Foute vader

Trude de Jong, Een verboden kind. Uitgeverij De Harmonie, 205 blz., f 27,50
De omslag van Een verboden kind geeft een mooi beeld van waar het verhaal over gaat. Op de voorgrond staat een zoet meisje in bloemetjesbloes en handgebreid vest, een enorme strik op het hoofd. Achter haar rug in de keurige straat met rijtjeshuizen staan mensen naar haar te loeren: twee smoezende kinderen en een vrouw achter de gordijnen.

Het is 1954 en de tienjarige Erica moet overeind zien te blijven in een omgeving die haar om onverklaarbare redenen vijandig gezind is. Iedereen behalve Erica schijnt het te weten: haar overleden vader was een Duitse soldaat, haar moeder noemen ze een ‘moffenhoer’. Op school wordt ze getreiterd en nagewezen, het moeizaam veroverde vriendinnetje mag plotseling niet meer met haar spelen en de slager jaagt haar zijn winkel uit.
De kern van het probleem is precies getroffen in de scene waarin Erica na de aubade bij het tienjarig bevrijdingsfeest een beker krijgt waarop een soldaat staat afgebeeld met een meisje op zijn arm: 'Dat kleine meisje bofte. Die zat op haar vaders arm. De arm van een goede soldaat.’
Zoals in De Jongs sterkste boek Aram en de bende van de boomstam (1984) toont de schrijfster ook hier haar begaanheid met een kind dat bloot staat aan de ellende van gepest worden, omdat het is gebrandmerkt als buitenbeentje. Zonder echt diep te graven heeft ze de hoofdpersoon mooi neergezet in haar onzekerheid, haar groeiende isolement en argwaan tegenover alles en iedereen. Erica weet dat er een geheim is, maar blijkbaar is dat zo groot dat haar moeder en tante, die samen voor haar zorgen, er niet over willen of kunnen praten. Haar fantasieen creeren eigen antwoorden op de nooit gestelde vragen, die uitgroeien tot een obsessie. Pas wanneer de familie zich losmaakt van de verstikkende Haagse buurt om een pension in Scheveningen te beginnen en wanneer de moeder haar dochter in vertrouwen neemt over haar 'verboden’ liefde, komt er ruimte voor een nieuw begin.
De Jong geeft een gedetailleerd beeld van de benauwde jaren vijftig, toen moeder achter de trapnaaimachine zat, een kind figuurzaagde en de plaatjes bij de kauwgum spaarde en de radio eerst warm moest worden voor je naar Het klokje van zeven uur kon luisteren. Ze schetst de tijd zonder auto, koelkast, douche of televisie, toen Nederland zich terugtrok met een kopje thee en een kaakje onder de lamp boven de eetkamertafel, om daar de ongerechtigheden in de maatschappij door te nemen.
De schrijfster baseerde haar verhaal op gesprekken met volwassenen die de beschreven narigheid aan den lijve ondervonden. Ze wil duidelijk een bijdrage leveren aan het doorbreken van een nog altijd zwaarwegend taboe. Ze doet dat voorzichtig en bescheiden, op een manier die ondanks de precieze achtergrondtekening maakt dat het gevoel van eenzaamheid en uitgestoten zijn de specifieke situatie overstijgt. Ook voor lezers (vanaf een jaar of tien) die zich op andere gronden een outcast voelen, zal het verhaal waarschijnlijk herkenning en houvast te bieden.