Fout, tot ver na de oorlog

Nederland was veel fouter in de oorlog dan Loe de Jong dacht. Zo blijkt uit recent historisch onderzoek. De media-aandacht voor nieuwe onthutsende oorlogsfeiten is groot. We moeten nog steeds bevrijd worden van die ‘rotoorlog’.

AF EN TOE haalt een historisch boek of een schokkend historisch feit de voorpagina van de krant. Als zoiets gebeurt gaat het meestal over ‘zware misstappen’ van vooraanstaande landgenoten of van groepen landgenoten jegens joodse medeburgers of andere oorlogsgetroffenen. Indien een boek nieuws wordt, is dat vaak zorgvuldig voorbereid door de uitgever. Neem het kortelings verschenen Roof van de Amsterdamse historicus Gerard Aalders, het boek over de ontvreemding van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog. Aan de publicatie ging een persoffensief vooraf dat deed denken aan de ophef rond eerdere oorlogsboeken met een mogelijk explosieve lading. Niet alleen werd het gebruikelijke embargo afgekondigd, elke aanvrager moest ook zwart op wit verklaren niets uit dit boek naar buiten te brengen voor acht uur ’s avonds 8 mei. En het heeft gewerkt. Zij het dat de staatsuitgeverij door een ongelukje de regie op het laatst toch nog uit handen gaf. De bedoeling was dat het confronterende nieuws uit het boek - Nederlandse banken boekten forse winst met geroofde joodse effecten - zaterdagavond 8 mei exclusief door het televisieprogramma Nova zou worden gebracht. Maar doordat de uitgever het boek al op vrijdag aan de boekhandels had geleverd, was het nieuws al eerder op de zaterdag in de dagbladen te lezen. De feiten zijn inmiddels bekend: voorlopers van de huidige ABN Amro en ING verdienden minstens 22 miljoen gulden aan de illegale effectenhandel (huidige waarde: ruim 300 miljoen). En in het totaal is er voor 1 miljard (ongeveer 14 miljard naar huidige waarde) geroofd van de joodse bevolking. Het nieuws sloeg in als een bom. Nog de avond van de uitzending verklaarde de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Banken dat men de 1 procent extra winst die met de verkoop van de effecten was gemaakt, wilde 'terugbetalen’, dat betekent: bij afwezigheid van nabestaanden schenken aan 'een goed doel in de joodse samenleving’. Enkele dagen later werd bekend dat de bankarchieven onbeperkt opengingen voor onderzoek. Tot dan toe hadden deze potdicht gezeten en waren slechts enkele banken bereid inzage te geven aan de commissie-Scholten. Deze commissie onderzoekt in opdracht van de regering de houding van de banken bij het rechtsherstel van de joden na de bezetting. Naar aanleiding van het boek van Aalders kwam ook de commissie-Scholten zwaar onder vuur te liggen. Ze zou te makkelijk hebben geconcludeerd dat de banken weinig te verwijten valt inzake roof en rechtsherstel. Zo oordeelden althans verscheidene kranten in hun redactionele commentaar en zo oordeelde weer enkele weken later de Tweede Kamer. AALDERS’ BOEK, dat nog gevolgd zal worden door een deel over rechtsherstel en een over de goudroof, en het onderzoek van de Commissie Scholten staan niet op zichzelf. Er is ook nog het onderzoek van de Commissie Kordes naar de toedracht van de beruchte kleine Liro-roof, die in december 1997 en januari 1998 ons land in de ban hield; er zijn onderzoeken van de commissies Van Kemenade en Ekkart, over overwegend financiële kwesties met betrekking tot geroofd joods bezit en kapitaal; er is het recent verschenen boek van de journalist-historica Michael Citroen over de dramatische belevenissen van teruggekeerde joden in 1945 en de jaren daarna; en natuurlijk is er het van staatswege gefinancierde miljoenenproject: Terugkeer en opvang: een zaak van erkenning, het mega-onderzoek naar de ervaringen van de oorlogsgetroffenen van de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (Soto). Al deze grote en kleinere onderzoeken hebben al veel opwinding veroorzaakt en zullen ongetwijfeld nog meer commotie teweegbrengen. Soto belooft zelfs 'het medium televisie te gebruiken om de onderzoeksresultaten een brede verspreiding te geven’. Wellicht is een herhaling te verwachten van het soort berichtgeving dat de vondst van de Liro-archieven twee jaar geleden tot Liro-affaire opklopte. Die berichtgeving blonk niet door nuances. De Volkskrant schreef: 'Wie schenkt nu zijn vrouw de oorbellen van een jodin die in Auschwitz is vergast?’ Onderzoek naar '40-'45 en de nasleep ervan wordt momenteel bedreigd door een groot gevaar. Door toedoen van pers, publieke opinie en de lobby’s van slachtoffergroepen kan het al gauw ontaarden in een eenzijdige zoektocht naar alles wat niet deugde. Publicist Gerard Mulder wees daar al op in verband met het Soto-onderzoek, dat volgens hem maar één uitkomst kan hebben die voor de slachtoffers aanvaardbaar is. Namelijk: 'Nederland bestond ook na de oorlog uit een stelletje harteloze rotzakken.’ Het is een wat provocatieve uitspraak, maar ze legt de vinger genadeloos op de zwakke plek. De oorlog houdt ons land al sinds de jaren zestig in een geestelijke en emotionele wurggreep. Er is geen vergelijkbare historische gebeurtenis waaraan de begrippen goed en kwaad zo vaak zijn gerelateerd. Tijdens de oorlog zelf en de eerste vijftien jaar daarna viel het nog wel mee. De norm was simpel maar niet gespeend van realiteitszin: iedereen die niet fout was, was goed, meende men destijds. Vanaf eind jaren zestig tot eind jaren zeventig werd het begrip fout gepolitiseerd. Het leek of alleen de financiële en politieke elite ermee besmet kon worden. Niet toevallig veroorzaakten de zaak-Menten en de affaire-Aantjes respectievelijk in 1975 en 1978 grote opschudding. De eerstgenoemde was het voorbeeld van de vuile kapitalist die zich verrijkte ten koste van de joden, en de ARP-voorman was het levend bewijs dat het Haagse establishment niet deugde. Momenteel is het perspectief op de oorlog precies het tegengestelde van dat van de jaren veertig. Iedereen die niet goed was, was fout, luidt anno 1999 de hoogste wijsheid over de oorlog. Dat althans suggereren de dikwijls overspannen krantenkoppen en televisie-items. En dat beeld wordt onbedoeld ook in de hand gewerkt door de evenwichtige, zakelijke en eerlijke studies over deze periode die historici onder invloed van Niod-directeur Hans Blom schrijven, zoals het kortelings verschenen proefschrift van Guus van Meershoek waarin hij de weinig fraaie rol van Nederlandse politiekorpsen bij het opbrengen van de joden beschrijft. HET BOEK VAN Aalders komt op een moment dat Nederland zeer ontvankelijk is voor de boodschap dat we veel fouter waren dan Loe de Jong dacht. Het boek zelf bevestigt dat beeld, maar het levert ook andere inzichten. In de hoofdstukken over de twee Liro-verordeningen (de afkondigingen dat alle joden hun bezit moesten aangeven en afstaan) schrijft Aalders dat de bezetter voortdurend ontevreden is over het tempo van uitvoering. In juli 1942 richt een hoge Duitse beambte daarom een 'ernstige waarschuwing’ tot de banken en effectenbedrijven. Zij zouden hun 'verplichting tot inlevering vaak schromelijk hebben veronachtzaamd’. Een half jaar later, aldus Aalders, klaagt diezelfde beambte over een 'aanmerkelijk aantal gevallen, waarin de financiële instellingen de voorschriften ten aanzien van de inlevering van Joodsche vermogenswaarden niet in acht hebben genomen’. De hoge beambte - toezichthouder van De Nederlandse Bank - dringt aan op een 'angstvallige nauwkeurige nakoming’ en wijst op de hoge straffen die voor 'achteloosheid en ontduikingen’ kunnen worden opgelegd. Weer anderhalf jaar later, schrijft Aalders, 'is de zaak nog niet naar volle tevredenheid opgelost’. De bezetter blijft derhalve aandringen op naleving van de Verordeningen. Aalders concludeert dat 'de aanmaningen erop lijken te wijzen dat, althans een aantal bank- en effectenbedrijven, zich weinig coöperatief jegens de bezetter hebben gedragen’. Hoewel het natuurlijk ook kan zijn, zegt hij, dat de bezetter bewust de druk op de ketel heeft willen houden bij de banken. HOE HET OOK zij, het boek biedt niet uitsluitend het eenzijdige perspectief op 'goed-fout’ tijdens de oorlog dat de pers er uit heeft opgepikt. Sterker nog: de lezer die hoopt op het ene na het andere dramatische roofverhaal, komt van een koude kermis thuis. Aalders inventariseert als een boekhouder. Hij beschrijft de diefstal van joods eigendom van a tot z. En hij doet dat zo uitgebreid dat de lezer wel eens een paragraaf wil overslaan. Zo nu en dan plaatst hij in zijn zakelijke, systematische encyclopedie een gedragen zinnetje dat niet had misstaan in Pressers Ondergang. Maar in het algemeen beheerst Aalders zich. Het komt de kracht van zijn verhaal ten goede. Zijn boek laat zien dat het apparaat van de roofindustrie even schijnbaar terloops en welhaast stiekem is opgebouwd als dat van de vernietiging. Het is ook met een vergelijkbare leugenachtige schijn van legitimiteit en verordeningen omgeven. Aalders vraagt zich af 'of onteigening op zo'n grote schaal van een bevolkingsgroep had kunnen worden doorgevoerd, als de bankbedienden, ambtenaren en beursmedewerkers niet deze onpersoonlijke, bureaucratische en administratieve houvast, die de mogelijkheid bood er zich achter te verschuilen, was geboden’. Nederlanders zijn er - de echte schurken en rasopportunisten daargelaten - in de oorlog ingeluisd. Ze lieten zich dikwijls net iets te makkelijk bedriegen door de ordelijke en punktliche Oosterburen. Dat wisten we al uit Pressers Ondergang als het om de deportatie van de joden ging. Dat het in het geval van de centen, de sieraden en schilderijen niet anders was, weten we nu ook. Het is teleurstellend voor onze kijk op onze opa, oma, overgrootvaders en overgrootmoeders. Maar om te zeggen dat ze allemaal niet deugden omdat ze niets of weinig ondernamen tegen het kwaad, dat zou te makkelijke wijsheid achteraf zijn. Toch lijkt men momenteel de verleiding om vorige generaties aan te klagen nauwelijks te kunnen weerstaan. Naarmate de oorlog langer geleden is, wordt het openbare oordeel erover niet zakelijker maar juist emotioneler, meer moreel geladen en verwarder. De generatie van Loe de Jong wist nog precies wie er fout waren (de NSB'ers, Nederlandse SS'ers, Menten, Aantjes en twijfelgeval De Quay). Ze had ook een buitengewoon betrouwbare notie, vond ze zelf, van wie er goed was (de grote meerderheid). De huidige generatie weet het niet. Op uitzonderingen van onbesproken gedrag na, kan iedereen fout geweest zijn, zelfs tot ver na de oorlog, door bijvoorbeeld zich te weinig te bekommeren om zijn joodse buren. De warme deken die Loe de Jong over de oorlog gelegd heeft, bestaat niet meer. Beschreef de geschiedschrijver des rijks de oorlog doorgaans volgens een strak schema van goed en fout, tegenwoordige historici doen het anders. Ze kennen allerlei schakeringen tussen deze twee uitersten. Wel ligt het zwaartepunt van hun belangstelling bij 'fout’. Wie was er fout? Hoe fout was fout? Waardoor werd men fout? En hoe fout waren wij in vergelijking met andere landen? Dat zijn de vragen die gesteld worden bij onderzoek naar het gedrag van politieagenten, bevolkings- en spoorwegambtenaren, politici, burgemeesters, notarissen en bankemployées. En al wordt het allemaal nog zo zakelijk opgeschreven. Ongewild voorziet de geschiedschrijving in een behoefte aan te snelle en te gemakkelijke conclusies. Een onderduiker uit huis gestuurd. Fout! Geen ontslag genomen als spoorwegbeambte. Fout! Een joods weeskind katholiek opgevoed. Fout! DE VRAAG IS natuurlijk wat de oorzaak is van al deze strenge en onverbiddelijke oordelen. Allereerst is de preoccupatie met het kwaad uit het eigen verleden niet beperkt tot de oorlog. Vond men de westerse geschiedenis veertig jaar geleden nog superieur, inmiddels telt ze een respectabel aantal zwarte bladzijden - de kruistochten, de godsdienstoorlogen en de slavenhandel, om een paar voorbeelden te noemen. Maar in het geval van de Tweede Wereldoorlog gaat het om meer dan het besef dat het eigen verleden niet brandschoon is. Het gaat om een oninlosbare schuld aan de oorlogsslachtoffers. Een schuld die de generatie van wederopbouwers niet wilde dragen, een schuld die men in de jaren zestig en zeventig afschoof op de collaborerende elite. Door die schuld op ons te nemen kunnen wij hem wellicht ooit afwerpen. Het gaat om ons, de kinderen en klein- en achterkleinkinderen van de daders, weifelaars en ogen-dichtknijpers. Wij moeten bevrijd worden van die 'rotoorlog’. Vandaar de ontvankelijkheid van de media voor nieuwe, onthutsende oorlogsfeiten, vandaar de opgewonden toon in de kranten en vandaar onderzoek als dat van Soto dat slachtoffers erkenning belooft. Alle deining rond de oorlog komt uiteindelijk neer op een eindeloze boetedoening. We zijn en we blijven op herhaling in de hoop zo de oorlogsellende eens van ons af te kunnen schudden. Hoewel. Het leest natuurlijk ook wel lekker, al die narigheid. Per slot van rekening zijn we niet echt verantwoordelijk. We zijn alleen maar plaatsvervangend schuldig.