Er ligt nog twee miljard in Zwitserland

Fout goud

In Zwitserse kluizen bevindt zich nog steeds Nederlands goud dat in de oorlog door de nazi’s werd geroofd. Waarom besloot het tweede paarse kabinet dertien jaar geleden om af te zien van een claim op 61.000 kilo goud, met een huidige waarde van twee miljard euro?

Medium 111 sc 205409

Bijna de helft van al het goud dat de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog uit Nederland hebben geroofd ligt nog altijd in de kluizen van de Zwitserse centrale bank. Het tweede paarse kabinet heeft in 2000 de pogingen opgegeven om dit oorlogsgoud, dat een huidige waarde van twee miljard euro heeft, terug te krijgen. Hieraan is geen ruchtbaarheid gegeven en de Tweede Kamer is er nooit over geïnformeerd.

De confiscatie door de nazi’s van de goudreserves van De Nederlandsche Bank is de grootste goudroof uit de Nederlandse geschiedenis. Toen Nederland na de Duitse inval op 15 mei 1940 capituleerde, had dnb het grootste deel van de goudreserves uit voorzorg naar het buitenland overgebracht, maar er lag in de kluizen van de bank nog altijd twintig procent van het Nederlandse goud. Een van de eerste verordeningen van de Duitse bezetters was dat Nederlanders alle gouden munten die ze hadden, moesten inleveren. In de zomer van 1940 leverden gezagsgetrouwe burgers ruim 35.000 kilo aan gouden tientjes en vijfjes in bij De Nederlandsche Bank. Ze kregen er papiergeld voor terug, dat enkele jaren later waardeloos was.

Direct daarna gaven de Duitsers opdracht om dit publieksgoud naar de Reichsbank af te voeren ten behoeve van het Duitse ‘Vierjarenplan’, de opbouw van de oorlogsindustrie onder leiding van Hermann Göring. Vervolgens eisten de Duitsers goud op voor de financiering van de Nederlandse bezettingskosten. Meinoud Rost van Tonningen, de nsb-topman die in maart 1941 als president van De Nederlandsche Bank werd benoemd, bood in 1942 aan om goud te leveren voor de financiering van de strijd aan het Oostfront tegen de bolsjewisten en de joden. Zo verdween tussen oktober 1940 en februari 1945 145.650 kilo goud richting Reichsbank. Er was geen gram meer over.

De Reichsbank verkocht het goud uit de bezette landen om aan deviezen te komen die Duitsland nodig had om strategische grondstoffen en onderdelen voor de oorlogsindustrie te kopen. Zwitserse franken waren internationaal gewild als betaalmiddel en Zwitserland wierp zich op als de grootste afnemer van het nazigoud. In feite fungeerde Zwitserland als de financiële draaischijf van het Derde Rijk. Tot enkele weken voor de Duitse capitulatie in mei 1945 nam Zwitserland nog goud van de Reichsbank af.

Na de oorlog richtten de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk de ‘tripartiete goudcommissie’ (tgc) op om de gedupeerde landen te compenseren voor het geroofde goud. De tgc kreeg de beschikking over de resterende goudreserves van de Reichsbank, die soldaten van het Amerikaanse Derde Leger in april 1945 hadden aangetroffen diep in een zoutmijn bij Merkers, een slaperig dorpje in Thüringen.

Daarnaast droegen neutrale landen aan de tgc een klein deel af van het goud dat ze tijdens de oorlog van de Reichsbank hadden afgenomen. Na harde onderhandelingen kwam Zwitserland in het Akkoord van Washington van mei 1946 overeen om 250 miljoen Zwitserse frank, de tegenwaarde van 52.000 kilo goud, aan de tgc te leveren als vrijwillige bijdrage ‘voor de wederopbouw van Europa’.

In het Akkoord van Washington bedong Zwitserland ook dat het gevrijwaard zou blijven van toekomstige goudclaims. Zonder schuld te bekennen over hun rol als heler van roofgoud waren de Zwitsers voor altijd van de haak. Naderhand bleek dat de Zwitserse centrale bank zeven keer zo veel goud van de Reichsbank had afgenomen als de Zwitsers in het Akkoord van Washington toezegden om terug te storten.

Nederland kwam er pas later achter dat maar liefst 122.000 kilo van het geroofde Nederlandse goud via Berlijn in Zwitserland was terechtgekomen en het begon een achterhoedegevecht om een groter deel terug te krijgen. In Den Haag kregen de ministeries van Buitenlandse Zaken en Financiën er in de jaren vijftig en zestig slaande ruzie over. Alle diplomatieke en juridische pogingen ten spijt liep het op niets uit.

Zwitserland weigerde botweg te onderhandelen. De Zwitsers beweerden dat ze te goeder trouw gehandeld hadden, want ze konden niet weten dat het goud geroofd was, in Berlijn was omgesmolten en van vooroorlogse jaartallen was voorzien. Ze verwezen naar Rost van Tonningen die persoonlijk het goud van De Nederlandsche Bank aan de Reichsbank had aangeboden. En ze beriepen zich op de vrijwaringsclausule in het Akkoord van Washington. Juridisch was daar geen speld tussen te krijgen.

In september 1947 – de Marshallhulp kwam pas een jaar later op gang – behoedde de eerste goudteruggave door de tgc Nederland voor een bankroet. In de volgende jaren kwam het oorlogsgoud in tranches terug naar Nederland. Het totaal was uiteindelijk minder dan de helft van wat er was geroofd. De laatste restitutie was in 1998 ter waarde van twintig miljoen gulden. Dit bedrag werd door het kabinet geschonken aan joodse maatschappelijke organisaties. Dat jaar hief de tgc zichzelf op tijdens een slotconferentie in Londen. Nederland plaatste nog wel de kanttekening dat het zijn claim op Zwitserland behield, maar dat maakte geen indruk.

Op dat moment speelde de kwestie van het ‘joodse goud’ en de ‘slapende joodse rekeningen’ bij Zwitserse banken. Aangewakkerd door vooral Amerikaanse joodse lobbygroepen werd dit in de publiciteit breed uitgemeten en na grote internationale druk gingen de Zwitserse banken diep door het stof. Ze kochten de joodse claims af met 1,25 miljard dollar en een bijdrage van een half miljard dollar door de Zwitserse regering. Noch de banken noch de regering erkenden overigens dat ze ergens schuld aan hadden gehad.

Toen de onthullingen over het Zwitserse goud in de Britse media verschenen, stelden de toenmalige Tweede-Kamerleden Van der Ploeg, Van Oven en Wöltgens (allen pvda) eind 1996 vragen aan de ministers Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) en Zalm (Financiën) hoe het toch met die Nederlandse goudclaim op Zwitserland zat. De ministers antwoordden: ‘In het licht van de recente ontwikkelingen zullen de ondergetekenden onderzoeken of er thans mogelijkheden zijn om voldoening te verkrijgen voor de nog openstaande gedeelten van de Nederlandse claim (op Zwitserland – rj).’

Nederland kwam er pas later achter dat 122.000 kilo van het geroofde goud via Berlijn in Zwitserland terechtkwam

Daarna is er in de Kamer nooit meer iets over gehoord.

In navolging van de Amerikaanse Volcker-commissie en de Zwitserse Bergier-commissie ging ook in Nederland een commissie aan het werk om zich te verdiepen in afhandeling van geroofde joodse vermogens. In 2000 verscheen het ‘Eindrapport van de contactgroep tegoeden WO II’, Roof en rechtsherstel, opgesteld onder leiding van oud-minister van Onderwijs Jos van Kemenade. De financiële compensatie voor joodse vervolgingsslachtoffers kreeg de meeste aandacht in het rapport; een hoofdstuk ging over het gestolen goud van De Nederlandsche Bank dat in Zwitserland was terechtgekomen. Op de één-na-laatste pagina stond in Conclusie 24: ‘De claim van Nederland (op het niet-gerestitueerde goud van DNB – rj) is juridisch/volkenrechtelijk niet meer staande te houden. Bilaterale juridische stappen tegen landen waarin geroofd Nederlands monetair goud is terechtgekomen, zoals Zwitserland, Zweden, Italië, Spanje en Portugal, zijn onzes inziens evenmin haalbaar en worden dan ook niet aanbevolen.’

Het tweede paarse kabinet onderschreef de conclusies van het rapport en daarmee was het gedaan met inspanningen voor teruggave van het geroofde goud van De Nederlandsche Bank. Hier werd geen ruchtbaarheid aan gegeven.

In het Kamerdebat over het rapport ging de aandacht naar de vervolgingsslachtoffers en niet naar het oorlogsgoud in Zwitserland. De Tweede Kamer aanvaardde het rapport en stemde zonder het te beseffen in met de aanbeveling de claim op Zwitserland te laten voor wat die was. De Zwitsers volgden de ontwikkelingen in Den Haag overigens nauwgezet en haalden opgelucht adem. Dat wel.

In een bijlage over de teruggave van het Nederlandse goud schreef volkenrechtgeleerde Kalshoven in 2000 dat op morele gronden een beroep op Zwitserland gedaan kon worden. ‘De immoraliteit van het gedurende de oorlogsjaren willens en wetens aannemen van roofgoud’ kon volgens hem tegen de Zwitsers als argument worden gebruikt. Het bedrag dat Zwitserland in 1946 had uitgekeerd stond immers ‘in geen verhouding tot het voordeel dat het werkelijk heeft genoten door het uit bezette gebieden afkomstige goud te kunnen behouden’. Kalshoven beval het ‘openbreken’ van het Akkoord van Washington aan en een ‘ex-gratia betaling door Zwitserland’. Aan deze aanbeveling gaf het tweede paarse kabinet geen gehoor.

En zo is de teruggave van het goud van De Nederlandsche Bank, en van Nederlandse burgers die hun gouden tientjes hadden ingeleverd, in stilte van de politieke agenda gevoerd.

Het had ook anders gekund. Uit een Nederlands voorbeeld blijkt dat vrijwaringsclausules niet voor de eeuwigheid zijn. In 1952 sloot de Nederlandse overheid een deal met de nabestaanden van kunsthandelaar Goudstikker over de zogenoemde Goudstikker-collectie. De schilderijen kwamen in Nederlandse musea te hangen, de weduwe Goudstikker kreeg een schamele vergoeding en zag af van alle toekomstige rechten. Ondanks die vrijwaringsclausule willigde de Nederlandse staat ‘op morele gronden’ in 2006 alsnog het grootste deel van de claim van de nabestaanden in.

Nu zwitserland sinds kort enige populariteit geniet als voorbeeld voor een Nederlands uittreden uit de Europese Unie kan het geen kwaad de Zwitsers nog eens aan hun schaamteloze rol in de goudroof van nazi-Duitsland te herinneren en om aan te dringen op een (gedeeltelijke) genoegdoening. Het Tweede-Kamerlid Van Hijum (cda) stelde deze week Kamervragen over het Nederlandse goud dat nog steeds in Zwitserse kluizen ligt. Die vragen kunnen eindelijk helderheid verschaffen over waarom het tweede paarse kabinet dertien jaar geleden zonder enige ophef besloten heeft af te zien van een claim op 61.000 kilo goud met een huidige waarde van twee miljard euro.

Deze week verschijnt Fout goud van Roel Janssen, waarin de onthulling over het oorlogsgoud is verwerkt. Het boek is faction, een spannend verhaal gebaseerd op historische gegevens over de nazi-goudroof en de sleutelrol die Zwitserland hierin heeft gespeeld tijdens en na de oorlog. Vijftien gouden tientjes van zijn overleden grootmoeder zetten Elmer van der Breggen, een Afghanistan-veteraan, op het spoor om na te gaan wat er met het goud van De Nederlandsche Bank in de oorlog is gebeurd. Zijn speurtocht brengt hem in de bunkers en schuilkelders onder Berlijn en in de zoutmijn van Merkers waar het Amerikaanse leger in de laatste weken van de oorlog het nog resterende nazigoud ontdekte. Op zijn zoektocht naar het goud stuit Elmer op de verzwegen geschiedenis van zijn eigen familie, op de nalatenschap van de ‘zwarte weduwe’ Florrie Rost van Tonningen, op aanhangers van de neonazistische beweging Gouden Dageraad en op de macht van de Zwitserse banken. Het boek eindigt met een spectaculaire actie om goud van de Zwitsers terug te krijgen.


Fout goud van Roel Janssen (Uitgeverij Cargo): paperback € 19,90. E-book € 12,99.

Beeld: Amerikaanse soldaten vonden in april 1945 in een zoutmijn in het Duitse Merkers de resterende goudreserves van de Reichsbank (The U.S. National Archives and Records Administration/Nara)