TONEEL

Foute grappen

Stand up

Jan Jaap van der Wal opende in 2007 zijn programma BSUR met de nachtmerrie van iedere comedian: een verrassingsoverval door een quasi-fan bij een pinautomaat, inclusief de bijbehorende categorische imperatieven: jij bent leuk! kom ‘ns hier! vertel een grap! Sander van Opzeeland, die voor het Zuidelijk Toneel het toneelstuk Stand up schreef, overkwam onlangs iets vergelijkbaars bij een radioprogramma, toen de presentator van dienst, overigens een ongelooflijke eikel met een gecapitonneerd bord voor zijn harses, vroeg of-ie nog een goeie grap paraat had. Komt-een-radiopresentator-bij-de-dokter was even geen optie, maar ik hoorde Van Opzeeland aarzelen.
Het barre land tussen behagen en irriteren is overigens wel het onderwerp van zijn stuk en van de voorstelling. Oorspronkelijk stond Comedians (1975) van Trevor Griffiths op de rol, een soort Idols voor biljartkomedianten in bruine kroegen, maar dat stuk bleek wellicht de baard te hebben van een platgetrappelde moppentrommel. Van Opzeeland handhaaft de structuur van het origineel: comedians die verder in het vak willen, doen mee aan een wedstrijd, we zien de laatste samenkomst met hun leraar, daarna de live optredens, en aansluitend de jurybeoordeling. De standuppers-in-opleiding worden gespeeld door de toneelspelers Dennis Rudge (de handige Antilliaanse bliksem Jerrel) en Martijn Fischer (zielenpoot-homo Gerald), beiden met een hoge dosis foute grappen. Jef Hoogmartens speelt mooi de opgelierde Ben Hicks-fan Alex, Remco Melles en Justus van Dillen doen een sneu komisch duo dat geen vijanden meer nodig heeft, en komiek Kees is een goeie rol van Mark Kraan, een kneus met een muts thuis die niet van de telefoon kan afblijven, maar hij heeft wel een act die ertoe doet. Hun leraar wordt gespeeld door acteur/comedian John Buijsman, een vakman aan wie je kunt zien dat het woord comédien al theatereeuwen lang staat voor een podiumkunstenaar die van alle markten thuis is.
Stand up behandelt eigenlijk de balanceeract die het ontstaan én het ontsporen van een goed verhaal is, het gaat zowel over leren timmeren als over de schoonheid van een goeie stoel, techniek en werking, behagen of ontregelen, het is niet zozeer een kijkje in de keuken van de komiek, als wel in zijn kop, zijn hart en zijn kloten. Maar in de kern is het dus een balanceeract, geen wellmade play, eerder een oefening in stamelen en struikelen. In die zin is het ook een goudeerlijke onderneming, omdat ze zich niet op virtuositeit laat voorstaan - hoewel er bij vlagen behoorlijk virtuoos wordt geacteerd. De wijze les van de leraar aan het slot is een stuk minder looiïg dan in Griffith’s Comedians (kort door de bocht: valt er nog te lachen na Auschwitz, en waarom dan?), maar ze is universeler, rechtstreeks verwijzend naar Gogol eigenlijk, de maestro van de wrange lach, de uitvinder van de paradox van de toneelopening als lachspiegel, wie lacht om wie, en waarom dan? John Buijsman speelt dat prachtig. Maar het ensemble als geheel (regie: Matthijs Rümke) verdient een pluim. Inclusief de echte standupper die, roulerend per avond, master of ceremonies is, jurylid en ledenpop van het commerciële clubcircuit, op de premièreavond was dat Henry van Loon die de zenuwen de baas werd met wel erg veel houtenklazerigheid. Ga kijken naar deze voorstelling, die in de geschreven media hier en daar wel erg hard werd afgeblaft in stukjes die volgens mij deel zijn van het misverstand waarmee dít stukje opent.
PS: Doordat ik in mijn verhaal over de voorstelling Branden vorige week anderhalve zin liet verdampen, wordt volstrekt ten onrechte de suggestie gewekt dat de toneelspeler Bright Omansa Richards een niet opgeleide amateur-acteur is. Waarvoor mijn excuses!

Stand up speelt nog tot 1 april overal in het land. www.zuidelijktoneel.nl