Fotomodellen

Van de Duitse essayist Julius Heine had ik nooit eerder gehoord, maar ik trof zijn essay ‘Schaduw werk’ (‘Schattenschriften’) in een boekje uit de mooie reeks Schemerschijn, uitgegeven door de Jan van Eyck Academie in Maastricht. Kunstenaar Lex ter Braak had Heine gevraagd een stuk te schrijven bij zijn beeldende werk.

In zijn caleidoscopische essay doet Heine zijn ‘trage, circulaire’ schrijfmethode uit de doeken: hij schrijft fragmenten, die hij onaf laat, om daar later weer nieuwe fragmenten aan vast te monteren, tot de onafheid toch een soort voltooiing bereikt – al benadrukt hij dat absoluutheid een vorm van bedrog is die hij zijn lezers wil besparen. ‘In alle gevallen’, schrijft Heine, ‘is de tekst de uitdrukking van zijn eigen genealogie.’

Wat volgt zijn vijf niet-chronologisch genummerde fragmenten, die allemaal op hun eigen manier iets van doen hebben met het beeldende werk van Ter Braak. Het zijn wonderlijke stukken tekst, samenvattingen en hervertellingen van eerder gehouden toespraken, parafrases van mails tussen de Nederlandse kunstenaar en de in Berlijn woonachtige essayist, de beschrijving van een ontmoeting tussen beiden. Het is duidelijk dat schrijver en kunstenaar geestverwanten zijn, op zoek naar uitdrukkingen van beweging in media die stilstand lijken te vereisen – het geschreven woord, fotografie, schilderkunst.

De ontmoeting, lees ik, vond plaats tijdens een Amsterdams symposium in 2017, getiteld Woord en beeld. Ter Braak had Heine gevraagd te komen luisteren, terwijl hij een tekst van Heine voorlas alsof die van hemzelf was. Op de achtergrond speelde een slideshow met beelden van Ter Braak, die door hem echter aan het publiek werden voorgesteld als beelden van de Duitse kunstenaar Julius Heine.

Het toeval wil dat ik ook een korte lezing hield tijdens ditzelfde symposium, en inderdaad herinnerde ik mij vaag de toespraak van Lex ter Braak, alsook een man in het publiek die op Ter Braaks verzoek even opstond om zich kenbaar te maken als de kunstenaar Julius Heine. Dat zal dan wel de Duitse kunstenaar Julius Heine zijn, dacht ik, en daarna vergat ik hem en zijn werk – ik had alleen die ene slideshow gezien, er was niets tastbaars achtergebleven, evenmin van de woorden, die vervlogen zoals uitgesproken woorden dat doen, al helemaal tijdens dergelijke symposia.

In welke postmodernistische schemerzone hielden deze twee mannen zich op?

In welke postmodernistische schemerzone hielden deze twee mannen zich op? Welk spel speelden ze? Het boekje van Heine maakte me wijzer, maar ook verwarder, alsof ik een piste afdaalde in de dichte mist en wel in het dal terechtkwam, maar geen idee had over de route die ik daartoe had afgelegd. In elk geval leek er een competitie gaande tussen hen, soms speels, dan weer venijnig. Ze pakten elkaars uitspraken af, vervormden die tot hun eigen verhalen, wisselden van rol. Ze maakten elkaar mogelijk en onmogelijk. Ze waren elkaars schepper en vernietiger.

Op het internet zocht ik naar Julius Heine. Ik vond een interview met een lokale Duitse politicus met peenkleurig haar en blozende wangen. ‘Ich bin jung und kann nog viel bewegen’, luidde de kop. Ik vond een Duitse mineraloog, geboren in 1808 en een kennis van de beroemde scheikundige Michael Faraday. Ik vond diverse graven in Texas, North Dakota en Iowa. Ik werd niets wijzer, althans, niet waar het de schrijver Julius Heine betrof.

Ik was in dit detectiveachtige gedoe terechtgekomen omdat Lex ter Braak mij had gemaild met het verzoek te spreken tijdens de opening van zijn expositie in Nieuw Dakota in Amsterdam-Noord. Op een middag niet zo lang geleden bezocht ik hem in een Haarlemse woonwijk op loopafstand van het station. Zijn atelier lag op de bovenste verdieping van een recentelijk opgeknapt schoolgebouw, de platanen voor de grote ramen strooiden het overdadige licht door de ruimte en over zijn werktafel. Hij haalde allerlei bundeltjes polaroids tevoorschijn, die hij over de tafel verspreidde zoals een goochelaar een dek kaarten uitwaaiert. Polaroids, zei hij, maakten geen aanspraak op de werkelijkheid. Ze waren niet meer dan impressies. Door over de polaroids heen te schilderen zoals hij deed, maakte hij ze onleesbaar en beweeglijk, gaf hij ze terug aan de werkelijkheid.

Later, toen hij vlug maar secuur en haast geruisloos zijn grotere werken – opgeblazen varianten van de beschilderde polaroids, schilderijen van bomen – ophing aan bijna onzichtbare schroefjes die op tientallen plaatsen in de muur waren bevestigd, moest ik opnieuw aan een goochelaar denken. De geroutineerde handelingen, het mysterie van de schijnbare transparantie.

Even vlug als ik gekomen was, stond ik plotseling weer buiten. Ik wist niet precies wat ik had gezien, wat ik had gemist en ik had geen idee wat ik zou zeggen tijdens die opening. De platanen stonden erbij als fotomodellen, er was alleen niemand met de juiste camera.

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.