Beschaving

Fortuynisme als rancuneleer

Schokkende gebeurtenissen leiden vaak tot dezelfde reacties. Na 11 september zou de wereld nooit meer hetzelfde zijn. Velen probeerden analogieën met eerdere gebeurtenissen te vinden en zochten naar teksten uit vroeger tijden om greep te krijgen op het onverwachte, het verwarrende en het nieuwe. Nogal eens vergeleek men de aanvallen op de Twin Towers en het Pentagon met Pearl Harbor, of met het failliet van de appeasement-politiek in de jaren dertig. In dit verband verwees bijvoorbeeld columniste Elsbeth Etty naar Menno ter Braaks Groene-artikel uit oktober 1938, ‘Het verraad der vlaggen’.

Na de verbijsterende moord op Pim Fortuyn zien we dezelfde reflexen. Niemand kan zich voorstellen dat de Nederlandse politiek hetzelfde zal blijven. Voor analogieën moeten we uitwijken naar het buitenland, maar hoe zit dat met verhelderende teksten? In deze dagen zeurt bij mij weer een andere Ter Braak-titel door het hoofd: Het nationaal-socialisme als rancuneleer.

Ho! Stop! Wacht! Dit mag dus helemaal niet meer. In de NRC van 8 mei schrijft Hans Achterhuis dat het maar eens uit moet zijn met de vergelijkingen tussen Fortuyn en het fascisme. En Achterhuis staat hierin niet alleen. Legio zijn de verwijten aan het adres van Melkert, De Graaf of Oudkerk, en ‘de journalistiek’. Allen zouden hebben bijgedragen aan de ‘demonisering’ van Fortuyn door te verwijzen naar de oorlog of abjecte types als Le Pen of Haider. Achterhuis heeft het over ‘de slechte Nederlandse gewoonte om elk actueel politiek vraagstuk te herleiden tot de morele normen van goed en kwaad uit de Tweede Wereldoorlog’.

Er was inderdaad een zekere afstand tussen Fortuyn en iemand als Le Pen, al was het wel opvallend dat hij zich in buitenlandse interviews vaak heel wat radicaler uitliet dan tegenover de Nederlandse pers. En vergelijkingen met Himmler of Eichmann waren natuurlijk inderdaad te zot voor woorden. Achterhuis heeft tot op zekere hoogte gelijk. Maar hij maakt de fout om het fascisme gelijk te stellen aan de Tweede Wereldoorlog en de shoah. Als je kijkt naar het fascisme als maatschappelijk verschijnsel uit de jaren twintig en dertig, dus vóór de slagschaduw van Auschwitz, dan valt een aantal parallellen op met de beweging waarvan Fortuyn de inspirator was.

Ook toen hadden veel mensen het gevoel dat de politiek was verworden tot een ondoorzichtig handjeklap van politici die geen enkele band meer hadden met hun kiezers en elkaar de bal toespeelden. Ook toen bleek het mogelijk om met het combineren van ‘linkse’ en ‘rechtse’, ‘moderne’ en ‘conservatieve’ opvattingen kiezers los te weken uit de ogenschijnlijk zo solide politieke machtsblokken, en een massabeweging op de been te krijgen.

Natuurlijk zijn er grote verschillen tussen het fortuynisme en de fascistische bewegingen van de jaren dertig. Fortuyn uniformeerde zijn aanhang niet en riep niet op tot geweld. Bovendien is de situatie anders. De economische crisis zorgde destijds voor grote ellende, voor echte nood, voor reële wanhoop, en de gedachte dat een sterke leider de enige uitweg was. De Fortuyn-stemmers maken zich druk over wachtlijsten en files, terwijl ze het gevoel hebben dat ‘de buitenlanders’ aan hun welvaart knagen. The Economist vroeg zich vorige week terecht af waarom de Nederlanders in godsnaam zo ontevreden waren. In reactie hierop maakte Paul Cliteur de vergelijking met de Parijse opstand van mei 1968. Toen begrepen veel commentatoren ook niet waarom al die studenten zich zo opwonden, het was met Frankrijk immers nog nooit zo goed gegaan? Totdat Raymond Aron met het verlossende antwoord kwam: ‘Frankrijk verveelt zich.’

Maar is het wel alleen verveling? Zijn de onvrede en woede niet authentiek? In dit verband is het toch zinnig om eens te kijken wat Ter Braak schreef in 1937, toen onvrede en woede het politieke en maatschappelijke bestel ook op hun grondvesten deden schudden. Het ressentiment en de rancune behoren volgens Ter Braak tot de meest essentiële verschijnselen van onze cultuur. Het komt voort uit het gelijkheidsideaal van de Verlichting, dat immers op gespannen voet staat met de sociologische en biologische werkelijkheid. Gelijkheid wordt gezien als recht, maar is tevens een onmogelijkheid. Er zijn tussen mensen grote verschillen in aanleg en capaciteiten, en bovendien zullen de mensen die het goed getroffen hebben niet geneigd zijn hun bevoorrechte positie op te geven ten gunste van hen die minder bedeeld zijn. Dat is de paradox van de democratie, die uitgaat van het gelijkheidsbeginsel.

Hierdoor moeten er wel gevoelens van onvrede, wrok en rancune ontstaan, en de democratie is dan ook gebaseerd op het ressentiment van grote groepen die hun ‘rechtmatige’ deel willen opeisen. Deze democratische en socialistische idealen zijn volgens Ter Braak geperverteerd, tot in het extreme uitvergroot door het fascisme. Het is volgens hem de ‘emancipatie van het ressentiment’, de rancune van allen tegen allen. De haat van de armen tegen de rijken, van de rijken tegen de armen, en van de middenstanders tegen de armen én de rijken.

Het is in de ogen van Ter Braak een fatale misvatting om te geloven dat het ressentiment een gevolg is van maatschappelijke misstanden. Het nationaal-socialisme is helemaal niet van plan iets aan die misstanden te doen. Het heeft de rancune, de haat nodig om de massa’s in beweging te brengen. Bovendien is volledige gelijkheid onmogelijk, zodat het ressentiment altijd blijft bestaan. Wie het fascisme wil bestrijden moet daarom niet in de eerste plaats de misstanden bestrijden, maar de ‘idealisering van het ressentiment’, ofwel het gruwelijke simplisme waarvan de fascisten gebruikmaken. Het fascisme is niet zozeer het resultaat van pure domheid, maar van ‘halfbeschaving’, die zich uitsluitend bedient van de ‘frase’, waarmee Ter Braak een ‘synthese van pathos, leugen en simplisme’ bedoelt. Het ressentiment is nooit te voorkomen, maar moet wel herkend, erkend en beheerst worden.

Ook Fortuyn deed een beroep op ressentimenten, waarbij hij zowel de onvrede van medisch specialisten als van taxichauffeurs wist te mobiliseren. En er is uiteraard onvrede met een politiek bestel waarin elk debat wordt gesmoord en broodnodige maatregelen verdwalen in bureaucratische labyrinten. Er is terecht rancune over het feit dat niet duidelijk is wat politici aan een aantal problemen doen, en dat ze de indruk wekken dat ze de mensen niet serieus nemen. En het is een gegeven dat veel mensen zich minder veilig voelen. Maar Fortuyn signaleerde die rancune niet alleen, hij voedde haar vooral. Hij hamerde op de problemen zonder met serieuze oplossingen te komen.

Jacob Burckhardt waarschuwde in de negentiende eeuw al voor de opkomst van les terribles simplificateurs, de demagogische politici die met een handvol frasen de massa’s in beweging probeerden te krijgen. In de twintigste eeuw waren het fascisme en het communisme schoolvoorbeelden van dergelijke bewegingen, die werden aangedreven door simplistische voorstellingen van de werkelijkheid. Fortuyn kwam ook met simpele oplossingen voor complexe problemen. Soms werkt dat, maar meestal blijkt de werkelijkheid heel wat weerbarstiger dan men na het lezen van een bundel columns zou denken. De geschiedenis van de twintigste eeuw heeft laten zien wat er gebeurt als dit simplisme stukloopt op de realiteit, en de vereenvoudigers toch proberen hun denkbeelden te verwezenlijken. Fortuyn is vermoord nog voor hij echt met zijn stormloop kon beginnen, en het ligt voor de hand dat hij na het fiasco teleurgesteld was afgedropen. Zijn LPF was en is beslist geen krachtige massabeweging. Daarvoor zijn de misstanden waartegen men te hoop loopt ook te triviaal, daarvoor gaat het ons toch veel te goed.

Fortuyn was geen fascist, zijn aanhangers zijn geen fascisten, er is helemaal geen voedingsbodem voor fascisme. Het ressentiment is voorlopig niet gevaarlijk. Maar wat zal er gebeuren als in dit land de problemen echt de pan uitrijzen, als de voedingsbodem voor het ressentiment wél ontstaat, terwijl er een grote politieke beweging is ontstaan die op niets anders drijft dan onvrede, wrok en kortzichtig eigenbelang?