10 jaar na de moord op Fortuyn: De omstreden erfenis van de ‘goddelijke kale’

‘Fortuyn is onze dandy’

Anno 2012 lijkt Pim Fortuyn geen vijanden meer te kennen. Tien jaar na zijn dood vroeg Beleid en Maatschappij vijftien politieke ‘junkies’ naar hun visie op de fortuynistische erfenis. Ze beledigen hem heel complimenteus.

Maandag 6 mei 2002 staat de meeste Nederlanders als de dag van gisteren in het geheugen gegrift. Zoals dat voor een oudere generatie geldt voor vrijdag 22 november 1963, en voor nog veel meer wereldburgers voor dinsdag 11 september 2001. Iconische data waar onlosmakelijk de vraag aan verbonden is: ‘Waar was u, toen…?’ En die in het collectieve bewustzijn gekoppeld zijn aan al even iconische beelden: de eindeloos herhaalde, ontzagwekkende beelden van speelgoedvliegtuigjes tegen een staalblauwe hemel die zich haast lieflijk in die witzilveren torens van het World Trade Center boren; de onscherpe amateurfilmbeelden van een feestelijke motorcade in een zonovergoten Dallas, die wreed wordt verstoord door geweerschoten, het opwippende schedeldak van een president en een gillende menigte; en de persfoto van het lijk van Pim Fortuyn op dat troosteloze parkeerterrein van het Hilversumse Mediapark, decent toegedekt en afgezet met rood-witte linten, naast de open deur van de Daimler waarin hij zich liet vervoeren.

Dit jaar is het tien jaar geleden dat aan Fortuyns meteorische politieke opkomst een bruut einde kwam. Zijn dood luidde een hectische periode in de doorgaans zo saaie Nederlandse politiek in, die nog altijd niet is afgesloten, zoals de val van het kabinet-Rutte twee weken geleden gevoeglijk mag illustreren. Een woedende menigte toog de avond van de moord nog naar het Binnenhof om uiting te geven aan haar ongenoegen over de bestuurlijke kaste en om het paarse kabinet te verwensen voor zijn medeplichtigheid aan een politieke moord op een tegenstander die het met democratische middelen niet de baas kon. De parlementsverkiezingen die voor negen dagen later op de agenda stonden, werden niet uitgesteld. Wel namen alle partijen uit piëteit jegens het slachtoffer een week campagnestilte in acht.

De verkiezingen brachten een klinkende overwinning voor de eponiemische partij van Fortuyn: de Lijst Pim Fortuyn (lpf). Met 26 zetels uit het niets was het de grootste nieuwkomer in het Nederlandse parlement ooit. Al even spectaculair was de daaropvolgende zelfontbranding van de partij: van 22 naar nul in zes jaar. Na in november 2006 uit de Tweede Kamer te zijn verdwenen, volgde in juni 2007 het verlies van de laatste zetel in de Eerste Kamer, en in januari 2008 de opheffing van de lpf.

De erfenis van de ‘goddelijke kale’, zoals Theo van Gogh Fortuyn aanduidde, is altijd omstreden gebleven. Was zijn flamboyante verschijning op het politieke toneel, zijn thematisering van de gevaren van het islamisme en zijn gewelddadige moord een revolutionair moment in de Nederlandse politieke geschiedenis geweest? Of was het niet meer dan een rimpeling in een lange geschiedenis van populistische buitenbeentjes die altijd al de Nederlandse politiek hebben opgevrolijkt met hun excentrieke, non-conformistische politieke stijl? In de eerste jaren na zijn moord waren dit politiek en emotioneel zwaarbeladen thema’s. Wie voor het ene dan wel het andere perspectief op het fenomeen Fortuyn koos, plaatste zich daarmee onherroepelijk in ofwel het kamp van de fortuynisten ofwel dat van de gevestigde politieke elite, het kamp van de oude of dat van de nieuwe politiek, het kamp van de rancuneuzen of dat van de ‘linkschmenschen’ – zoals het in de post-Fortuyn-jaren op internet steeds vaker ging heten.

Tien jaar later, zo mogen we hopen, is een meer bezonnen oordeel mogelijk. Met meer distantie zou het oordeel bijna vanzelfsprekend mildere maar ook complexere tinten moeten kunnen krijgen en wordt het om die reden interessanter om de politieke gebeurtenissen uit 2002 in het licht van de sindsdien verstreken tijd opnieuw te bezien. Om die reden heeft Beleid en Maatschappij – een Nederlandstalig academisch tijdschrift op het grensvlak van bestuurskunde, sociologie en politicologie – medio 2011 vijftien politieke ‘junkies’, afkomstig uit wetenschap, pers en politiek en (belangrijker nog) uit alle prominente politieke wind­streken, verzocht kort maar krachtig hun visie op de betekenis van opkomst, gedachtegoed, persoon en verscheiden van Fortuyn op papier te zetten.

Wij beseffen terdege dat vijftien persoonlijke reflecties geen representatieve survey opleveren en dus op geen enkele manier voldoen aan de methodische regels van dat spel. Toch menen wij uit hun bijdragen een aantal conclusies te mogen trekken die illustratief zijn voor de latente controverse die de figuur Pim Fortuyn en de politieke erfenis die hij heeft nagelaten nog altijd omgeven. Want vijf kabinetten in tien jaar tijd – ‘Italiaanse toestanden’, zoals dat in Nederland heet – leren dat er sinds Fortuyn wel degelijk het nodige is veranderd in het Nederlandse politieke bestel. Veranderingen bovendien die nog altijd sterk verschillend worden beoordeeld. Voor de een is het instabiele politieke landschap simpelweg de prijs van de grotere responsiviteit van ons democratische bestel. Voor de ander tekent het de teloorgang van het Huis van Thorbecke. En hoe het oordeel ook luiden mag, in de argumentatieve weg erheen is de naam van Fortuyn nooit ver weg.

Ook onze ‘junkies’ verschillen van mening over de erfenis van Fortuyn. Maar meer nog dan de verschillen – waarover zo dadelijk meer – springen de overeenkomsten in het oog. De meest opmerkelijke is dat vrijwel iedereen een beleefde, om niet te zeggen gewijde, stilte in acht neemt als het om de fortuynistische erfenis gaat. Fortuyn wordt een neotraditionalist genoemd (Gijs van Oenen), een liberaal-individualistische narcist (Dick Pels), de grote sloper van de paarse consensus (Arjen Vliegenthart, Patrick van Schie, René Cuperus), een provocateur (Pieter Jan Dijkman) en zelfs een (over)moedige Icarus (Hans Boutellier). Maar deze kwalificaties moeten eigenlijk als compliment worden opgevat, zo blijkt uit de context.

Pieter Jan Dijkman van het Wetenschappelijk Instituut voor het cda trekt een bewonderende lijn van Den Uyl naar Fortuyn en zet beiden neer als kinderen van het modernisme. René Cuperus van de sociaal-­democratische Wiardi Beckman Stichting gaat nog verder en gebruikt Fortuyn om een j’accuse te lanceren richting zijn eigen partij over het te lang veronachtzamen van het ongenoegen van de gewone man over migratie en multiculturaliteit. Ook Frank van Mil van het Wetenschappelijk Bureau van d66 eigent zich respectvol de erfenis van Fortuyn toe, door deze te plaatsen in de direct-democratische traditie die d66 zegt te vertegenwoordigen en door Fortuyn de eer te geven een verstikkende deken van politieke correctheid te hebben weggetrokken. Terwijl Dick Pels, directeur van het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks, tot zijn leedwezen moet constateren dat de progressieve partijen (waar­onder zijn eigen) tien jaar na dato nog altijd het antwoord schuldig zijn op die wonderlijke ideeënmix van conservatisme, liberalisme en populistisch nationalisme die Fortuyn in het Nederlandse politieke landschap heeft ingebracht: ‘Aan de linkerkant van het politieke spectrum heeft men op deze massieve ideologische uitdaging ook na tien jaar nog geen zelfbewust antwoord gevonden. De politieke energie zit nog steeds vooral op rechts, en van een vergelijkbare ideologische en institutionele herverkaveling is op links nog weinig te merken.’

Niemand velt een expliciet negatief oordeel, of doet dat hoogstens omfloerst. Terwijl er – zo weten we inmiddels – wel degelijk gevaren kleven aan het mobiliseren van een amorfe maatschappelijke onvrede met behulp van polariserende ‘frames’: het is maar al te vaak een zichzelf waarmakende profetie gebleken, in de zin dat al te agressief anti-islamisme zijn eigen islamitisch fundamentalisme baart. Tien jaar na Fortuyn is dat een strategie met eindeloze mutaties geworden, al naar gelang uw favoriete haatobject: islamisten, Oost-Europeanen, Polen, Limburgers, babyboomers, bankiers, de linksmensch. Inmiddels zijn verscheidene generaties politici, columnisten, journalisten en commentatoren met het giftige discours van al dan niet arbitraire tegenstellingen opgegroeid en zijn hele websites (GeenStijl), omroepen (PowNed) en talkshows (#penw, #dwdd) ermee besmet geraakt. Waar ‘de Tegenpartij’ – politicoloog Meindert Fennema maakt deze vergelijking – nog hilarisch was, bleek Janmaat een jaar later ‘een reuze onprettige man’. En waar Fortuyn tenminste de dialoog en de confrontatie zocht (kijk alleen al naar dat fameuze lijststrekkersdebat na de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2002 en de uitwisselingen over wie wanneer met Fortuyn in debat zou gaan), sluit Wilders zich af voor iedere inhoudelijke uiteenzetting – op wat tweets na – en volhardt hij in een compromisloze identiteitspolitiek die het vreemde op ethische en esthetische gronden afwijst.

Dit roept de vraag op waarom onze politieke ‘junkies’ zo weinig aandacht besteden aan de verschillen en overeenkomsten tussen de twee populisten die begin en eind van het eerste postfortuynistische decennium zo opzichtig hebben gemarkeerd. Waarom draaien zij, met andere woorden, zo om de hete brij heen? En wie de stroom aan herdenkingsuitzendingen, kranten- en tijdschriftartikelen en boeken een beetje heeft gevolgd, weet dat die ongemakkelijkheid breder leeft.

Het antwoord is niet evident. Is het uit zelfkastijding om de eigen, eerdere standpunten, zoals volgens Cuperus bij de pvda het geval is? Is het vanwege een welgemeende zorg om het ondergerepresenteerde ongenoegen dat met Fortuyn maar mooi een stem heeft gekregen, zoals Patrick van Schie van de vvd en Arjan Vliegenthart van de sp om verschillende redenen menen? Of is het vanwege een veranderde/veranderende tijdgeest, waardoor we allemaal – ongewild en ongemerkt – kleine fortuynisten zijn geworden? En plaats je je met de botte kritiek op Fortuyn die tijdens zijn politieke leven bon ton was tien jaar na dato simpelweg buiten de gerespecteerde orde? Omdat het onkies is harde oordelen te vellen op dit eerste politieke slachtoffer sinds Willem de Zwijger, onder het welbekende motto ‘Over de doden niets dan goed’? Of omdat de politieke mores in tien jaar tijd ongemerkt zo zijn opgeschoven dat zo ongeveer iedereen Fortuyn heeft omarmd, zelfs zijn grootste vijanden van destijds?

In de eerste twee gevallen is de opmerkelijke mildheid van het oordeel over Fortuyn een impliciete erkenning van zijn gelijk: er heeft inderdaad een tsunami van niet-westerse migranten plaatsgevonden die de geboren Nederlander heeft vervreemd van zijn geboorteplek, en de midden­partijen hebben dat probleem inderdaad jarenlang gebagatelliseerd – verdwaasd als zij waren door de dwaalleer van het multiculturalisme. Dit is inderdaad een veelgehoorde redenering, in verschillende varianten. Zo roemt Van Schie Fortuyns antiregenteske politieke stijl, zingt Van Mil de lof op Fortuyns democratische aandriften, brengen Vliegenthart en Van der Meer de frisse politisering die Fortuyn in die technocratische paarse jaren bracht in herinnering, en prijst Paul Frissen zijn anti-elitarisme. Het meest geprononceerd is deze redenering te vinden bij René Cuperus, prominent lid van een partij die de populistische aanvallen van Fortuyn het meest aan den lijve heeft ervaren, de pvda, die welhaast wellustig de fortuynistische gifbeker tot de laatste bittere druppel leegdrinkt.

Maar ook de andere verklaringen snijden hout: Fortuyn, zijn standpunten over migratie en integratie, zijn afkeer van new managerialism en de schaalvergroting in de publieke sector, zijn kritiek op Paars en technocratie, en zijn flamboyante politieke stijl – van Daimler, hondjes en maatpakken van Ermenegildo Zegna tot aan zijn boeken en zijn ‘at your service’ – zijn in de personendemocratie van vandaag steeds normaler geworden. Na de moord op Van Gogh durft niemand meer het islam­fundamentalisme in eigen land te bagatelliseren. En na Vestia en Amarantis heeft de ondernemende overheid nauwelijks vrienden meer, ook al is dat (helaas) nog altijd meer in woord dan in daad. Terwijl het tragische lijsttrekkerschap van Cohen is gestrand op een te grote onbeholpenheid in het tv-debat (‘te fatsoenlijk voor de slangenkuil van de politiek’, heette het bij zijn vertrek) en ook zijn opvolgingsstrijd – hoezeer voorzitter Spekman de aloude partijdemocratie ook wil herstellen – toch vooral is beslecht bij het #penw van Twitter-koning Jaap Jansen en het #dwdd van producente Dieuwke Wynia.

Of is zo’n inhoudelijke vraag de verkeerde? Helaas valt ook daar iets voor te zeggen: een oordeel over vent en inhoud tussen haakjes plaatsend, kun je nog heel goed de vorm en de woorden, of in de termen van Pels: het lichaam van Fortuyn, beoordelen. De polemiek van populisten is vaak ietwat ruw in de oren van de politieke elite (‘waar is het fatsoen?’ heet het dan), en is ook uitdrukkelijk zo bedoeld. De populistische taal moet slopen (de ‘paarse consensus’, de ‘technocratie’, de ‘politieke elite’, de ‘linkse kerk’, ‘politieke correctheid’), door te provoceren, te polari­seren, liefst door zich grof en politiek incorrect uit te laten, zodat je – zoals met straattaal het geval is – de ‘onbeschaafden’ op je hand krijgt en de ‘beschaafden’ op de kast jaagt. De onderliggende suggestie is dat het politieke establishment hoe dan ook verrot en hypocriet is en boertigheid dus eerlijk is. Het vermeende fatsoen van de mooie praatjes slakende politieke elite onttrekt slechts cynische zelfverrijking aan het zicht. Zie Vestia, Amarantis, de commissariaten en de auto’s met chauffeur. De strijd van de populisten is een strijd om het karakter, in de betekenis van Hannah Arendt: het publieke masker van de politicus die als toneelkarakter acteert in een politiek theater. Wie wint en wie verliest? Wie belichaamt de tijdgeest en wie is hopeloos ouderwets? Wie verwoordt het ongenoegen en wie gaat daar hooghartig (elitair) aan voorbij? Wie steelt de lach of de instemmende hoofdknik, en wie is een kluns?

Het gaat de populist niet om deliberatie, gedachtenwisseling, waarheidsvinding of consensus, maar om winst in een verbaal straatgevecht waarin alles is geoorloofd en waarin waarheid ondergeschikt is aan het performatieve effect. Daarom maakte Melkerts beroep op paarse ‘feiten’ in dat roemruchte verkiezingsdebat van maart 2002 zo’n machteloze indruk: jouw ‘feiten’ zijn de mijne niet! Het is de populist niet te doen om consensus of compromis, noch om zoeken of uitproberen. Draagvlak, waarheid en coalitievorming zijn niet interessant. Doel is het winnen van het politieke gevecht, niets meer en niets minder. Niet om een bepaald perspectief ingang te doen vinden, maar om het winnen zelf, afgemeten aan het aantal ‘likes’ op Facebook, retweets en volgers op Twitter (Wilders had er 182.422 op 25 april), bijval in de krochten van het internet en, uiteindelijk, virtuele zetels in de peilingen en echte in het parlement.

Waar de oude politicus meent horig of schatplichtig te zijn aan het taalspel van de waarheid, daar weet de nieuwe populist dat alleen het effectbejag telt: drie oneliners bij #penw of #dwdd hebben meer effect dan welk doorwrocht stuk in NRC Handelsblad of de Volkskrant ook, laat staan in het oubollige Socialisme & Democratie of Christen Democratische Verkenningen – ongeacht hun waarheidsgehalte. De riposte die door een camera is gevangen is bepalender voor het imago van de politicus dan welke episode van achterkamerlijk crisismanagement ook, zoals pvda en cda tot hun schrik ervoeren tijdens de Kamerverkiezingen van 2010 toen zij door de kiezer niet beloond werden voor het beheersen van de bancaire crisis.

Wij lijken deze tamelijk recente transformatie van het politieke spel tot op zekere hoogte als fait accompli te accepteren en zelfs als bevrijding uit technocratische/corporatistische kluisters te vieren. Opvallend is de mate waarin de analyses die Fortuyn maakte van de samenleving gemeengoed zijn geworden en zijn narratieven (‘paarse puinhopen’, ‘verweesde samenleving’), frames en stijl zijn overgenomen. Continuïteiten tussen Fortuyn en Wilders worden niet benoemd of uitgewerkt, of als weinig relevant gezien, en de kritiek op de gevestigde partijen is onverminderd sterk – zelfs bij Van Schie van de vvd en Dijkman van het cda: toch echt gevestigde middenpartijen! De beschuldiging dat de middenpartijen nog veel te leren hebben van Fortuyn komt opvallend vaak voorbij: bij Cuperus als het gaat om de inhoud, bij Frissen als het gaat om de stijl, en bij Vliegenthart en Dijkman als het gaat om de politieke passie.

Tegelijk worden de ervaring met en de erfenis van Fortuyn zelden in een breder, internationaal perspectief geplaatst. Terwijl de opkomst van het populisme, het verval van de massapartij, de opkomst van de personendemocratie, de fragmentatie van het medialandschap en de erosie van oude bronnen van gezag en autoriteit (wetenschap, rechterlijke macht, intellectuelen, notabelen) toch echt breed gedeelde ontwikkelingen zijn, die zich in alle oude, gevestigde democratieën voordoen. Niet voor niets is het concept van de personendemocratie ontleend aan werk van de Franse politicoloog Bernard Manin. Fortuyn wordt echter in vrijwel alle beschouwingen als een uniek Nederlands fenomeen gezien. Fortuyn is van ons. Typisch Nederlands. Onze dandy. En dus onvergelijkbaar met populisten eerder en elders.

Het oordeel over de erfenis van Fortuyn blijkt ook sterk afhankelijk van de waardering voor Paars. Is het neoliberalisme van Paars – ‘Marktwerking, Deregulering, Wetskwaliteit’ zoals het in Paars I onder Wijers heette – eerst en vooral een noodzakelijke bevrijding uit corporatistische kluisters geweest, ons Thatcher-moment? Of is het paarse neoliberalisme vooral de oorzaak geweest van doorgeschoten marktwerking, staart­bijtende liberalisering en de transformatie van de publieke sector in een arena van zelfverrijking voor Rode, Blauwe en Groene Polderbaronnen?

Wie Paars vooral als voertuig van neoliberalisering ziet, neigt ertoe om Fortuyn met zijn kritiek op paarse puinhopen als een van de eerste serieuze criticasters van de ondernemende overheid te zien en zichzelf en het eigen politieke programma als staand op de schouders van deze kale ‘reus’ te beschouwen. Het siert sp-senator Vliegenthart dat hij Fortuyn onomwonden als een van de erflaters van het electorale succes van de sp beschrijft en als instrumenteel voor zijn eigen politiek ontwaken: ‘Voor mij persoonlijk waren de opkomst van Fortuyn en de woelige politieke ontwikkelingen kort na zijn dood reden om actief lid van de sp te worden. De politisering die Fortuyn teweegbracht, raakte ook mij.’

Voor de tweede positie zijn opmerkelijk minder medestanders te vinden. Omdat Paars in het huidige politieke tijdsgewricht weinig vrienden heeft, is er onder opiniemakers vrijwel niemand te vinden die Fortuyns paarse karikatuur weerlegt en Paars tegen de erfenis van Fortuyn in bescherming neemt. Hoezo paarse puinhopen? De laagste werkloosheid, de hoogste economische groei, de laagste inflatie van decennia. Dijkstal probeerde het in dat fameuze lijsttrekkersdebat van maart 2002 tegen beter weten in. En sindsdien heeft niemand zich opgeworpen om de paarse erfenis op te eisen. Voorgoed vergiftigd door de sardonische lach van Fortuyn en de nurkse lichaamstaal van Melkert.

De onvermijdelijke conclusie dringt zich op dat anno 2012 Fortuyn geen vijanden meer lijkt te kennen, geen Melkert of Dijkstal, geen Rosenmöller of De Graaf om tegen te strijden. Zijn stijl en gedachtegoed zijn gladstreken en gepolijst en vervolgens stilletjes, vaak zonder bronvermelding, gemeengoed geworden – als was het ‘gezonken cultuurgoed’. Ironisch genoeg, relnicht die hij was, zou hemzelf dat waarschijnlijk weinig hebben kunnen bekoren. Fortuyn was immers vooral acteur, provocateur en polemist. Maar ook was hij, zoals Dick Pels in zijn onovertroffen De geest van Pim uit 2003 omstandig duidelijk maakte, het vleesgeworden intellectuele opportunisme: marxist onder de marxisten, neo-marxist onder de neo-marxisten, sociaal-democraat onder de sociaal-democraten en nationalistische populist onder de populisten. En daarmee een vat vol tegenstrijdigheden, een bron van inconsistenties en ambiguïteiten.

Neem zijn kritiek op het paarse new managerialism in de publieke sector: de managersziekte in school, ziekenhuis en verzorgtehuis die onder Paars een aanvang nam. In de tv-serie Edwin zoekt Fortuyn die dit voorjaar werd uitgezonden, merkt Arendo Joustra, hoofdredacteur van Elsevier, die Fortuyn ooit een columnistenplek heeft aangeboden en daarmee aan de wieg heeft gestaan van zijn politieke succes, fijntjes op dat hij dat deed omdat Fortuyn met zijn werk bij de Informatie Beheer Groep (de organisatie die verantwoordelijk was voor de uitbetaling van de studiefinanciering) als expert gold over hoe je publieke dienstverlening op bedrijfsmatige leest schoeit. Huh? Fortuyn was toch de grote criticaster van de bedrijfsmatige overheid en de pleitbezorger van schaalverkleining en professionele autonomie? Niemand is in deze herdenkingsmaanden gestruikeld over de uitspraak van Fortuyn, gedaan in dat lijsttrekkers­debat van maart 2002, dat er geen cent extra naar de publieke sector moest. Wij parafraseren: ‘Lessen uit het bedrijfs­leven leren dat drastisch saneren alleen lukt als er geen cent extra bij komt; voor hetzelfde bedrag een beter product leveren – zo werkt het in het bedrijfsleven ook.’ Oftewel, Fortuyns visie op de hervorming van de publieke dienstverlening bestond niet (of niet alleen) uit kleinschaligheid, de menselijke maat en alle ruimte voor de professional, zoals het nu heet, maar (ook) uit bedrijfsmatige aansturing: ‘Voor hetzelfde geld een beter product.’ En dit verzinnen we niet.

Veel waardering is er de laatste jaren voor Fortuyns moed, zijn niet-aflatende pogingen om het onbespreekbare bespreekbaar te maken, de woordenlozen woorden te geven, de stemlozen stem te geven. En dat kun je inderdaad alleen maar toejuichen. Dat is waar emancipatie over gaat en waar democratie ooit voor in het leven is geroepen! Maar van een afstand, aanhikkend tegen de grootste crisis sinds de jaren dertig, moet je toch ook constateren dat het postfortuynistische decennium tevens het decennium is geweest waarin de politieke kaste zich heeft verloren in een eindeloze reeks spoeddebatten, geleerde nota’s, felle tv-discussies en ontelbare uren voxpop over immigratie en integratie, uitmondend in het grootste experiment in micromanagement van afgedwongen thuisvoelen dat de wereld ooit heeft gekend. Nu zou dat allemaal nog tot daar aan toe zijn als niet tegelijkertijd – ongezien, onderhuids, in het geniep, in de politieke schaduw, in de sociale stilte – bankiers met ingewikkelde financiële technieken (securitisatie of het verpakken en transformeren van huis-tuin-en-keukenleningen in chique obligaties) in Nederland en daarbuiten een gigantische vastgoedzeepbel hadden opgeblazen, die vooral henzelf ten goede kwam en de rest van de wereld opzadelde met de brokstukken toen de bel eenmaal ‘poef!’ zei.

En daarmee raken wij aan wat meer in het algemeen een zwakke stee is in het Nederlandse populisme dat sinds Fortuyn het Nederlandse politieke driestromenland is gaan verrijken, zoals Dick Pels het noemt. Waar het het Nederlandse populisme ook na de grootste economische crisis sinds de jaren dertig namelijk nog altijd aan ontbreekt, is een geprononceerde politieke stellingname over onze economische en financiële ordening. Zoals het vroeg-twintigste-eeuwse Amerikaanse populisme van de Knights of Labour een uitgewerkt politiek programma had weten te smeden uit afkeer van big government, big business en big finance, daar blinkt het 21ste-eeuwse Nederlandse populisme uit in economisch stilzwijgen. Alleen over de kosten en baten van de euro heeft men een standpunt: terug die gulden! Of de weigering van Wilders om zijn handtekening te zetten onder het Catshuis-akkoord zou als de eerste stap naar een volwassen keynesiaans begrotingsbeleid aan de kant van de pvv moeten worden gezien.

Door de oogharen naar de recente geschiedenis kijkend, is het lastig om de conclusie te ontlopen dat economie welbeschouwd belangrijker is voor het individuele welbevinden dan cultuur, dat Bazel 3 en derivaten crucialer zijn dan hoofddoekjes en koran, dat financiële regulering meer impact heeft dan burgerschapscursussen en buurtbarbecues. Oftewel, de erfenis van Fortuyn is van de weeromstuit ook de funeste en nefaste depolitisering van de banken geweest. En daarmee zijn de financiële puin­hopen van vandaag weliswaar eerst en vooral die van Groenink en Wellink, maar toch ook een klein beetje – als sins of omission, zoals de Britten zo mooi zeggen – die van Pim.


De verweesde erfenis

Dit essay is gebaseerd op het themanummer ‘De verweesde erfenis van ­Fortuyn’ van Beleid en Maatschappij dat zondagavond 6 mei om 20.00 uur in De Balie in Amsterdam wordt gepresenteerd. Met, onder anderen, Marco ­Pastors, Ewald Engelen, Arendo Joustra, Sarah de Lange, Dick Pels, Hero ­Brinkman en Tineke Netelenbos.

Zie voor programma en verdere informatie www.debalie.nl