Foto’s in woorden

SOMS WORDT OUDE verf op schilderslinnen doorschijnend. Als dat gebeurt, willen er nog wel eens oude lijnen door de verflaag heen schemeren: in een boom gaat een vrouwenjurk schuil, een kind maakt plaats voor een hond, een grote boot vaart niet langer op een open zee. Er bestaat een woord voor dit proces van transparantie: ‘pentimento’. De schilder is van gedachten veranderd en heeft ‘herschilderd’, heeft een nieuw schilderij over het oude aangebracht. Misschien kun je ook zeggen dat de oude voorstelling die door een nieuwe voorstelling is vervangen, een manier van zien is en nog eens zien.

Zo ongeveer luidt het motto van Lillian Hellman dat Marga Minco aan haar nieuwste boek, Nagelaten dagen, heeft meegegeven. ‘Dat is wat ik bedoel met de mensen in dit boek’, citeert Minco haar. 'De verf is nu oud geworden en ik wil zien wat ooit voor me bestond, wat nu voor me bestaat.’
Het motto van Hellman kun je op bijna alle verhalen en romans van Minco plakken. Hoeveel tijd er ook is verstreken - of beter gezegd: hoe méér tijd er verstrijkt -, het verleden dat is uitgewist, dringt zich steeds scherper op. Wat ooit bestond en wat nu bestaat - er is geen verschil tussen, toen kan opeens nu worden, de grens tussen heden en verleden kan opeens zijn weggevaagd. Terloops schrijft Minco ergens in Nagelaten dagen: ’… net als een kwartier, als een half uur tevoren, als vijftig jaar geleden…’ De tijd is een vloeibaar harnas voor haar, zij biedt geen houvast.
Het 'toen’ waar het in Minco’s kleine oeuvre om gaat is de oorlog en de zorgeloze, gelukkige tijd ervoor. In Nagelaten dagen, de roman die deze week verschijnt na een stilte van elf jaar, is de oorlog vijftig jaar voorbij. Meteen al blijkt dat de oorlog allerminst verleden tijd is. Op de eerste bladzijde van de roman gaat het over de familie Stelerius die de vertelster voor een familielid moet opsporen. 'Ze moesten al sinds onheuglijke tijd verdwenen zijn of niet meer leven. Het was te lang geleden’, denkt zij. Maar het familielid, net als zij een 'overlevende’, is ervan overtuigd dat ze er na al die tijd nog gewoon wonen, op hetzelfde plein, in hetzelfde huis. Omdat de tijd in haar beleving stil is blijven staan, gaat ze er klakkeloos van uit dat in werkelijkheid ook niet alle sporen zijn uitgewist. Ze krijgt nog gelijk ook.
De zoektocht naar de familie Stelerius is één van de lijnen in Minco’s dunne maar complexe roman. Ze zijn zogeheten 'bewariërs’, mensen die tijdens de oorlog vriendelijk de spullen van hun joodse kennissen hebben bewaard en er zo aan gehecht zijn geraakt dat ze er na de oorlog geen afstand meer van kunnen doen. Het familielid heeft er twee jaar na de oorlog op de stoep gestaan, maar is met wat vergeelde foto’s en tekeningen afgescheept. De vertelster heeft ooit hetzelfde meegemaakt: ze heeft in een vreemd vertrek gestaan en de voorwerpen uit haar ouderlijk huis teruggezien. De bekende dingen hebben in die onbekende omgeving hun vertrouwde glans verloren.
DE DINGEN EN de tijd hebben in het werk van Minco een ongewoon emtioneel huwelijk gesloten. In Het bittere kruid, de 'kleine kroniek’ waarmee ze in 1957 debuteerde en dat inmiddels een van de klassiekers is in de Europese literatuur over de Tweede Wereldoorlog, zijn de dingen nog vanzelfsprekend aanwezig. Pas als de ouders van de vertelster zijn gedwongen naar het Amsterdamse 'Judenviertel’ te verhuizen en zij alleen met haar broer in het ouderlijk huis is achtergebleven, verliezen de voorwerpen veel van hun waarde. Onthecht geeft de vertelster haar dierbare spulletjes aan een monter buurmeisje, dat een tennisracket komt 'lenen’. Van het een komt het ander: 'Het zou zonde zijn als je die leuke dingen hier liet staan.’ Bij haar vertrek zegt het meisje lachend: 'Ik had beter een tas mee kunnen nemen.’
In 'Het adres’, een verhaal dat is opgenomen in de bundel De andere kant (1959), klopt de vertelster aan bij een oude kennis van haar moeder die het tafelzilver, de antieke borden, het serviesgoed en alle andere mooie dingen heeft helpen redden. Ze wordt de deur gewezen. Als ze later door de dochter des huizes wordt binnengelaten, komt ze in een vertrek dat ze kent en niet kent. Het ouderwetse chanoeka-ijzer van haar ouders hangt naast de spiegel aan de muur; in het wollen kleed dat over de tafel hangt, zoekt ze voorzichtig naar het brandgaatje dat nooit is hersteld. 'Ik bevond mij’, denkt ze, 'te midden van dingen die ik terug had willen zien, maar die mij in de vreemde atmosfeer beklemden. Of het kwam door de smakeloze manier waarop alles gerangschikt was, door de lelijke meubels of de benauwde lucht die er hing, weet ik niet, maar ik durfde nauwelijks meer om me heen te kijken.’
De dingen zijn in die vreemde context 'onteigend’. De vertelster ontvlucht het huis en neemt zich voor het adres te vergeten.
DE GESCHIEDENIS van de dingen wordt in Nagelaten dagen verder gethematiseerd. Alsof de personages, naarmate de oorlog langer geleden is, beseffen dat de dingen stille getuigen zijn, een soort zwijgende familieleden bij ontstentenis van echte familieleden. Alsof de dingen de enige nabestaanden zijn en ze zich zelfs daar niet mee kunnen omringen. Vandaar dat de vertelster, als de geschiedenis zich herhaalt en de neef van de gestorven meneer Stelerius en diens dement geworden vrouw niets wil afstaan, beslist zegt: 'Sommige dingen verouderen niet.’
Tegelijk vraagt de verstelster zich af waarom de overlevenden nog steeds op zoek zijn naar voorwerpen die niet eens in hun al overvolle kasten opgeborgen kunnen worden. Jagen ze geen waan na? 'Misschien verbeelden we ons’, zegt ze, 'aan een voorwerp uit het verleden iets anders te voelen dan de ronding van een vaas, de boog van een porseleinen oor, het koele, ivoren handvat van een mes. Er iets anders aan te herkennen dan waar het attribuut ooit voor diende. Misschien willen we ons vasthouden aan een illusie.’
Er is in Nagelaten dagen één overgeleverd ding dat meer is dan een illusie. Naast de flets geworden foto’s en tekeningen die het geheugen op scherp stellen, is er sprake van een antieke Japanse kom. Aan de binnenkant van het deksel daarvan staat een vliegend vogeltje afgebeeld dat symbool staat voor veel in het verhaal. Voor het overleven, voor de vlucht en uiteindelijk voor de dood.
HET WERK van Marga Minco cirkelt telkens rond dezelfde plaatsen, dingen en mensen, steeds weer belicht ze dezelfde - autobiografische - geschiedenis vanuit een ander gezichtspunt. De personages dragen andere namen, maar ze hebben altijd, noodgedwongen, oog voor het pentimento, ze zien onvermijdelijk de oude lijnen door het nieuwe schilderij oplichten. Het zijn vaak de bekende plekken die duidelijk maken dat de tijd is doorgegaan en die de voorbije tijd tegelijkertijd op een pijnlijke manier levend maken. In heel wat verhalen van Minco zoeken de personages de plekken van weleer op. Ze staan tegenover het huis waar hun ouders, zusters of vrienden hebben gewoond, kijken zelfs of het naambordje nog op de deur is geschroefd en zien dat niets meer is zoals het was.
In de roman Een leeg huis (1966) zoekt Yona keer op keer de gevel van het huis van haar ouders aan een van de Amsterdamse grachten op. Haar herinnering tovert de gevel om tot een compleet huis met een intiem en overbekend interieur. De herinnering wordt zo levend dat zij naar het huis toe rent, haar hand door de brievenbus steekt om het touwtje te pakken waarmee zij vroeger de deur opentrok. Ontgoocheld voelt ze de windvlaag die uit de open spleet komt: achter de gevel bevinden zich niets dan puinhopen.
De bekende plek in Nagelaten dagen ligt aan het Wedemerplein in de Amsterdamse Rivierenbuurt. Het is niet moeilijk in die straatnaam het Merwedeplein uit Het bittere kruid te herkennen. Aan het Merwedeplein woonde de zus van de vertelster met haar man bij diens moeder in - tot ze in mei 1942 tijdens een razzia werd opgepakt. De familie Stelerius woonde in het huis ernaast. Als de vertelster door het identiek gebouwde huis van de buren van weleer loopt, op zoek naar dingen voor haar familielid, wordt de tijd een slag teruggezet. Ze is ineens weer in het bekende huis, meer dan vijftig jaar terug. Ze ziet hoe haar zus in de smalle zijkamer op het divanbed zit, ze ziet de schoonmoeder van haar zus in de donkere achterkamer op een stoel met een hoge rugleuning aan tafel brieven schrijven. Ze hoort het Duitse accent van de vrouw en ziet hoe ze enigszins mank loopt. Ze is maar één keer op de plek geweest en nu is het alsof ze er weer is.
Zo gaat het vaak in Nagelaten dagen: een bekende plek of een bekend ding, hoe onherstelbaar veranderd ook, zorgt dat de vertelster in haar hoofd een sprong in de tijd maakt. Zonder overgang schiet Minco heen en weer in de geschiedenis - de structuur van Nagelaten dagen heeft daardoor veel weg van de springerige structuur van het geheugen zelf. Een doos is de tijdmachine die haar in het eind van de jaren dertig neerzet, bij haar zus die de doos waar ze haar tekeningen in opbergt in het huis van haar ouders achterlaat als ze met haar man in Amsterdam gaat wonen. Een station doet haar regelrecht op andere stations belanden en een pijnlijk afscheid opnieuw beleven.
BEHALVE 'Het adres’ klinkt ook een ander verhaal van Marga Minco door in Nagelaten dagen: 'De dag dat mijn zuster trouwde’, in 1970 gepubliceerd in Avenue en later opgenomen in een uitgebreide editie van De andere kant. Het is begin mei 1942 in het verhaal en het ligt, vanwege de oorlog, niet in de bedoeling een echt bruiloftsfeest te vieren. Toch probeert de moeder iets van de oude luister in ere te houden: de glazen worden opgepoetst, de meubels worden opzij geschoven en er worden vazen met bloemen neergezet. Ze wil doen alsof er niets veranderd is. De doem die over het bruidspaar hangt, blijkt uit het bruidsboeket dat de vertelster voor haar zus koopt: de stervormige bloemen van de Japanse kers vallen op de dag zelf al uit. Door Het bittere kruid en door Nagelaten dagen weet je dat het paar drie weken na hun huwelijk wordt opgepakt.
Het verhaal is door een van de personages in Nagelaten dagen, ene Miriam Weissbach, gelezen in een bibliotheek in Jeruzalem. Zie daar de tweede verhaallijn: Miriam Weissbach werkt aan een stamboom van haar familie, in de namen en situatie van het verhaal herkent ze verre familie. Via Miriam Weissbach komt de vertelster, na zoveel jaren, in contact met Eva, de zus van haar zwager en net als zij enige overlevende. Eva, die inmiddels aan de Amerikaanse westkust woont, zet haar aan de familie Stelerius te zoeken.
Eva heeft al 45 jaar een doos achter in een kast staan waarin foto’s van het huwelijk en een album met tekeningen zijn opgeborgen. Nooit heeft ze de moed kunnen opbrengen om de foto’s te bekijken. Er wordt veel over foto’s geschreven in Nagelaten dagen. Op de paar foto’s die de vertelster nog uit haar jeugd bezit, herkent ze zichzelf nauwelijks. 'Het is of ik alleen de anderen op foto’s herken’, denkt ze. 'Zij zijn niet veranderd. Voor mij zijn ze altijd hetzelfde gebleven.’ Juist foto’s, beseft ze ergens anders, doen haar twijfelen aan de betrouwbaarheid van haar geheugen. Ze roepen verwondering op, 'grenzend aan ongeloof over een periode die niet meer te achterhalen is, maar des te meer de ongrijpbaarhied doet beseffen van een verloren gegane tijd’.
DE HERINNERING speelt een paradoxale rol in de boeken van Marga Minco. In De val (1983) schrijft ze over de bejaarde Frieda Borgstein, die door toeval als enige van haar familie de oorlog heeft overleefd: 'Zolang zij leefde, zolang haar herinnering werkte hield ze hen aanwezig; daarmee rechtvaardigde ze haar bestaan.’ In haar geheugen, en door het noemen van de namen, leven de vermoorde familieleden voort, maar tegelijk is het geheugen een onbetrouwbare gast.
Minco’s werk is herinneringskunst; nergens twijfelt ze zo openhartig aan haar herinnering als in Nagelaten dagen. Misschien moet ook daarom de geschiedenis steeds opnieuw worden opgeschreven: alle verhalen zijn stuk voor stuk pogingen om een deel van dat wat voorgoed voorbij is op te vissen. Daarom bestaan Minco’s verhalen waarschijnlijk uit een aaneenschakeling van onderkoelde beelden, van, zou je haast kunnen zeggen, foto’s in woorden.
Als de vertelster Eva in Californië bezoekt en ze samen de foto’s in hoog tempo bekijken, is het 'of er een snelle film werd afgedraaid, begonnen de beelden uit die lang vervlogen periode scherpere contouren aan te nemen en kwam het me voor of het louter negatieven waren geweest die al die tijd in de opslagplaats van mijn geheugen hadden gelegen’.
Dat is precies wat Minco in haar werk, en weer opnieuw in Nagelaten dagen, doet: ze haalt de negatieven uit de opslagplaats van haar geheugen en probeert ze zo scherp mogelijk te ontwikkelen.