Rechts rukt op in Europa

Fortuyns ware uitdaging

In heel Europa is politiek (extreem-)rechts aan een electorale opmars bezig. Als Pim Fortuyn echter boven de vijftien-procentgrens wil uitkomen, zal hij zijn geluk toch meer in het centrum moeten zoeken. Alleen is het daar al behoorlijk vol.

Op 27 juni 1999 was het bijltjesdag voor de Linkse Democraten (DS) in Italië, alleen beseften ze het zelf niet. Op die dag werd uitgerekend in het «rode» Bologna, hoofdstad van de Emilia-Romagna en dankzij grootscheepse sociale investeringen sinds 1945 het internationale visitekaartje van de (ex-)communisten, de centrum-rechtse Giorgio Guazzaloca tot burgemeester gekozen. Behalve de DS van premier Massimo D’Alema verloren ook de kleinere linkse partijen in de stad terrein. Oorzaak: jarenlange bezuinigingen, verwaarlozing van overheids taken en uitverkoop van de stadseconomie aan multinationals waardoor de inwoners hun vertrouwen in het linkse stadsbestuur waren kwijtgeraakt.

De top van de DS haalde collectief de schouders op. De partijleiders weten het verlies aan de bijzondere verhoudingen in Bologna en fouten van de lokale campagnevoerders. Tot hun ontsteltenis werden ze binnen een jaar zelf naar huis gestuurd door Silvio Berlusconi. De «val» van Bologna was niet zomaar een ongelukje geweest, het was een mene tekel voor de hele linkse beweging in Italië. Terwijl de particuliere welvaart in de stad tijdens de neoliberale jaren tachtig en negentig explosief groeide, nam de publieke armoede navenant toe. De stadsbestuurders gingen met hun tijd mee en schudden zo naarstig hun ideologische veren af dat ze in de ogen van de burgerij te kijk stonden als geplukte kippen. Volgens sommige commentatoren was de vertrouwensbreuk een feit toen een lid van de DS werd benoemd tot voorzitter van de plaatselijke kamer van koophandel.

Wie parallellen zoekt voor de Rotterdamse doorbraak van Pim Fortuyn, tot en met zijn beloften van raciale quota en herboren patriottisme als oplossing voor sociale problemen, kan niet enkel in Bologna terecht. Antwerpen, Marseille en Toulon gingen de Maasstad voor. Zelfs Fortuyns komeetachtige verschijning aan de Rotterdamse stadshemel heeft een precedent: in Hamburg, waar rechter Ronald Barnabas Schill, een Teutoonse kloon van Judge Dredd, vorig jaar uit het niets twintig procent van de stemmen haalde met zijn belofte om de criminaliteit binnen honderd dagen te halveren. Hoewel hij de portefeuille Politiezaken kreeg, heeft Schill naar verluidt nog niet één werkdag aan zijn bureau doorgebracht; daarentegen liet hij zich gedurende honderd nachten met witte neusgaten van het ene society-feestje naar het andere rijden terwijl de criminaliteit met tien procent steeg.

Misschien hebben grote havensteden een speciale dynamiek waardoor ze vatbaarder zijn dan andere steden voor sociale verwaarlozing, spanningen rond migranten en rechts-extremisme, suggereerde de Leidse politicoloog Joop van Holsteyn deze week. Ervaringen elders bewijzen dat het rechts-extremisme zich niet exclusief per havencontainer voortplant. In heel Europa is een electorale opmars van rechts waarneembaar die meestal gelijk opgaat met een massaal stembusverzuim van de traditionele linkse achterban in de industriesteden. De dadenloosheid en het gebrek aan visie van de sociaal-democraten, die nog maar enkele jaren terug in de meeste Europese landen regeerden, wreekt zich onbarmhartig. Behalve in Oostenrijk en Italië werden ook in Denemarken, Noorwegen, Zwitserland, Zweden, Spanje en Groenland de linkse partijen uit de macht verdreven. Eind vorig jaar moest de socialistische premier Guterres van Portugal aftreden nadat zijn partij in Lissabon, Porto en Portoalegre een verpletterende nederlaag had geleden.

Valt er op grond van die ervaringen iets te zeggen over de kansen en zwakke plekken van een populist als Fortuyn? Jawel, denkt de Brusselse politicoloog Mark Elchardus: «Een belangrijke overeenkomst met het Vlaams Blok is dat Fortuyn in Rotterdam en misschien in heel Nederland hetzelfde electoraat mobiliseert. Voorzover ik heb kunnen nagaan, gaat het om merendeels laaggeschoolde mensen met weinig levensbeschouwelijke houvast die zich zorgen maken over twee zaken: oprukkende minderheden en criminaliteit. Fortuyn is echter niet vergelijkbaar met Filip Dewinter. Het Blok wortelt in het Vlaams nationalisme en in fascistische clubjes wier stamboom teruggaat tot de Tweede Wereldoorlog. Pim is een one-man-show met adviseurs en geldschieters en een minder radicaal programma. Een gelijkenis met Forza Italia ligt meer voor de hand, ware het niet dat het veroveren van het politieke centrum in Nederland heel wat moeilijker is.»

Daar ligt voor Fortuyn de ware uitdaging, althans in het onwaarschijnlijke geval dat hij het werkelijk tot premier zou willen schoppen. Zoals in de meeste Europese landen is het extreem-rechtse electoraat in Nederland goed voor tien tot vijftien procent van de stemmen. Partijen die in extreem-rechtse retoriek blijven hangen komen daar niet bovenuit, of ze nu meeregeren of niet. In de oppositie staan ze misschien sterker, zoals het Vlaams Blok dat in Antwerpen op verdekte wijze meeregeert, maar voor hetzelfde geld gaan ze aan hun overspannen ambities te gronde. Het Franse Front National spatte in 1998 door interne twisten uit elkaar. De fascistische MSI, in Italië ook eeuwig in de oppositie, koos een andere weg en doopte zich om tot de min of meer democratische Alleanza Nazionale. Haiders partij regeerde wel mee in de nationale regering van Oostenrijk, maar leed verlies in Wenen en Karinthië waarna de leider zijn laatste sex-appeal verspeelde door uit te huilen op de brede schouders van Saddam Hoessein.

Voor partijen met een extreem-rechtse stamboom blijft de vijftien-procentgrens onneembaar. Forza Italia heeft hem wel doorbroken, maar Berlusconi beschikte over troeven die buiten bereik van Fortuyn liggen. Elchardus: «Berlusconi kon profiteren van de instorting van het naoorlogse politieke stelsel in Italië én hij beschikte over een media-imperium dat zijn boodschap uitdroeg.» De Italiaan kon zich bovendien een spagaat besparen waartoe Fortuyn wel veroordeeld is. De mediamagnaat bespeelde jarenlang het politieke centrum terwijl zijn rechterflank werd gedekt door zijn natuurlijke bondgenoten, de neofascist Gianfranco Fini en de noordelijke chauvinist Umberto Bossi, die hij inmiddels handig heeft geïncorporeerd in zijn eigen beweging.

Fortuyn moet juist doorbreken naar het politieke midden. Dat valt hem des te moeilijker omdat de paarse coalitie, anders dan de Italiaanse partitocrazia, niet door spontane consumptie verdwijnt. Hij zou op zijn minst de VVD en een deel van het CDA moeten opslokken, maar de laatste partij staat nota bene op winst. Blijft over: meeregeren in een rechtse coalitie, al dan niet vanuit de oppositie. Dat is mogelijk mits Fortuyn op 15 mei de voorspelde vijftien tot twintig zetels haalt. Behalve in Oostenrijk heeft deze figuur zich voorgedaan in Noorwegen, Denemarken en Zwitserland waar populisten profiteerden van het «wanhoopsracisme» (Elchardus) van achtergebleven bevolkingsgroepen terwijl ze zich met succes afzetten tegen de verkokerde «oude partijen» die zogenaamd enkel hun eigen zakken vullen.

Van deze voorbeelden is Noorwegen nog het meest waarschijnlijke voorland van Fortuyn. De sociaal-democraten leden er vorig jaar een dramatisch verlies. De Arbeiderspartij behaalde het slechtste resultaat sinds 1909, maar de conservatieven en christen-democraten profiteerden er niet van. Dat deed de chauvinistische Vooruitgangspartij van de goedgebekte Carl Hagen, van oorsprong een antibelastingpartij, die 14,5 procent van de stemmen boekte en enige maanden voor de verkiezingen in de peilingen zelfs de grootste partij dreigde te worden met 24,8 procent. Momenteel regeert in Oslo een centrum-rechtse regering met gedoogsteun van Hagen. Het opmerkelijke is dat Noorwegen de hoogste levensstandaard van de wereld heeft en niet meer dan driehonderdduizend migranten (merendeels Zweden en Denen) op een bevolking van 4,5 miljoen. De vreemdelingenhaat is bij Hagens achterban, net als die van de Deense Volkspartij van Pia Kjaersgaard, een wel heel doorzichtig vijgenblad. Direct daaronder zit de angst voor sociale uitsluiting die alle geliberaliseerde westerse «risicosamenlevingen» doordesemt. Hun kiezers zijn afgekeurde vijftigplussers, werkende vrouwen en laagopgeleide jongeren. Ze benijden de migranten om hun arbeidsethos, familiebanden en onderlinge solidariteit, kortom: om de sociale weerbaarheid die ze zelf ontberen. Omdat westerse overheden hun burgers steeds minder sociale en economische zekerheid bieden, zoeken zulke kiezers hun heil bij veel belovende leidersfiguren die hun, al is het vanuit de oppositie, tenminste nog wat zelfrespect bieden, terwijl de schuld voor hun malaise wordt gelegd bij «vreemde baantjesjagers en andere insluipers in onze ooit zo schone, geordende en vertrouwde achtertuintjes», schrijft socioloog Zygmunt Bauman in In Search of Politics (1999). Het is wrang maar misschien wel heel begrijpelijk dat ze vaak tot de sociaal zwakkeren behoren. Als zij geen zekerheid verdienen, gunnen ze die ook een ander niet. En de zittende politici, die weigeren zich hun lot aan te trekken, al helemaal niet.