Fout én goed

‘Er bestaat een door God gewilde onafhankelijkheid. Bij elke individuele mens. Bij elk individu. Iedereen draagt zijn eigen hoofd tussen zijn schouders.’ Het monumentale autobiografische drieluik van de Sloveense schrijver Lojze Kovacic (1928-2004), waarvan nu het eerste deel uit 1984 in het Nederlands te lezen is, opent met dit motto van Alfred Döblin. In hoeverre heeft een mens zijn lot in eigen hand? De geschiedenis leert dat het gros van de mensen gestuurd wordt door wat groter is dan het individu. In De nieuwkomers wordt Döblins geloof in zelfbeschikking hardhandig gelogenstraft.
De roman begint met een hallucinerende beschrijving 'als een tekenfilm in kleur’ van het vertrek, per trein, van de familie Kovacic uit Basel. De Sloveense kleermaker en bontwerker woont daar al meer dan dertig jaar met zijn Duits-Franse vrouw en gezin. Omdat hij nooit het Zwitserse staatsburgerschap wilde aanvragen, worden ze met kinderen en kleinkind wegens de zo gewenste neutraliteit van het land in 1938 verbannen, een lot dat vele niet-Zwitsers ten deel viel. Alle bezit wordt geconfisqueerd, zodat de eens gegoede familie berooid afreist naar het land dat vader vele decennia daarvoor verliet: Slovenië.
Het verhaal is geschreven vanuit het perspectief van het tienjarige nakomertje Lojze. Hij probeert in een doorgaande stroom van gedachten, gebeurtenissen en beschrijvingen greep te krijgen op de verwarrende werkelijkheid om hem heen. Kovacic gebruikt daarbij een ouderwetse maar prachtig effectieve vorm: vele zinnen eindigen op drie puntjes. In Slovenië wordt Kovacic als de belangrijkste schrijver van de vorige eeuw beschouwd en door de succesvolle publicatie van zijn werk in het Duits wordt hij nu in één adem genoemd met grote Europese schrijvers als Nádas en Ki. Terecht, want hij beheerst inhoud en vorm zo meesterlijk dat de lezer geheel meedrijft op de overrompelende gedachtestroom van de jongen.
Onderweg naar Slovenië beziet Lojze de plotselinge aftocht als één groot avontuur. Burgerlijk opgevoed als hij is, stevig ingezeept, geboend en geborsteld en gekleed in een keurig matrozenpakje, stelt hij zich een soort kermisachtige miniwereld voor: stallen vol paardjes, een rivier met gratis te bevaren rode bootjes, en overal op de daken van de huizen vrij te gebruiken tweedekkers. En hoewel de vingerwijzingen naar de heel wat grimmiger Sloveense werkelijkheid talrijk zijn, blijft hij nog lang na aankomst in de naargeestige boerderij van zijn oom in zijn droomwereld geloven.
Op doortocht ziet hij vanuit een gasthuis een visioen van een 'glazen paleis’. Hij wordt betoverd door het licht dat het gebouw uitstraalt. Maar in daglicht blijkt het een lelijke, oude ruïne te zijn. Maanden later, als de familie verdreven is van het platteland en zich op zoek naar werk vestigt aan de rand van Ljubljana, is de werkelijkheid nog navranter: het is een vervallen begraafplaats. Zo worden langzaam maar zeker alle kinderlijkheid en alle illusies over vrijheid en kameraadschap afgebroken, zoals dat past bij een Bildungsroman.
Eerst zwerft Lojze nog tussen de gele, donzige kuikentjes, de warme mooi effen grijze koeien en de 'piepkleine varkenskinderen’ over het erf van oom. 'Dit was het leven, vol met avonturen en vermakelijke gebeurtenissen… Alles was open, wijd, vrij, alles was toegestaan…’. Dat kantelt als oom Karel met een slot op de put hun de toegang tot schoon water ontzegt, als zijn neven met scherp gepunte takken elkaars ogen proberen uit te steken, als Lojze voor het eerst moet stelen om aan eten te komen, en als de ooms, tantes en neven ten slotte het gezin met een gejouwd 'Hajlhitler’ van hun erf verdrijven. So far voor de warme mantel der familie, waarop men altijd zou kunnen terugvallen…
Verdreven door de Zwitsers omdat het gezin Sloveens zou zijn, verdreven door de Sloveense familie omdat het gezin Duits zou zijn. Maar de verwarring is nog niet compleet. De boswachter uit het geboortedorp van vader onthult dat diens voorvaders zigeuners waren. En dat terwijl Lojze elke dag onderweg van school naar huis vecht met de zigeunerjongens uit het kamp langs de rivier Krka. Als het gezin alleen nog kan overleven als zus Clairi zich prostitueert, Lojze bedelt en ze langs de huizen moeten om bontwerk te verkopen voelen ze zich ook zigeuners.
Aldus hoort Lojze zowel bij de daders als bij de slachtoffers, is hij fout en goed tegelijk, in het schrille licht van de naderende oorlog. De jongen moet niks van Hitler hebben, maar bewondert wel de soldatenuniformen. En naarmate de oorlog naderbij komt, van de annexatie van Oostenrijk tot het opstomen van de Italiaanse en Duitse troepen in 1941, is er nog maar één identiteit die het gezin een beetje voedsel, kleding en veiligheid kan bieden. Lojze sluit zich aan bij de Hitlerjugend, en de geschiedenis heeft het gezin Kovacic recht in de armen van de zwarthemden gedreven.
Het is nu wachten op de vertaling van het volgende deel uit het drieluik. Wat gaat het gezin Kovacic doen? Heult het verder met de nazi’s of blijken Vati, Muti, Clairi, de kleine Gisela en Lojze toch 'het eigen hoofd tussen de schouders’ te dragen zoals Döblin voorzegt? Het is te hopen dat de uitmuntende vertaler Roel Schuyt het ons snel kan laten weten…

LOJZE KOVACIC
DE NIEUWKOMERS
Vertaald uit het Sloveens door Roel Schuyt
Van Gennep, 295 blz., € 19,90