Debat Fortuyn: extremist of clown?

«Fortuyn was niet meer dan een hofnar» «Onzin!»

Socioloog Dick Pels vergelijkt in zijn nieuwe boek het gedachtegoed van Pim Fortuyn met het fascisme. Zijn opvattingen over het fenomeen Fortuyn staan diametraal tegenover die van een andere vooraanstaande socioloog, Bart Tromp. Een debat tussen twee heren over een andere heer.

Dit wordt een merkwaardig gesprek. Twee sociologen, bekende intellectuelen die veel over politiek hebben geschreven, praten over een socioloog die als intellectueel beslist hun mindere was, maar die op spectaculaire wijze politiek ging bedrijven. In hun waardering voor deze voormalige vakbroeder staan Bart Tromp en Dick Pels diametraal tegenover elkaar.

In februari 2002 beschreef Tromp Pim Fortuyn als «een man die niets in maatschappij en politiek betekent behalve de grote mond die hij opzet (…) een over het paard getilde narcist».

Twee dagen na de moord op Fortuyn stelde Tromp dat de luidkeels betreurde aanvoerder van de LPF een «schreeuwlelijk» en «politieke avonturier» was geweest. Volgens Tromp was Fortuyn er trots op geweest «dat hij nergens echt iets van wist en zijn boeken en columns vormen daarvan een blijvend bewijsstuk».

Dick Pels vindt deze houding «arrogant» en is van mening dat de wijze waarop Bart Tromp, en vele intellectuelen met hem, op Fortuyn reageerde, leek op de wijze waarop lange tijd het fascisme is verketterd en gedemoniseerd. In het deze week verschijnende boek De geest van Pim vergelijkt Pels het gedachtegoed van Pim Fortuyn inderdaad met het fascisme, maar op een andere wijze dan gebruikelijk.

Al meer dan twintig jaar behoort Pels tot een groep auteurs die in het fascisme voor alles een «derde weg» tussen liberalisme en socialisme zien. Zij beschouwen het als een vorm van verzet tegen het materialisme dat zo kernmerkend is voor deze twee ideologieën, en als een extreme consequentie van het streven naar volledige democratisering van de samenleving.

Een van de denkers die dergelijke opvattingen verkondigden was Jacques de Kadt. Tien jaar geleden schreef Pels over hem het boek Het democratisch verschil: Jacques de Kadt en de nieuwe elite. Net zo min als Hendrik de Man, Georges Sorel en Benito Mussolini was Jacques de Kadt te vangen in het klassieke links-rechts-schema. Allen bevonden zij zich in een merkwaardig overgangsgebied, waarin zowel linkse als rechtse ideeën opgeld deden, maar dat ook weer niet als het politieke midden kan worden aangeduid, omdat er een duidelijk radicale mentaliteit heerste. In zijn nieuwste boek plaatst Pels Fortuyn in deze traditie. Bovendien maakte Pim Fortuyn op briljante wijze gebruik van de mogelijkheden die de moderne massamedia bieden, en kon hij zich ontwikkelen tot een «SBS6-versie van de vooroorlogse, radicale Jacques de Kadt». Pels wil Fortuyn serieus nemen, en zet zich in niet mis te verstane bewoordingen af tegen Bart Tromp.

Het voornaamste verwijt van Pels aan het adres van Tromp is dat hij blijft vasthouden aan de links-rechts-tegenstelling als enige tegenstelling die er in de politiek toe doet, waardoor hij niet in staat is een fenomeen als Fortuyn op waarde te schatten. Pels bepleit de toepassing van het zogenaamde «hoefijzermodel», een schematische voorstelling van politieke standpunten waarin niet alleen wordt gekeken naar de politieke denkbeelden van een persoon, maar ook naar diens temperament.

Dick Pels: «Het traditionele vleugelmodel bestaat uit een horizontale lijn, met een linker- en een rechterpool. In het midden bevindt zich dan het politieke midden. Extreem links en extreem rechts staan dus op maximale afstand van elkaar. In deze traditionele visie gaat het vooral om politieke denkbeelden. In mijn model is een extra dimensie toegevoegd, waarin de emoties, de ‹onderbuikgevoelens› een plaats krijgen. Terwijl op de horizontale as, die van links naar rechts loopt, de denkbeelden staan, geeft de verticale as het politieke temperament aan. Bovenaan op die lijn staat pure behoudzucht, onderaan het verlangen naar een totale omwenteling. Daar bevinden zich dus de mensen met het revolutionaire temperament, waarbij het verschil tussen extreem linkse en extreem rechtse opvattingen niet zo heel groot is. Dit is de ‹politieke bohème›.

Fortuyn was van links naar rechts verhuisd, en alleen tijdelijk was hij iets gematigder geworden. Hij was een tijdje sociaal-democraat maar tegelijkertijd werd hij door zijn revolutionaire temperament naar beneden getrokken. Hij zou altijd blijven beweren dat de crisis nabij was, dat het vijf voor twaalf was. Dat had met zijn karakter te maken, niet met een sociologische analyse. Als je geen rekening houdt met deze temperamentverschillen, dan zul je nooit in staat zijn te begrijpen waar het populisme thuishoort. Op dat oude links-rechts-model kun je dergelijke standpunten nooit plaatsen.»

Bart Tromp: «Maar ik beweer helemaal niet dat alleen de oude links-rechts-tegenstelling van belang is. Maar ik houd wél vol dat er altijd één tegenstelling dominant is. En dat is niet zo omdat ik dat nu toevallig vind, maar omdat de burgers zichzelf in die tegenstelling plaatsen. Meestal is dat tegenwoordig de links-rechts-tegenstelling, en is het een kwestie van sociaal-economische ongelijkheid. Dat hoeft niet. Het kan ook een religieuze scheidslijn zijn, of het populistische sentiment van de kloof tussen het ‹gewone› volk en ‹zij daarboven›. De populistische tegenstelling speelt altijd wel een rol, maar het gaat erom of ze allesoverheersend is.

Die tegenstelling speelt dwars door de links-rechts-tegenstelling heen. Neem ‹de mensen in het land› van Wiegel, terwijl ook Marijnissen inspeelt op populistische sentimenten. Maar het is niet de overheersende identiteit. Mijn these is, en die heb ik al vér voor de opkomst van Fortuyn verwoord, dat Paars een heldere politieke tegenstelling tussen links en rechts volstrekt uit de weg geruimd heeft en hiermee de deur open heeft gezet voor andere ontwikkelingen. Het was een kwestie van tijd eer een politieke ondernemer de populistische tegenstelling wist te exploiteren en de mensen hierop wist te mobiliseren.»

Pels: «Dat is wel een heel waardenvrije analyse. Maar uit jouw geschriften wordt duidelijk dat je die populistische tegenstelling wantrouwt. Je hebt geschreven over het populisme als een ‹beerput›, die je niet moet openen, over ‹kleine Napoleons› die dan naar boven komen.»

Tromp lacht en knikt instemmend bij het horen van deze citaten: «Ik wantrouw het populisme inderdaad, omdat het uiteindelijk politiek alle kanten uit kan gaan. Bovendien is het behept met allerlei complot- en samenzweringstheorieën die zeer negatief kunnen uitvallen voor de maatschappelijke verhoudingen.»

De onzekere, ontregelende factor die Tromp in het populisme onderkent, vormt in de ogen van Pels juist een belangrijke uitdaging. Terwijl Tromp sinds jaar en dag de pleitbezorger is van een politiek die wordt gedragen door beginselpartijen — en dus voortdurend kritiek uit op partijen die hun beginselen verkwanselen — is Pels van mening dat politieke partijen achterhaalde instituties zijn. In zijn boek breekt hij een lans voor een «personendemocratie», waarin politieke personen met behulp van de massamedia mensen mobiliseren voor hun ideeën, en waarin de representatieve democratie wordt uitgebreid door veel meer politieke functies rechtstreeks te kiezen.

Tromp ziet daar absoluut niets in: «Je beweegt je dan op een hellend vlak, in de richting van de reeds genoemde beerput. Dat is gewoon de logica van het populisme. Iemand als Fortuyn vertegenwoordigt het volk niet, hij denkt dat hij er de identificatie van is. Dat is het kenmerk van het totalitarisme, zoals je dat voor het eerst vindt bij Rousseau. Het is het idee dat er sprake dient te zijn van een homogene identiteit. Kijk, van die politieke bohème waar Fortuyn toe behoorde, is het meest volmaakte exemplaar natuurlijk Adolf Hitler. Ook hij zag zichzelf als de belichaming van het volk, ook hij maakte op geniale wijze gebruik van de massamedia, ook hij onttrok zich aan die oude links-rechts-tegenstelling en gebruikte alles wat in zijn kraam te pas kwam.»

Pels ontkent die overeenkomsten tussen Fortuyn en het fascisme niet. In zijn boek benadrukt hij ze zelfs. Hij weigert alleen om Fortuyn op grond hiervan op de vuilnisbelt der geschiedenis te gooien. Volgens hem bleek nergens uit dat Fortuyn tegen de democratie was, hij wilde het bestaande stelsel echter aanvullen met meer directe vormen van democratie.

Pels: «Barts gebruik van begrippen als ‹politiek› en ‹democratie› is door en door essentialistisch. Hij geeft bijvoorbeeld een bepaalde definitie van de essentie van democratie, en dat is dan de oude partijendemocratie zoals wij die kennen, en elke afwijking daarvan is anti democratisch. Zo maakt hij zich wel heel gemakkelijk van Fortuyn af. Hij is sowieso geneigd om ideeën die hem niet bevallen de status van ideeën te ontzeggen, en af te doen als ‹oprispingen› of ‹losse flodders›.»

Tromp: «Ik heb bij Fortuyn helemaal niets gevonden dat ook maar enigszins lijkt op een doordacht, onderbouwd idee over het functioneren van de democratie, over de mechanismen van de macht. Hij was van hetzelfde intellectuele kaliber als D66. Die partij roept ook al jaren hetzelfde, zonder na te denken over de consequenties en onbedoelde effecten van de gepropageerde ideetjes.»

Een van die ideeën is het rechtstreeks verkiezen van burgemeesters en van de minister- president. Pels is er voor, Fortuyn was dat ook, maar Tromp is er tegen. Tromp: «De voorstanders van dit stelsel denken dat dit de betrokkenheid van de burger bij de politiek aanzienlijk vergroot, terwijl de opkomst bij verkiezingen nergens zo laag is als in de Verenigde Staten, waar dit systeem bestaat. Bij tussen tijdse verkiezingen voor het Congres is het opkomstpercentage ongeveer dertig, bij presidentsverkiezingen iets meer dan vijftig. Je zou daar vrede mee kunnen hebben als de thuis blijvers sociologisch dezelfde structuur vertoonden als degenen die gaan stemmen. Maar dat is niet zo. In Amerika stemmen alleen de rijken nog. Bovendien kleven er nog twee fundamentele bezwaren aan dit stelsel. In de eerste plaats gaat geld een alles overheersende rol spelen. Omdat de kandidaten niet ondersteund worden door een partij moeten ze zelf hun hele campagne financieren. Die invloed van het grote geld zag je trouwens ook al bij Fortuyn, met die vastgoedjongens. Bovendien worden politici op deze manier extreem kwetsbaar. Als politicus moet je je met heel veel onderwerpen bezighouden, en als vertegenwoordiger van een partij word je afgerekend op het saldo van hetgeen je hebt bereikt. Ook als je een bepaald minderheidsstandpunt inneemt, word je vaak gehandhaafd omdat je op andere punten veel hebt bereikt. Je wordt dus beschermd door je partij. In Amerika is dat niet zo, daar word je keihard aangevallen door allerlei actiegroepen die het niet met jou eens zijn. Daardoor is het bijvoorbeeld niet mogelijk om in het Congres of de Senaat een kritisch standpunt ten opzichte van Israël in te nemen.»

Pels erkent dat de invloed van het grote geld een bedreiging vormt: «Daar moet je een politieke oplossing voor vinden. Nederland is Amerika niet. Ons systeem kent allerlei buffers en er valt best een financieringsmechanisme te bedenken waarbij het geld dat nu naar de partijen gaat aan personen wordt gegeven. En dat andere bezwaar van Bart, die extreme kwetsbaarheid, dat valt volgens mij wel mee. Je hebt inderdaad een verhoogd afbreukrisico, maar daar moet je tegen kunnen. Fortuyn beschouwde zichzelf als een publiek persoon, en publieke personen hadden volgens hem geen recht meer op privacy. Het ging om maximale herkenbaarheid, en die herkenbaarheid was niet alleen een kwestie van ideeën, maar ook van stijl.»

Hoewel Pels en Tromp het erover eens zijn dat de huidige vorm van representatieve democratie allesbehalve ideaal is, staan ze lijnrecht tegenover elkaar als het gaat om de remedie tegen de bestaande kwalen. Waar Tromp mogelijkheden ziet om binnen het kader van de partijendemocratie meer duidelijkheid te verkrijgen — door partijen te verplichten vooraf aan te geven met welke coalitiepartner ze willen regeren, en door te verbieden dat in het regeerakkoord zaken staan die in de verkiezingsprogramma’s niet zijn terug te vinden — wil Pels het gehele bestel vernieuwen. Tromp heeft koudwatervrees, zegt hij, voor het utopische element dat bij Fortuyn aanwezig was. Hij is bang voor het experiment.

Tromp: «Ik ben niet tegen experimenten, maar het lijkt mij niet zinvol er één uit te voeren om vast te stellen dat mensen niet met klompen over water kunnen lopen. De nadelen van wat Dick bepleit, zijn evident. Kijk naar Amerika, dat hoef je in Nederland niet nog eens dunnetjes over te doen.»

Pels: «Nu ben je weer essentialistisch bezig, spreek je in feite het machtswoord. Het wijkt van jouw referentiekader af, dus kan het nooit wat zijn. Wat dat betreft lijk je op Fortuyn, wat ook geldt voor jouw stijl van optreden.»

Voor het eerst in dit gesprek valt Tromps mond open van verbazing: «Dat meen je niet!»

Pels: «Als columnist lijk je vaak echt op Fortuyn. Net als hij speel je nogal eens op de man. Laatst nog, toen je schreef dat Ruud Vreeman helemaal niet deugde. En vaak eindigen je columns ook met de opmerking dat een bepaalde persoon nu maar eens moet opstappen, en dat er op een bepaald terrein eens flink de bezem door moet.»

Tromp: «Nee, nee, dat… Nee, dat zou ik toch willen bestrijden. Ten eerste schrijf ik véél beter dan Fortuyn, wiens stukjes altijd helemaal herschreven moesten worden…»

Pels (lachend): «Oké, daar heb je gelijk in…»

Tromp: «… en vervolgens had Fortuyn iets volstrekt schreeuwerigs, wat ik niet heb. Moet je luisteren, de wijze waarop jij in dit boek met de opvattingen van Fortuyn omgaat is een manier om jouw eigen ideeën te profileren en uit te testen. Dat is heel legitiem, maar als ik een beetje flauw mag zijn, is het ook een beetje alsof J.J. Oversteegen een dikke studie zou schrijven over de versjes van Toon Hermans. Jij brengt in dat denken van Fortuyn een structuur aan die er niet in zat. Hij was iemand die zijn hele leven met de politieke mode mee is gelopen. Hij heeft een hele rondgang langs alle partijen gemaakt. Nadat hij in de PvdA geen voet aan de grond kreeg, probeerde hij het bij de VVD en het CDA. Hij was een volstrekt marginale figuur, waarbij op zeker moment alle remmen los gingen. Hij was niet meer dan een hofnar.»

Pels: «Dat is onzin. Van wie was hij dan de hofnar?»

Tromp: «Van de politieke elite.»

Pels: «Ach kom, hij was vorig jaar toch de man waar alles om draaide, hij was het centrum van de politiek, iedereen moest zijn eigen standpunt bepalen in reactie op Fortuyn.»

Tromp: «Dat denkt de hofnar ook. Zie de eerste acte van Rigoletto.»

Pels: «Nou ja… We zijn weer even ver als in het begin van dit gesprek. Maar zelfs al zou ik het met jou eens zijn, dan nog zou ik het de moeite waard vinden om een boek te schrijven over het sociologische verschijnsel Fortuyn. Want dat wat hij heeft losgemaakt, wat hij heeft blootgelegd, dat kun je niet allemaal zomaar wegredeneren.»

Dick Pels

De geest van Pim: Het gedachtegoed van een politieke dandy

Uitg. Ambo, 313 blz., € 21,90