Boekenweek

Fortuyn versus Melkert

Anna Enquist

De ijsdragers

Marek van der Jagt

Monogaam

Uitgaven van de stichting cpnb ter gelegenheid van de Boekenweek 2002

Anna Enquist vervolmaakt haar eigen poëtica steeds verder, zo blijkt uit de novelle die zij ter gelegenheid van de Boekenweek schreef. Een poëtica die zij dit keer zelfs min of meer expliciteert bij monde van haar vrouwelijke hoofdpersonage. Als deze Loes overdenkt dat zij ooit in leesclubverband een schrijver moest lezen die er prat op ging «de taal te willen ontregelen», wordt ze met terugwerkende kracht woedend. «De arrogantie van zo’n auteur, de megalomane uitzinnigheid van zo’n doelstelling, het gebrek aan inzicht in wat mensen overeind hield dat uit zo’n zinsnede sprak! Hoe durfde hij! En de uitgever drukte het trots af, als aanbeveling voor de lezer, die het in zijn snobisme waarschijnlijk nog bijster interessant vond ook. De taal ont regelen. Je kon toch pas iets ontregelen als je de regels onder de knie had, als je erboven stond, als je op een enkel moment het totaal kon overzien.»

Enquist heeft de regels onder de knie, wordt eens en te meer duidelijk in De ijsdragers. Haar tweede roman Het geheim (1997) was in vergelijking met haar debuutroman Het meesterstuk (1994) al veel soepeler geschreven, en minder wijdlopig en opzichtig geconstrueerd. Enquist is niet uit op experimenteren, maar op het componeren van klassieke drama’s die het moeten hebben van hun gewoonheid. Dit stelt allereerst hoge eisen aan haar schrijfstijl die niet mag wrikken of wringen maar helder en ondubbelzinnig moet zijn als in een Libelle-verhaal. Daarnaast moet zij van haar romanpersonages mensen van vlees en bloed maken, met hun eigen geschiedenis, obsessies en drijfveren, zodat lezers zich een voorstelling kunnen maken van die figuren en zich met hen kunnen identificeren. In die psychologische aankleding is Enquist erg bedreven, wat misschien niet zo gek is voor een schrijfster die in haar andere leven psychotherapeut is. Met behulp van een luttele hoeveelheid scènes, inzoomend op details als het prepareren van een salade of het omploegen van een tuin, is Enquist in staat een heel leven geloofwaardig en levendig voor te stellen. Weinigen in Nederland evenaren haar vakvrouwschap. Des te gekker misschien dat naarmate haar poëtica zich vervolmaakt, het werk minder indruk maakt. De ijsdragers behelst één bonk bevroren huwelijksellende dat keurig afwisselend wordt belicht vanuit de vrouw en de man. Er is niets wat hen nog kan redden, denkt de lezer, en in die verwachting wordt hij niet die verwachting wordt hij niet teleurgesteld. In haar eerbiediging van «de regels» biedt Enquist haar lezers datgene waarnaar haar personages zo wanhopig op zoek zijn: houvast.

Een stuk minder grijpbaar is het schrijverschap van Marek van der Jagt, al wordt die zogenaamde mystificatie rond zijn ware identiteit zo langzamerhand oervervelend. Wel of niet Grunberg, niemand zal van die vraag wakker liggen, behalve misschien zijn uitgever. Wie zich niet als persoon kenbaar wil maken, kan een voorbeeld nemen aan schrijfsters als Frida Vogels en Marie Kessels, en zich gewoon op de vlakte houden in plaats van almaar opzichtig onzichtbaar willen zijn. Maar nee, bij dit boekenweekgeschenk moest weer een brief mee via het CPNB: «Ik meen dat een weldenkend mens niet meer is gelaten dan het spel. Buiten mijn werk is de enige rol die ik kan en wil vervullen, die van een bode die een brief komt opbrengen. Al zult u nooit meer van mij zien dan een gehandschoende hand, het dienblad en de brief.» Je hóórt Grunberg die woorden met smakelijke voldoening uitspreken, en datzelfde geldt voor de zinnen in Van der Jagts essay Monogaam. De titel is briljant, en wat daarna komt ligt in de schittering daarvan. Zijn aforistische beschouwingen over de liefde, met veel verwijzingen naar Over de liefde van Stendhal en de film De man die van vrouwen hield van Truffaut, zijn ingebed in een relaas dat het midden houdt tussen een verhaal, een bekentenis en een opstel. Het tentoongespreide narcisme («Toen ik aan mijn onderzoek naar de ware aard van Marek van der Jagt begon, besloot ik mijn verlangens en gedragingen zo min mogelijk te verklaren.») is even irritant als geestig.

Van der Jagt formuleert voortdurend zijn eigen regels en overtreedt die dan ook weer. Passages als deze dienen ter onmiddellijke consumptie, maar kunnen omdat ze niet te onthouden zijn, daarna oneindig worden gerecycled: «Voor mijn ogen viel de mens steeds weer uiteen. Een beetje genot, een bepaalde hoeveelheid intimiteit, een handjevol illusies die bekostigd kunnen worden door een greep te doen in het huishoudpotje van de sociologe, en waar eens de beminde zat, zit een noodgeval. Het bed wordt een operatietafel, de stoel een divan, het hotel de eerste hulp.»

«Zo voelde het om te vallen. Zo voelde het bedrog. In je eigen fictie kun je heersen, maar in de fictie die een ander voor je bouwt ben je altijd een gevangene, een slaaf, een pion waarmee wordt geschoven, een werktuig.»

En, tot slot:

«Wat is echt, eeuwig en werkelijk?»

Waar Enquist in haar werk vol humanitair mededogen bezig is haar personages en haar lezers een antwoord op die vraag voor te spiegelen, opdat zij «overeind» blijven, volstaat Van der Jagt met het stellen van de vraag, even fris als cynisch. Van der Jagt onderzoekt de werkelijkheid door die met zijn eigen middelen te lijf te gaan, Enquist door erin ten onder te gaan. In het resultaat van hun beider streven weerspiegelt zich het drama van wat lef vermag versus ijver, brille versus braafheid, Fortuyn versus Melkert: Monogaam fonkelt, De ijsdragers is flets. Inzake literatuur kan het spel niet vuil genoeg worden gespeeld.