Foute keuze

Het is een terugkerend ritueel aan de vooravond van 4 mei: geharre­war over de invulling van de nationale dodenherdenking. Twistpunt dit jaar is de vraag of er ruimte bestaat voor het geluid van daders die eigenlijk ook de dupe zouden zijn – van de omstandigheden, foute keuzes, of wat dan ook – en daarmee grijze inkleuring geven aan een rigide goed-fout-denken.

Medium groene commentaar nieuwe leider 1

Het Nationaal Comité 4 en 5 mei vindt duidelijk dat er op die ­emotioneel beladen dag plaats is voor dit type ­‘oorlogsslachtoffer’, door te kiezen voor het gedicht met de weinig poëtische titel Foute keuze van Auke Siebe Dirk de Leeuw over zijn oudoom die zich aansloot bij ‘een verkeerd leger’. De oudoom, een Waffen-SS’er, gesneuveld tijdens de bevrijding van Berlijn, hoort formeel bij de doelgroep, zoals die is geformuleerd door het Comité: ‘Tijdens de Nationale Herdenking op 4 mei herdenken we allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties.’

Dat is rekkelijk te interpreteren – waar ook ter wereld omgekomen in de afgelopen 67 jaar – maar het is niet zo heel moeilijk te bedenken wie hier in de eerste instantie mee wordt bedoeld. Dat weet het Comité, en de keuze voor het ‘moedige’ gedicht van De Leeuw is dus een bewuste poging om te kijken waar de grenzen liggen. Voorspelbare reacties kwamen er meteen: het Centrum Informatie en Documentatie Israël (Cidi) kon het niet waarderen, het Auschwitz-comité dreigde met een boycot van de kranslegging op de Dam. Met als resultaat dat er een ander scholierenepistel wordt voorgedragen.

Maar belangrijker dan de ruzie over een paar dichtregels is dat de aanvankelijke keuze een onvermijdelijk gevolg lijkt van een veranderende herinneringscultuur. Sowieso is er de voortdurende worsteling om jongeren historisch besef bij te brengen. Ten tweede loopt aandacht voor het oorlogsleed tegenwoordig bij voorkeur via het individuele verhaal. Dagboeken, verhalen van overlevenden, persoonlijke herinneringen: ze vormen het uitgangspunt voor tentoonstellingen, onderwijs en lezingen. Tenslotte zitten we al enige jaren in de modus van het oprekken van slachtofferschap. Foute keuze sluit naadloos aan bij die drie ontwikkelingen.

Daarom kan de weerstand die de poëzie van De Leeuw opriep niet simpel worden weggezet als een geval van ‘lange tenen’. Evenmin volstaat het te geloven dat het Comité ‘de beste bedoelingen’ had. Hier is wel degelijk een strijd uitgevochten over de fundamenten van ons denken over de Tweede Wereldoorlog.

De voorlopige uitkomst – geen prominente plaats voor daders bij de nationale herdenking – is de meest wenselijke. Het is een stap op weg naar het terugbrengen van die monumentale gelegenheid tot haar essentie. En dat was hard nodig. De wens geschiedenis ‘persoonlijk te maken’ leidt tot malligheden waarbij scholieren bijvoorbeeld moeten nadenken over de vraag of zij wel of niet in het verzet zouden zijn gegaan. De stelling dat ‘iedereen een beetje slachtoffer is’, maakt het verleden tot een amorf geheel dat het aan betekenis ontbreekt.

Laat 4 mei kortom gaan over het herdenken van de slachtoffers van nazigeweld in de jaren ’40-’45, eventueel als symbool van ander oorlogsleed. In ieder geval zolang er nog mensen op de Dam staan – of thuis voor de tv zitten – die zich die jaren herinneren.