Fout

Een man, halverwege de veertig, werkzaam in de grafische sector, maakt een fout in een lerarenagenda. Het is een vrijdagmiddag in het vroege voorjaar. Warm, haast broeierig weer. De man is niet slordig van aard. Hij houdt zijn werkplek schoon, eet nooit boven zijn toetsenbord, controleert instellingen en kleurencodes altijd zorgvuldig. Dat zal hij later ook zeggen, wanneer hij gebeld wordt door een docent geschiedenis die de fout ontdekt: dat hij doorgaans zorgvuldig is. Die vrijdagmiddag fietst hij naar huis, zijn jasje onder de snelbinders. ’s Avonds, als de kinderen op bed liggen, gaat hij naast zijn vrouw in de tuin zitten. Hij kijkt naar het roerloze wateroppervlak van de vijver. Hij zegt niet tegen zijn vrouw dat zij mooi is maar denkt het wel. Dat ze er anders uit is gaan zien. Moederlijk, vermoeid soms, verder van hem weg. Maar mooi. Zou hij het werk van Jo Gisekin hebben gekend, dan had hij wellicht aan dit gedicht gedacht:

Moe gedicht

Ik heb het linnen gestreken
de kip van zijn botjes ontdaan
een handvol pijnappelpitten
kwistig in de abrikozenvla

ik zit met mezelf aan tafel
uitgedoofde bloesemtak
in drabbig water
véél moeder
weinig vrouw

Een fout is alleen maar klein zolang je de gevolgen niet kunt overzien

ontbonden bijna, vergeten
de geur van lichaamswarmte
en streelzacht water

hoe kan ik weten
dat morgen de hemel
doorzichtig wordt en jij
luidruchtig de beminde.

Bij verschijning van de lerarenagenda, een maand later, staat er één dag dubbel in: 14 april. Na de tweede 14 volgt een 16. Een docent geschiedenis constateert dit en belt de uitgever. Na veelvuldig doorverwijzen en doorverbinden krijgt hij de man die de fout maakte aan de telefoon. Er ontstaat een gesprek over druk- en zetfouten, zoekgeraakte dagen en gemiste verjaardagen. Over de onbedoelde gevolgen. Het is een goed gesprek. ‘Je zult zoiets maar over het hoofd zien’, zegt de docent geschiedenis. ‘Je zult maar een oorlog beginnen op de verkeerde dag!’ De man die de fout maakte lacht.

Het gedicht van Jo Gisekin dat hier staat afgedrukt, nam ik op in de onlangs verschenen bloemlezing Wij zijn de menigte die moeder heet. Mevrouw Gisekin merkte, toen de bloemlezing bij haar thuis in België werd bezorgd, dat er een vergissing was gemaakt. Ze nam met enige schroom contact op om me daarop te wijzen. Het ging niet om een d-t-fout, een dubbele spatie of een misplaatste witregel – het ging om een tekstuele amputatie: de laatste strofe van het gedicht was volledig weggevallen. Gisekin was vriendelijk en begripvol. Ik was vooral beschaamd – zo beschaamd dat ik het zelf eigenlijk overdreven vond. Een diep gevoel van tekortschieten dat de hele dag bleef hangen. Het kwam niet alleen door deze fout, realiseerde ik me ’s avonds, het kwam óók door het nieuws. Een aaneenschakeling van gebeurtenissen die zowel mijn angst als mijn gevoelens van onvermogen voedt. Wie weegt de woorden nog? Wie corrigeert verkeerde citaten, uit hun verband gerukte teksten? Wie toont aan dat je een mensbeeld kunt wijzigen met één lettergreep? Natuurlijk, we moeten nuchter blijven wanneer het draait om kleine, menselijke vergissingen. ‘Er gaat heus niemand dood aan’, zei mijn moeder altijd. Er gaat niemand dood aan als je zakt voor een examen Frans. Maar wat die docent geschiedenis me leerde is me minstens zo hardnekkig bijgebleven: een fout is alleen maar klein zolang je de gevolgen niet kunt overzien. Geen woord is ‘maar’ een woord. Geen stem ‘slechts’ een stem. Alles wat we doen vereist oplettendheid, zelfcontrole – zelfs als we weten dat niets volkomen te vermijden is. Ik zit met mezelf aan tafel, schrijft Jo Gisekin in een moe gedicht. En het is waar, geloof ik. We zitten met onszelf aan tafel. Wetend: uit een handvol woorden kun je de wereld maken. En de wapens.