grote verschillen in het gemiddelde kindertal tussen de Europese landen, die niet door welvaartsverschillen kunnen worden verklaard. Vanaf het begin van de twintigste eeuw tot het midden van de jaren zestig kende Nederland een gemiddeld kindertal van drie per vrouw, terwijl dat in Frankrijk ongeveer twee was. Twee kinderen per vrouw is te weinig om de bevolking in stand te houden.
Na de Eerste Wereldoorlog heeft de Franse regering dan ook steeds geprobeerd om het krijgen van kinderen aantrekkelijk te maken en die politiek bleef nog lang in stand. De gedachte dat een familie met twee of meer kinderen in Frankrijk al als een ‘famille nombreuse’ werd aangemerkt, wekte toen in Nederland de lachlust op. Het had iets mysterieus dat in een land waar in elk chanson over de liefde werd gezongen zo weinig kinderen werden geboren. In de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw was Frankrijk het land geworden dat in demografische zin al leek op het Europa van nu: zonder immigranten, met een dalende en verouderende bevolking en grote tekorten op de arbeidsmarkt. En dat terwijl de welvaartsverschillen tussen Frankrijk en Nederland niet zo groot waren om het verschil in het voortplantingsgedrag te verklaren. Het is overigens ironisch dat het aantal kinderen per vrouw in Frankrijk thans op 1,9 berekend wordt, terwijl dat in Nederland 1,7 is. Maatregelen om het kindertal snel te laten stijgen in Europa kunnen trouwens geen oplossing meer vormen voor de ‘gap’. Die komt er. Alleen de één-kindpolitiek van communistisch China en de veel-kindpolitiek van nazi-Duitsland waren effectief, maar niemand wil zulke dictaturen in Europa tolereren.

MAAR WAAROM ons in allerlei bochten gewrongen om de ‘gap’ op te lossen als er een beproefde, eeuwenoude remedie is: immigratie. Maar daarover beginnen is voor politici en beleidsmakers een soort maatschappelijke zelfmoord. Niet dat er geen aanbod van immigranten zou zijn. Maar in plaats van trots zijn we angstig in een land te wonen waar de mensen in de rij staan om binnen te komen. Een fractievoorzitter in de Tweede Kamer heeft zelfs bij de laatste verkiezingscampagne een apart woord voor migranten verzonnen: ‘gelukszoekers’. Dat woord hoorde je niet toen mijn buurmeisje en haar familie vijftig jaar geleden vol verwachting naar Zuid-Afrika migreerden. En de overburen naar Australië. Toen werden migranten juist gezien als ondernemingsgezind. Emigranten waren geen gelukszoekers, maar zouden juist een aanwinst voor die verre landen zijn, terwijl ze het overbevolkte Nederland wat lucht gaven. Waar komt die omslag vandaan? Hoe zijn migranten in ons land van helden plotseling schurken geworden?
Daarin staat Nederland overigens niet alleen. Andere landen in Europa kennen ook een groeiende aversie tegen immigratie. Zelfs in het klassieke immigratieland par excellence de Verenigde Staten wordt geklaagd dat immigranten niet meer zijn wat ze eens waren, namelijk economisch en sociaal beter dan de doorsnee van de bevolking van het gastland, wat betekent dat ze gemiddeld meer verdienen, beter opgeleid zijn, meer banen scheppen en minder een beroep doen op gesubsidieerde overheidsdiensten dan de gemiddelde autochtoon. En dat is nog maar de eerste hoepel waar de geslaagde migrant doorheen moet springen. Niet alleen het gastland, maar ook de migrant zelf of zijn of haar kinderen moeten er natuurlijk beter van worden. En: een migratie is pas echt geslaagd als ook het zendende land er voordeel uit trekt.
Als je de lat zo hoog legt, zijn er dan in het verleden ooit geslaagde migraties geweest? Ja, die waren er en die zijn er. Dat gold niet alleen voor het grootste deel van de klassieke transatlantische migratie vanuit Europa naar de Nieuwe Wereld in de negentiende eeuw, maar ook voor de minder bekende, maar zeer omvangrijke migraties binnen Europa. De stagnerende bevolkingsgroei in Frankrijk tussen de wereldoorlogen werd opgevangen door de immigratie van Italianen en Spanjaarden in het Zuiden en van Belgen in het Noorden, terwijl ook Oost-Europeanen een steentje bijdroegen. Vrijwel alle Europese landen hebben in het verleden geprofiteerd van het feit dat ze migranten hebben zien komen of gaan, want zelden of nooit paste de bevolking van een land precies op de arbeidsmarkt van dat land. Het is een dooddoener, maar de Nederlandse Gouden Eeuw is mede te danken aan de honderdduizenden migranten die op essentiële onderdelen onze economie hebben versterkt.
Maar nog steeds is niet goed verklaard waarom er in Europa zulke verschillen in mobiliteit bestonden. Zo hebben de Engelsen en de Duitsers in het verleden veel meer gemigreerd dan de Fransen en de Nederlanders. ‘De Nederlander’, zo verklaarde een vroegere minister van Financiën verachtelijk, ‘blijft liever bij Tante Truus thuis.’ Dat was al zo in de periode tussen 1500 en 1800. Dat de Britse eilanden in die eeuwen de meeste van de tweeënhalf miljoen transatlantische migranten hebben geleverd, wekt geen verbazing, want Engeland was relatief verstedelijkt en nauwelijks meer feodaal en ook intern zeer mobiel. Portugal was daarentegen een land met een agrarische en feodale structuur, en toch heeft dat land naast Engeland de meeste transatlantische migranten geleverd.
Het is van essentieel belang om de verschillen in mobiliteit in de EU te verklaren, want de euro is niet alleen ingevoerd omdat we vertrouwen op de integratie van de Europese goederen en dienstenmarkten, maar ook op de markten voor arbeid. Het wonder Europa is niet alleen het gevolg van het gevarieerde klimaat, de gunstig stromende rivieren, de vruchtbare laagvlakten en de vele, met elkaar concurrerende staten. Europa is ook rijk geworden door de unieke mogelijkheid om tegen relatief lage kosten en over grote afstanden te migreren. Ik wil een slag om de arm houden voor delen van Azië, maar in de Atlantische wereld waren Europa en haar koloniën volstrekt uniek: nergens was de migratiedrempel zo laag, want in Afrika en Indiaans Amerika kon je nauwelijks als individu migreren en de meeste migraties hadden daar plaats onder dwang of in een groep. De individuele migrant is het fundament van onze westerse rijkdom.
Natuurlijk, er waren ook migraties in de Europese geschiedenis die in principe nadelig waren. Zo heeft de verdrijving van de Sefardische joden uit Spanje en Portugal die landen grote economische schade bezorgd en datzelfde geldt voor de verdrijving van de Hugenoten uit Frankrijk, van de antibolsjewieken uit Rusland en van de politieke tegenstanders van het fascisme uit Italië, Duitsland en Oostenrijk en – dat vergeten we vaak – tussen oktober 1944 en de zomer van 1947 van de zestien miljoen Duitstaligen uit Oost-Europa, de grootste etnische zuivering in de Europese geschiedenis. Ook de zeven miljoen immigranten die ten gevolge van de dekolonisatie naar Europa migreerden, deden dat tegen hun zin en met het idee dat hun verhuizing geen verbetering maar een verslechtering zou betekenen.
Het is gek, maar al deze migraties lijken toch goed te hebben uitgepakt, althans voor de migrant en voor het ontvangende land. Dat geldt a fortiori voor de ‘betterment’-migratie, maar ook voor de asielmigratie. De Sefarden en de Hugenoten bleken een aanwinst voor de gastlanden en hun vertrek leverde wel schade op, maar bood ook nieuwe kansen aan de achterblijvers. Meer recentelijk heeft het Wirtschaftswunder in Duitsland veel te danken gehad aan de Vertriebenen uit de vroegere Duitse gebieden in Oost-Europa, en de sukkelende economie van Zuid-Frankrijk en Portugal zou er lang niet zo goed voor hebben gestaan zonder de komst van de pieds noirs uit Noord-Afrika en de retornados uit Angola en Mozambique.

KIJKEN WE NOG eens naar de vraag die ik in het begin stelde: wat te doen aan de daling van de Europese bevolking? Alle deuren dicht, zoals nu het geval is, lijkt een positie die ingegeven is door angst en niet door het verstand. Als Europa zo veel te danken heeft aan migratie, dan lijkt het onverstandig om ons te verschansen in het Fort Europa. Volgens mij is dat trouwens een omineus begrip, een vertaling van het Duitse Festung Europa, bedacht door Joseph Goebbels na de verloren slag bij Stalingrad. Met de Atlantikwall in het westen wilde hij de joods-plutocratische Anglo-Amerikanen buiten de deur houden, terwijl de Wehrmacht in het oosten de bolsjewistische horden uit Azië moest afweren. Dat concept is geen succes geworden. Was die Festung Europa overigens wel een succes geweest, dan had Duitsland de oorlog veel eerder moeten opgeven. Zonder de vele miljoenen arbeidsmigranten, onder meer uit Oost-Europa, vaak ingezet onder dwang, zou Duitsland al eind 1943 niet meer in staat zijn geweest de oorlog voort te zetten. Juist die episode bewijst op een rare manier nog eens wat voor een geweldige economische voordelen arbeidsmigratie biedt.
Ik ben me ervan bewust dat de vele positieve ervaringen met migratie in het verleden geen garantie voor de toekomst inhouden. Met de migratie binnen Europa hebben we vele eeuwen ervaring, maar met grootschalige immigratie vanuit andere continenten niet. Goed, er zijn zeven miljoen ex-kolonialen naar Europa gekomen tussen 1945 en 1975 en wat kleinere groepen arbeidsmigranten uit Afrika en het Caribische gebied, aanvankelijk alleen tijdelijk ter versterking van de oorlogseconomie, of het leger.
Pas in de jaren vijftig en zestig begon de grootschalige immigratie van niet-westerse immigranten op gang te komen. Onder die migranten waren velen die er wel zelf beter op zijn geworden en dat geldt zeker voor hun kinderen, en wier vertrek meer kansen bood aan de bevolking van het thuisland, maar die vaak hoge kosten hebben veroorzaakt voor het gastland. Ik noem slechts een dramatisch getal: meer dan de helft van de eerste generatie Turkse en Marokkaanse gastarbeiders in Nederland boven de veertig raakte afhankelijk van een uitkering. Dat is in de ons omringende landen wel beter, maar niet veel. Een royale welvaartsstaat maakt een mislukte migratie heel duur.
Dat heeft een trauma veroorzaakt onder brede lagen van de bevolking, de politiek, het bestuur en onder werkgevers. Dat we nu miljarden overheidsgeld moeten uitgeven aan niet-westerse immigranten en hun kinderen kan niet de bedoeling van arbeidsmigratie zijn. Op dit ogenblik lijkt in vrijwel heel West-Europa de mening te hebben postgevat dat migratie waar iedereen beter van wordt tot het verleden behoort. We tolereren tandenknarsend de interne migratie binnen de EU en hoewel ons land in de afgelopen economische hausse zeer geprofiteerd heeft van de Polen, blijft hun aanwezigheid op kritiek stuiten. Dan moet Europa maar een openluchtmuseum worden.

IK ZOU HET HIERBIJ kunnen laten, want in veel wetenschappelijke studies worden de problemen geanalyseerd en daar blijft het bij. Voor één keer wil ik mij op het glibberige pad van beleidsaanbevelingen begeven. Economen doen niet anders.
De eerste oplossing is de Amerikaanse remedie: laat de migranten van buiten de EU maar komen, ook al zijn ze grotendeels illegaal, en verminder de solidariteit. Een mislukte immigrant komt in de VS minder makkelijk ten laste van de gemeenschappelijke portemonnee. Maar een Europeaan is trots op – sommigen zeggen: verslaafd aan – dat grote en royale sociale vangnet. ‘Amerikaanse toestanden’ willen we niet. Dat lijkt me een doodlopende weg. Een Europese variant zou de rotatiemigratie zijn, waarbij de arbeidsmigrant slechts een korte periode arbeid in de EU mag verrichten, met zeer beperkte mogelijkheden om aanspraak te maken op dure voorzieningen, om daarna verplicht weer naar huis terug te keren. Nog tot ver na de Tweede Wereldoorlog stelde Zwitserland op deze wijze Italiaanse migranten aan in het hotelwezen. Maar in zo’n systeem moet je strikt zijn, zeker als de reis terug een tocht is naar een ander en heel arm content. En strikt zijn ligt ons niet, we gedogen liever.
Tweede oplossing: als het dan zo risicovol is om migranten tot de EU toe te laten, waarom dan geen migratie van kapitaal? Investeer daar waar de arbeid goedkoop is. Die oplossing is wel beproefd, maar steeds weer blijkt dat het bij investeringen buiten Europa niet alleen om de prijs van de arbeid gaat, maar ook om zaken als rechtszekerheid, infrastructuur, openbare veiligheid, arbeidsdiscipline en scholing.
De meest voor de hand liggende oplossing is selectie bij binnenkomst, waarbij opleiding en vakbekwaamheid de belangrijkste rol spelen. Canada en Australië doen het al zo en Duitsland heeft onlangs een immigratiewet aangenomen met soortgelijke bepalingen. Nederland moet ook zo’n wet maken, want aan de migratie binnen de EU kan wel eens eerder een einde komen dan we denken.
Ik ben benieuwd hoe de discussie over zo’n wet in Nederland gaat lopen. Wedden dat een aantal politici er bij ons voor zal pleiten om bij de selectie niet alleen sociaal-economische, maar ook religieuze factoren mee te wegen? En daarmee bedoelen ze dan: moslims uitsluiten. Het is juist dat de cijfers over de maatschappelijke positie van moslims in West-Europa vaak ongunstig afsteken bij die over andere immigrantengroepen, maar in de VS is dat niet zo. De moslimimmigranten in Noord-Amerika komen uit de Arabische en Aziatische middenklasse en behoren juist tot de groepen met een hoge slagingskans (zolang ze maar geen vlieglessen nemen).
Er zullen vast nog meer argumenten tegen zo’n immigratiewet worden bedacht, zoals de klacht dat de talent-drain de ontwikkeling van de Derde Wereld zou schaden. Historisch gezien is zo’n argument niet sterk, afgezien van de medische sector. Was de mogelijke schade van een brain drain ooit een obstakel om Europeanen naar andere continenten te sturen? De talloze Indiase ICT’ers in Silicon Valley en de vele Filippijnse verpleegsters in de VS hadden niet eens in hun opleiding thuis geïnvesteerd als ze niet de kans hadden gehad om in Noord-Amerika te werken.
Laten we maar gauw zo’n immigratiewet maken.

P.C.Emmer is bijzonder hoogleraar in de geschiedenis van de Europese expansie en de daarmee verbonden migratie. Voor het rapport Mind the Gap van de Stichting voor Economisch Onderzoek (Universiteit van Amsterdam) zie www.seo.nl/nl/publicaties/rapporten/2007/968.html )