Magistratuur en lekenrechtspraak

Fortuyneske stormloop op de rechter

De toetsingscommissie Posthumus-II heeft vorige week de zaak Lucia de B. aangenomen. Bij strafzaken wordt steeds vaker het vonnis door amateurs in twijfel getrokken. De rechterlijke macht staat ter discussie.

Aan de borreltafel, in bedrijfskantines, op internetsites: in heel Nederland zijn burgers fanatiek bezig het werk van rechters dunnetjes over te doen. Zij strijden niet alleen voor vrijlating en eerherstel van die ene ‘onschuldige dader’ maar, pathetisch gesteld, voor zuivere rechtspraak in het belang van de toekomst van onze rechtsstaat. Zo stort opiniepeiler Maurice de Hond (‘de terriër’) zich al maanden op de Deventer moordzaak. Hij legt zich niet neer bij het besluit van het openbaar ministerie om deze zaak niet te heropenen en heeft twee particuliere rechercheurs de opdracht gegeven gaten te schieten in de conclusies van het OM. Volgens De Hond is Ernest Louwes (tot twee keer toe veroordeeld) onschuldig, en hij weet ook wie de moordenaar wél is. Het graf van de vermoorde weduwe is tijden bewaakt, omdat het échte moordwapen tijdens de begrafenis in het graf zou zijn gegooid. Op de site Geenonschuldigenvast.nl staan ellenlange verhandelingen en ‘nieuwe onthullingen’. De bezoeker wordt uitgenodigd om ‘zelf aan de hand van authentieke bronnen vast te stellen of het OM zich heeft beziggehouden met eerlijke en objectieve waarheidvinding’. Nog voordat iemand zelf tot een oordeel kan komen, wordt al gesteld: ‘Ons antwoord is een volmondig nee.’

Deze casus illustreert de missie van een lekenrechter. Aandacht in de media genereert aanhangers die via het internet elkaar opjutten in hun grote gelijk. Het gedrag van De Hond lijkt soms op een niet-toerekeningsvatbare Don Quichot, behept met een tunnelvisie die hij nu juist de rechters verwijt.

Een soortgelijk patroon doet zich voor bij de zaak-Lucia de B. Wetenschapsfilosoof Ton Derksen en arts Metto de Noo betwisten het vonnis ‘levenslang’ voor de Haagse verpleegkundige Lucia de B., die zeven patiënten heeft vermoord. Derksen publiceerde dit voorjaar het boek Lucia de B.: Reconstructie van een gerechtelijke dwaling, startte de website Luciadeb.nl en werkt aan een rechtvaardig oordeel over deze vrouw, die in zijn ogen eerder een behulpzame engel is dan een ex-drugsgebruikende tarotkaart leggende hoerheks. Het duo doet op de site een dwingende oproep aan hen ‘die mogelijk over ontlastende informatie beschikken’. Ook hier wordt het dossier aangevuld met een eigen interpretatie van het relaas onder het hoofdstuk ‘Fabeltjes’. Hermetisch wordt betoogd ‘hoe ingebakken menselijke denkfouten rampzalige gevolgen kunnen hebben’. Er vallen woorden als ‘zondebok’, ‘hocus-pocus van het OM’ en ‘blinde haat tegen Lucia’. Al lezend bekruipt je het gevoel dat Derksen obsessief uit is op het bewijzen van zijn reconstructie. In een interview zegt hij al maandenlang fulltime met de zaak bezig te zijn ‘ten koste van mijn bloeddruk en geliefde filosofie’. Maar ‘de bemoeienis van burgers is de enige kans voor mensen als Lucia. Alleen idioten zoals ik hebben tijd om alles door te vlooien.’ Wat bezielt hun te denken dat zij het beter weten dan rechters?

Als zij gelijk blijken te hebben, is dat heel pijnlijk en wacht hen een terechte triomf. Het beschadigt de rechterlijke macht, die al is ondermijnd door de Schiedammer parkmoord en de Puttense moordzaak toen bleek dat onschuldigen in de gevangenis zaten. Het werk van misdaadverslaggever Peter R. de Vries is bovendien al langer debet aan het gevoel dat politie, recherche en rechters hun werk niet goed doen. Het voedt het gesundes Volksempfinden in een wantrouwen jegens ‘de elite’. Maar als zij geen gelijk hebben dan heeft hun strijd ook effect. Wat zij in feite entameren is een aanval op de fundamenten van de rechtsstaat die vergelijkbaar is met de fortuynistische revolte tegen de Haagse politiek. Ze roepen dat ‘er helemaal niets meer deugt’, ‘het OM fout op fout maakt’ en dat ‘de toga-elite ver af staat van de gewone burger en niet meer weet wat er werkelijk in de samenleving speelt’. Na het Binnenhof is nu ‘de arrogantie’ van de rechterlijke macht aan de beurt.

Dat er al langer meer aan de hand is, erkent ook strafrechtjurist Ybo Buruma. Hij is voorzitter van de toegangscommissie Posthumus II, die een half jaar geleden op initiatief van minister Donner werd ingesteld om te onderzoeken ‘of in voltooide strafzaken ernstige fouten zijn gemaakt’. Buruma: ‘De Schiedammer parkmoord is de directe aanleiding, maar binnen de juridische wereld hangt sinds de Puttense moord iets ongemakkelijks. Beide zijn traumatische zaken, ook voor het strafrechtapparaat.’

Wat Buruma verontrust is de heftigheid waarmee mensen beweren dat het OM en de rechters niet deugen. Hij hoorde onlangs op de radio bij een peiling hoe ‘nette burgers, type middenklasse, de backbone van de samenleving’, beweren dat zij meer vertrouwen hebben in De Hond dan in de rechters. Buruma: ‘Het is angstwekkend dat dit beeld kan ontstaan. Het is beledigend voor de rechters. Het is grote onzin dat rechters allemaal in een tunnel zouden zitten. Er worden in ons land weinig fouten gemaakt. Maar ik heb wel een missie te gaan, want mensen geloven dat niet meer. De burger wil, terecht, gehoord worden, dat moeten we bloedserieus nemen.’

Hij heeft twee verklaringen, die los staan van evident fout uitgepakte strafzaken. ‘De rechterlijke macht legt zaken slecht of te weinig uit. Er is een beeld ontstaan van ambtelijke robots. Daarnaast grijpt het aan bij een breder gedragen onbehagen dat kenmerkend is voor onze “dramademocratie”. De overheid doet het niet goed, en nu zijn ook nog de verkeerden naar de gevangenis gestuurd. Dat versterkt een gistend wantrouwen in “de overheid”.’

De rechterlijke macht heeft het met andere woorden over zichzelf afgeroepen. En niet alleen bij strafzaken. Genoeg burgers hebben bij civiele zaken kunnen meemaken hoe afstandelijk en statisch de toon van een rechter soms is en hoe weinig ontvankelijk die is voor een weerwoord van de burger in de zaal. Een normaal verzoek om uitleg van juridisch jargon wordt dan met een diepe zucht – ‘als u dát niet snapt’ – beantwoord.

Buruma erkent dat. ‘Rechters motiveren wel, maar vooral voor elkaar. Ze beheersen te weinig de taal om met burgers te communiceren. Ze zijn niet gewend om in de media hun verhaal te doen. Dat vind ik misplaatste verlegenheid. Ik vind het hartstikke fout dat ze net doen alsof alles gezegd is als de juridische tekst is voorgelezen. Ze spreken nooit in termen van moraliteit. Sinds de jaren zeventig is moraal een vies woord geworden in de rechtszaal en gaat het alleen over procedures. Maar waarom zouden ze niet gecontroleerde emotie tonen. Daarmee geeft de rechter uiting aan gedeelde waarden en gedeelde emoties met de rest van de samenleving. Zeker bij omstreden strafrechtszaken moet hij aangeven waar zijn overtuiging vandaan komt. Als er te veel met complexe juridische constructies wordt gesmeten, raak je het gut feeling en de overtuigingskracht in de rechtszaal kwijt.’

In lekenrechtspraak ziet Buruma geen heil. Het is een illusie dat daarmee de betrokkenheid van de burger bij de rechtspraak wordt vergroot. Om tegemoet te komen aan ongenoegen over omstreden strafzaken, is de commissie-Poshumus II in het leven geroepen. Het illustreert dat het OM open staat voor kritiek en zelfreflectie. Zaken die aangemeld worden, moeten voldoen aan een aantal criteria: een straf van meer dan twaalf jaar, een zeden- of levensdelict en een onherroepelijke veroordeling. Ze kunnen worden aangemeld door wetenschappers die zelfstandig onderzoek hebben verricht naar de kwestie en daarover hebben gepubliceerd of door functionarissen, zoals politie of een officier van justitie, die betrokken zijn geweest bij de zaak en fungeren als klokkenluider. Maatschappelijke onrust speelt geen rol. ‘Als wij een zaak aannemen, gaan we onderzoeken wat er is gebeurd in het voortraject van het vonnis. We doen dus níet het werk van de rechter over. Er is reeds een uitspraak gedaan. We mogen geen tweede Hoge Raad worden.’

Twintig zaken zijn er in het afgelopen half jaar aangeboden, twee zijn er aangenomen. En sinds vorige week een derde: de zaak Lucia de B. ‘Het is goed dat dit gebeurt. Maar het is ook heel belastend voor de betrokkenen. Voor het team van rechters, die in oprechte overtuiging de knoop hebben doorgehakt, is het een regelrechte nachtmerrie. Tegenover deze “kosten” staan de baten: een herstel van het tanende vertrouwen in de rechterlijke macht.’

Dat rechters op de werkvloer ook die ambitie hebben, vertelt Annemarie Penn-te Strake, coördinerend vice-president van de rechtbank in Maastricht. Ze was elf jaar strafrechter. Ze is tevens gedetacheerd bij de Raad voor de Rechtspraak en doet onderzoek naar de strategische vraag van de Raad hoe de betrokkenheid van de burger bij de rechtspraak kan worden vergroot. Voor haar zijn de kernwoorden voor de rechtspraak: informatie en consultatie. ‘In de gerechten vindt de uitwerking ervan al gedeeltelijk plaats, onder meer in de vorm van het begrijpelijker motiveren van beslissingen, voorlichting over concrete uitspraken, het organiseren van open dagen, klantenpanels en lezersjury’s. In Arnhem heeft een project gedraaid in het kader van het beter motiveren van uitspraken. Omdat dit succesvol bleek, gaan de andere gerechten hier ook mee aan de slag. De samenleving zal daardoor meer inzicht krijgen in wat de rechter wel en niet kan en wat er in zijn hoofd heeft gespeeld voorafgaande aan het vonnis. Dan wordt duidelijk voor welke dilemma’s de rechters hebben gestaan bij de oordeelsvorming. De kern van ons vak is het debat en dat debat moet je laten zien.’

Penn-te Strake vindt het belangrijk dat de rechterlijke macht zich aanpast aan de mondige, nieuwsgierige burgers en de media als breekijzers. ‘We zitten midden in een veranderingsproces: als minst opvallende van de drie staatsmachten hebben we geleidelijk aan betekenis en publieke aandacht gewonnen. We zijn al lang niet meer het “stille gezag” van vroeger. De rechtspraak wil responsief zijn, maar dan wel vanuit de kaders van de eigen beroepsethiek en niet door zomaar het oor te laten hangen naar het geluid van de straat. Het welbewust beschadigen van de rechtspraak, zoals nu soms gebeurt, vind ik echt zorgelijk.’

Ze is, net als Buruma, geen voorstander van lekenrechtspraak. ‘Dat gooit een heel stelsel overhoop. Het kost veel geld en je maakt de burger blij met een dure dode mus. Uit onderzoek is gebleken dat het vertrouwen in de rechtspraak, in tegenstelling tot wat door sommigen wordt geroepen, wel degelijk relatief groot is. De gemiddelde burger lijkt te vinden dat de rechter te milde straffen uitdeelt en vaak niet erg begrijpelijk is in zijn vonnis. Maar als je mensen vraagt of ze bij een geruchtmakende zaak in de jury willen zitten of als lekenrechter willen optreden, zeggen ze doorgaans “laat dat maar een ander doen. Iemand die daarvoor heeft gestudeerd.”’ .