Essay: De Jacobijnse traditie van Fortuyn

Fortuyns natie

Pim Fortuyn denkt de Nederlandse staat te kunnen redden door deze radicaal op de schop te nemen. Hij baseert zich op de Jacobijnse traditie waarin de burger wordt verplicht deel te nemen aan de staat, en miskent de aard van de moderne vrijheid.

Hoe de verkiezingen ook aflopen, Nederland zal zich nog lang bezighouden met de verklaring van het fenomeen Fortuyn. Hoe is het mogelijk dat een niet ongetalenteerde, maar zeker ook niet briljante man het land in zijn ban kon krijgen? Een deel van het antwoord ligt misschien in zijn boeken besloten. Op het eerste gezicht prikkelen deze niet. De kale profeet formuleert in vlakke schema’s, herhaalt zichzelf tot in den treure, en zijn toon is schoolmeesterachtig. «Hieronder volgen de kernnormen en –waarden van de moderniteit.» De auteur vangt complexe concepten als vrijheid en gelijkheid in eenvoudige, ware definities, die hij vervolgens alleen maar hoeft te herhalen, liefst in de vorm van lijstjes, om zijn punt te scoren.

Fortuyn presenteert de meest aanvechtbare stellingen als volstrekt vanzelfsprekend. Van de curiositeit ervan lijkt hij zich dan niet eens bewust. Wat te denken van de volgende typisch fortuyneske these: «De moderniteit handhaaft een strikte scheiding van Kerk en Staat. Uit deze scheiding zijn afgeleid: de parlementaire democratie, de vrijheid van meningsuiting en een vrije pers, het ontwikkelde kapitalisme, de mensenrechten.» Uit deze scheiding zijn afgeleid…? Zijn werken barsten van de uitglijders die voor een gepromoveerd socioloog ronduit verbazing wekken. Zo spreekt hij systematisch over «de drie grote wereldgodsdiensten: jodendom, christendom, islam». Dan weer blijkt India een, nota bene, boeddhistisch land te zijn. Bij Fortuyn waren de Arabieren destijds de schakel tussen de zwarte koninkrijken en de blanke slavenhandelaren. Al Fatah is in zijn werken een fundamentalistische organisatie, en de Jihad is de Yihad geworden.

De voormalige hoogleraar meent dat het een islamitisch leerstuk is dat het geloof de ongelovige «door de strot gewrongen wordt, goedschiks of kwaadschiks». Dat is echter, zeker waar het joden en christenen betreft, niet het geval — zelfs niet in de meest fundamentalistische staten. Over het hoofddoekje meldt hij: «Dat doet men thuis maar om.» Vreemd: Fortuyn weet vermoedelijk niet dat hoofddoekjes juist zijn bedoeld voor vreemde ogen. Over alles wat te melden, vaak ook wel ter zake, maar even vaak slaat hij de plank volkomen mis. En alles gelardeerd met schelle kreten zoals dat «de een of andere Ali Baba» niet moet komen vertellen hoe wij hier moeten leven.

Zelfs zijn taalgebruik is voor een academicus merkwaardig knullig. Hij opereert «zonder aanziens des persoons». Hij spreekt van «scheilijnen», en het neologisme «vergaderitis» wordt «vergaderitisch». Uitdrukkingen worden onder zijn razendsnelle pen verwrongen. Bij Fortuyn «valt daar geen speld tussen te wringen», en «wat niet ziet, wat niet deert». Dit is ook een mooie: de softwareleveranciers «spinnen er als volgevreten katers garen bij». Zelfs zijn Engels is gebrekkig. Margaret Thatcher zegt bij hem: «I want back my money.» In zijn laatste boek is dit overigens gecorrigeerd. Ronald Reagan noemde de USSR niet de «devil empire», maar de «evil empire». Henry Fords History is Bunk is tot History? Bull shit verbasterd.

Al worden Fortuyns boeken vermoedelijk weinig gelezen, zij vormen toch een indicatie van de redenen van het succes van hun auteur. Hij spreekt zoals hij schrijft. In zijn laatste boek noemt Fortuyn zichzelf een «uitmuntend onderwijzer». Niets bevredigenders dan «een klas of een zaal aan jouw voeten, omdat je zo goed, interessant en spannend kunt vertellen». Hij is de volksprofessor, gestudeerd maar nog altijd de taal van het volk sprekend. Simplificaties, uitglijders, een beetje schelden, zelfs taalfouten — het draagt alleen maar bij aan het beeld van de onaantastbare rebel die zich niet laat vangen in de strikte kaders van verantwoordelijkheid en wellevendheid, maar bereid is eindelijk de waarheid te laten horen, zelfs als het de waarheid niet is. Als het maar eens wordt gezegd. What the hell!

Fortuyn opereert niet alleen als succesvol populist, hij is ook de eerste Nederlandse politicus die het nationalisme op de agenda heeft weten te krijgen. Kennelijk bestond daar een politieke markt voor, die alleen onzichtbaar bleef zolang het veld werd bespeeld door rariteiten als Hans Janmaat. Fortuyns programma tot redding van Nederland is radicaal en omvattend. De zieke natiestaat wordt van drie kanten tegelijk in behandeling genomen: beschermd tegen bedreigingen van bovenaf en van beneden, en van binnenuit gereorganiseerd.

Allereerst dient de soevereiniteit der naties te worden hersteld. Met name de pretentieuze Europese Unie wekt Fortuyns woede. Belangrijker nog is dat hij de ontwikkeling in de richting van een internationale rechtsorde afwijst. Internationale gerechtshoven zijn een brug te ver. De vele NGO’s kunnen ook weinig goeds doen: goedbetaalde mensen zonder kennis van lokale culturen. Militair optreden van het Westen is al snel «onvervalste agressie». De bombardementen op Servië hadden nooit plaats mogen vinden, de Amerikaanse troepen dienen zich uit Saoedi-Arabië terug te trekken, en Nederland heeft in Afghanistan niets te zoeken. De VS gedragen zich als de «zelfbenoemde politieagent van de wereld», en Tony Blair als de minister van Buitenlandse Zaken van een «fictieve wereldregering». De tweede bedreiging is die van onderaf: de islamitische immigratie.

De onderbouwing van zijn nationalistische verhaal is merkwaardig tegenstrijdig. Fortuyn presenteert zich als verdediger van de waarden van de «moderniteit»: van de rechtsgelijkheid en de individuele vrijheid. In hun onderlinge samenhang liggen deze twee beginselen ten grondslag aan de moderne democratische soevereiniteit. De Verlichtingsgedachte kent daarnaast echter ook een universaliteitspretentie. In een zekere paradox verenigt de ideologie van de mensenrechten zich dus niet met het cultuurrelativistische standpunt dat elke cultuur soeverein in eigen kring is. De mensenrechten vormen een maatstaf waaraan alle culturen worden getoetst. Nationale gewoonten en gebruiken die strijdig zijn met de rechten van het individu worden, zelfs indien democratisch overeengekomen, niet als legitiem aanvaard.

In zijn eerdere werk verdedigde Fortuyn de superioriteit van het moderne waardenstelsel. In De puinhopen van acht jaar Paars schudt hij zijn kaarten echter op subtiele wijze anders. Hij merkt op dat een internationale rechtsorde pas mogelijk wordt «als de landen en culturen in de wereld in voldoende mate naar elkaar zijn toegegroeid». Net zomin als wij ervan gediend zijn dat «in ons deel van de wereld, dat der moderniteit» eerder genoemde Ali Baba ons komt vertellen hoe wij moeten leven, zijn de islamitische landen van zoiets gediend. «En terecht, zij hebben het volste recht om op hun eigen manier hun problemen op te lossen, inclusief die van de mensenrechten.» Het Westen moet «in hun deel (veelal islamitisch) van de wereld een toontje lager zingen». Dan hebben «ook wij het recht om van de islamitische burgers in ons deel van de wereld te eisen zich volledig te conformeren aan onze normen en waarden».

Ironisch genoeg stelt Fortuyn zich hiermee zelf op een cultuurrelativistisch standpunt. Ontdaan van zijn universele pretentie is het Verlichtingsideaal gereduceerd tot onze lokale cultuur. Niet langer vormt het individuele recht het uitgangspunt, maar soevereine cultuurkringen — gesloten gemeenschappen met elk hun eigen, gezamenlijk beleefde normen. Deze normen vormen het wezen van de gemeenschap, en het individu dient ze te delen. Elk land kent zijn eigen «wij». Dat is niet de gemeenschap van paspoortdragers, maar van de aanhangers van het ter plekke dominante waardenstelsel. Burgers die een vreemd waardenstelsel aanhangen, blijven dan ook altijd gast. In Fortuyns wereld kan een modern gezinde burger van een islamitisch land niet langer een beroep doen op de rechten van de mens. Die zijn vreemd aan het lokale waardenstelsel. Een Nederlander die naar Saoedi-Arabië verhuist, zou de islam en de sharia moeten omarmen, welgemeend en met overtuiging. Omgekeerd kan van Nederlandse moslims worden geëist dat zij onze lokale normen omarmen.

Fortuyns betoog is in strijd met de vrijheid. Artikel 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens luidt: «Een ieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst.» Dit betekent dat het, zolang hij of zij zich aan de wet houdt, iedere burger in iedere staat is toegestaan het aldaar heersende normenstelsel te verwerpen. Iedere Saoedi heeft het recht te spugen op de sharia, en iedere Nederlandse moslim heeft het recht te ijveren voor invoering van de sharia in Nederland. Fortuyn miskent de aard van de moderne vrijheid. Een gemeenschap die zegt zich te baseren op de vrijheid kan nooit van haar leden eisen deze vrijheid innerlijk te onderschrijven. Daarmee zou zij zichzelf opblazen. De eis zich te conformeren aan een normenstelsel voert naar het totalitarisme, omdat de meest wezenlijke vrijheid van alle, namelijk die van het geweten, daarmee ongedaan zou worden gemaakt. Alleen conformering aan de wet is dwingend.

Fortuyn heeft wel de verdienste de vraag naar de betekenis van nationale identiteit scherp te hebben aangekaart. In zijn kielzog en in zijn geest sprak onlangs ook Jan Peter Balkenende: «Gemeenschapszin veronderstelt gemeenschappelijk gedeelde waarden.» Deze vormen de «gedeelde cultuur» van een samenleving en bepalen de «culturele doelen» daarvan. Vrijblijvend is dit niet. Normen zijn bindend en verbindend. Balkenende betreurt «begrip voor en gedogen van afwijkend gedrag». Aan «gedragsnormen» heeft men zich te houden. En net als bij Fortuyn wordt ook innerlijke aanpassing verlangd. De sociale cohesie wordt te veel aangetast «als er groepen zijn die zich de basiswaarden van samenleving en cultuur onvoldoende eigengemaakt hebben». De CDA-voorman verlangt daarom «aanvaarding van de uitgangspunten van de Nederlandse rechtsstaat en aanpassing aan wezenlijke onderdelen van de Nederlandse cultuur» door nieuwkomers. Hierin kent de multiculturaliteit haar grens.

Balkenendes betoog kent hetzelfde democratische tekort als dat van Fortuyn. Hij lijkt zich er niet van bewust dat alleen de wet dwingend is — normen nooit. Een vrije samenleving legt geen «gedragsnormen» op. Zolang men de wet niet overtreedt, blijft «afwijkend gedrag» een privé-kwestie. En het eisen van «aanvaarding van uitgangspunten» — ook die van de rechtsstaat — is al helemaal uit den boze. Dit betekent echter niet dat de stelling dat staten zonder gedeelde waarden een gebrekkige cohesie kennen daarmee van tafel is. Dat men gedeelde waarden niet kan opleggen, betekent nog niet dat hun belang daarmee ontkend zou zijn. Dat goed functionerende natiestaten onvermijdelijk worden gekarakteriseerd door een zekere culturele homogeniteit is zelfs een gemeenplaats, hoe nerveus dit de — om met Fortuyn te spreken — Linkse Kerk ook maakt.

Wanneer een samenleving is verscheurd door wezenlijk verschil van opvatting over goed en kwaad, is het moeilijk samenleven. Een samenleving kan goed verdragen dat een kleine groep meent dat «uw rechtsstaat de onze niet is». Wanneer grote en invloedrijke groepen deze opvatting echter omarmen, is ellendig conflict onontkoombaar. Nederland kan gemakkelijk leven met een protestants-christelijke minderheid die abortus gelijkstelt aan moord. Maar alleen bij de gratie van het feit dat deze minderheid haar eigen opvatting nauwelijks serieus neemt. Zou zij dit wel doen, dan zou zij zich verplicht voelen tegen een aborterende arts op te treden zoals wanneer men een moordenaar bij zijn werk betrapt. In Nederland hebben de fundamentalistische christenen de democratische spelregels veelal aanvaard. Daarmee is feitelijk een overkoepelend normbesef gegroeid dat, ook voor hen, zwaarder weegt dan dat van hun eigen kerk. Kortom, hier is een vorm van normatieve homogeniteit tot stand gekomen.

In zijn traditionele vorm berust de multiculturalistische these op twee achter elkaar geschakelde argumenten. Om te beginnen is nationale homogeniteit niet alleen een antiliberaal en intolerant ideaal, het is nog overbodig ook. Hoe zeer normatieve stelsels ook uiteenlopen, zolang burgers de wet maar gehoorzamen, functioneren samenlevingen heel goed zonder consensus over normen en waarden. De voor de hand liggende tegenwerping dat er juist met die wetgetrouwheid problemen kunnen ontstaan indien een bevolkingsgroep de waarden waarin de wet wortelt niet deelt, wordt gepareerd met de stelling dat zo’n situatie niet snel zal ontstaan. Alle culturen baseren zich immers op dezelfde universele waarden. Over goed en kwaad bestaat wezenlijke overeenstemming. Vanuit cultureel oogpunt levert immigratie dus vooral winst op, in termen van een groeiende pluriformiteit van culturele vormen: kleding, muziek, eetgewoonten en dergelijke.

Echter, de moderniteit heeft wel degelijk een wezenlijk nieuw normbesef voortgebracht. De gelijkwaardigheid der mensen is zodanig opgepoetst dat zij voortaan gelijk in rechten zijn, een voor vermoedelijk alle premoderne culturen ongehoorde opvatting. Thomas von der Dunk sluit hier fraai op aan: «Mensen zijn gelijkwaardig, en daarmee zijn culturen die deze fundamentele gelijkwaardigheid ontkennen, dat per definitie niet.»

En dan is er het moderne vrijheidsidee, zoals vastgelegd in artikel 4 van de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger van 1789. Vrijheid betekent alles te kunnen doen zolang men geen ander schaadt. Het traditionele vrijheidsidee van christendom en islam kent een heel andere grens, namelijk Gods geboden. Ook als het niemand zou schaden, is verboden wat God verbiedt. Premoderne waardenstelsels staan dan ook wel degelijk haaks op de rechtsgrondslagen van onze samenleving. De pluriformiteit van culturele vormen moge dan winst zijn, die van culturele inhouden is dat lang niet altijd.

Fortuyn heeft gelijk wanneer hij beweert dat de komst van grote groepen mensen met een premodern waardenstelsel een probleem vormt. Waardenstelsels die de principiële gelijk berechtiging van man en vrouw ontkennen, verrijken de Nederlandse samenleving niet, maar verarmen deze. De vrees dat de gedachte van nationale homogeniteit als zodanig een gevaar voor de individuele vrijheid betekent, berust trouwens ook op een misverstand. Ironisch genoeg is juist het liberale normensysteem bij uitstek «homogeniserend». De kern ervan wordt immers uitgemaakt door de gedachte dat alle mensen dezelfde vrijheid en rechten verdienen. In dit concept vormt de maatschappelijke homogeniteit dus geen bedreiging voor ieders gelijke vrijheid — zij is daar juist op gebaseerd. Subculturen ondervinden alleen problemen indien en voorzover zij de vrijheid en rechtsgelijkheid van burgers aantasten. Daarbovenop is de multiculturele pluriformiteit onbelemmerd.

Het probleem met Fortuyns nationalisme is dat hij de liberale grondslag daarvan, tegen zijn eigen plechtige beweringen in, grof ondermijnt. Niet alleen broedt hij op middelen om burgers te dwingen de liberale normen innerlijk te omarmen. Hij koerst ook op een van overheidswege opgelegde emancipatie. Het recht van keuze van huwelijkspartner, woonplaats en school wordt aangetast, teneinde geforceerde assimilatie tot stand te brengen. Hij speelt zelfs met de gedachte uitingsvormen van de islamitische identiteit onder verbod te brengen.

Fortuyn heeft een ambivalente relatie met de uitingsvrijheid. Hij wenst een ruimere omschrijving daarvan: discriminerende opvattingen blijven wettelijk onbestraft. Een verlicht en verfrissend standpunt in het door taboes verstofte en verstopte Nederland. Maar hij steunt wel het verbod van een Turkse partij die streeft naar eenheid van kerk en staat. Bovendien gaat het dragen van hoofddoeken (evenals «kruisjes, vissen, keppeltjes, tulbanden, piercings en dergelijke») binnen een groot aantal instituties in de ban. Niet alleen bij politie en rechtspraak, waar iets voor te zeggen valt: het lijkt ongewenst burgers te confronteren met gezagsdragers die hun private mening uitventen. Maar ook in onderwijs, gezondheidszorg en bij de brandweer zijn uiterlijke tekenen van een overtuiging taboe. Eigenlijk zijn hoofd doeken op straat niet langer tolerabel. Turkse Nederlanders moeten zich trouwens helemaal een beetje koest houden. De Rotterdamse politicus ergert zich wanneer met «de winst van het Turkse voetbalelftal mijn stad in een klap in een klein-Istanboel verandert». De vreugde van de supporters geeft hem het gevoel «alsof onze stad tijdelijk is bezet door vreemde overheersers».

Om de door hem waargenomen bedreigingen van de natie af te wenden, is het volgens Fortuyn tot slot ook nog geboden de staat te versterken. Op het eerste gezicht kiest hij daarvoor een merkwaardige weg: een keiharde aanval op de politieke elite en de overheidsbureaucratie. Ook de crime fighters van de politietop moeten het ontgelden, en met de afschaffing van land- en luchtmacht ligt zelfs het leger onder vuur. Alleen de marine overleeft. De logica lijkt ver te zoeken: wie de staat tegen bedreigingen van buitenaf wil beschermen, zou hem moeten versterken in plaats van ondermijnen. Fortuyn meent echter dat hij de Nederlandse staat slechts kan redden door hem volledig op de schop te nemen.

De premier in spe wijst de parlementaire democratie af. Een hokje rood maken, dat lijkt niet eens op democratie. «Eens in de vier jaar mag het stemvee opdraven om te kiezen en daarna be paalt de elite hoe wij worden geregeerd.» Voortaan worden hoge ambtenaren en bestuursfunctionarissen gekozen. Verkiesbaarheid niet alleen van de premier maar zelfs van de regering, van commissarissen van de koningin en burgemeesters, en van de besturen van belangrijke maatschappelijke organisaties. Fortuyn hoopt de mensen terug te voeren naar de actieve politiek. Hij pleit voor vergaand terugdringen van de beroepsbestuurder, de professional. De uitvoerenden aan de macht. Ziekenhuizen bestuurd door artsen en verpleegkundigen, scholen door leraren.

Maar dat de charismatische voorman ervoor kiest Nederland op direct-democratische leest te schoeien, vergroot het vertrouwen in zijn vrijheidslievende gezindheid niet. De directe democratie kent een onaangename paradox. In dit stelsel is de burger er niet meer om af en toe naar de stembus te gaan; van hem en haar wordt actieve deelname aan het bestuur verwacht — voor velen een zware belasting. Deze deelname moet echter gegarandeerd zijn, wil het systeem niet instorten. In een directe democratie zal de overheid daarom voortdurend een zwaar en dwingend beroep op de burgers moeten doen om te voorkomen dat men zich aan zijn burgerschapsplichten onttrekt. Typerend genoeg kiest de democraat Fortuyn voor herinvoering van militaire en sociale dienstplicht. Gestoken in uniform wonen de jongens en meisjes in speciale units waar zij wennen aan discipline en burgerschap. Zo krijgt de actieve natievorming gestalte.

Fortuyn droomt van een gemobiliseerd volk. Het is evident naar welke traditie hij terugkijkt: naar het oude Jacobijnse concept van de natie die haar kracht niet in een bureaucratische ordening vindt, maar zich als zelfbesturend volk tot een compact, gesloten organisme aaneenvoegt. In die Jacobijnse traditie was het een aanvaard leerstuk dat de vrijheid van de burger niet bestond in een recht op autonomie maar in de plicht deel te nemen aan de staat. Van iedere burger werd de bereidheid geëist zich met volle inzet voor het bestuur in te zetten. Er galmen eeuwenoude echo’s van Rousseau’s Genève door De puinhopen. «Nederland een stadstaat met aan het hoofd een soevereine stadstaatregering en een echte volksvertegenwoordiging.» Om met Fortuyn te spreken: «Brrrr…» Wie straks gedwongen wil worden vrij te zijn, weet op wie hij moet stemmen.