Fraai vlaams

Ook bijrollen kunnen onsterfelijk worden. Herdenken wij Sacco van der Made die de domme politiechef in Q en Q van een onvergetelijk lachje voorzag waarin gans het wezen van de rol besloten lag. En Swiebertje bereikte toppen als hij dolde met Malle Pietje - kleinood van een rol (Piet Ekel). Sinds kort kent Nederlandstalig drama een tweede klassieke Pietje: ‘de Leugenaar’, schepping van Guido van Meir en briljant gespeeld door Dirk Roofthooft in Terug naar Oosterdonk (BRT/KRO).

Van dezelfde Van Meir was recent een tv-spel te zien bij de Ikon in Eric Oosthoeks reeks Over de liefde. Oosthoek verdient een zetel in de dramahemel, al was het maar vanwege de redding van het single play, dat hij tegen de klippen op met minimumbudgetten overeind hield middels een oplossing als de monoloogreeks Oog in oog. Als iemand auteurs kansen geeft en hen tot het - hun vaak vreemde - medium verleidde, is hij het. Bovendien is hij als regisseur een bekwaam, zij het calvinistisch pleitbezorger van dat werk, hoe wisselvallig het pakket scenario’s ook is.
Van de lopende reeks ben ik niet stuk. Geen monologen, wel Kammerspiel-bezetting, maar te veel scripts blijven steken in de anekdote of zijn te afhankelijk van een clou. Zo ook Van Meirs Haar aanblik is mij welgevallig, waarin de bedrieger bedrogen blijkt wanneer ‘zijn’ jongborene zwart is, in tegenstelling tot mama en hijzelf.
Nee, dan Oosterdonk - een reeks vertellingen met betekenis en diepgang. De thematiek is universeel: de wereld van onze jeugd bestaat niet meer, hoeveel heim- of tijdwee we er ook naar hebben; de breuk met vroeger wordt nog verhevigd door de overgang van traditionele naar moderne, van agrarische naar industriële maatschappij. Dat alles gesitueerd in een Vlaams Ruigoord, ondergespoten voor havenuitbreiding. Het 'nu’ is de begrafenisdag van de vader van een der hoofdpersonen.
Origineel is dat niet: begraven is aanleiding tot reünie, tot herinneren, tot vragen naar de zin, of minstens de kern van het leven van overledene en indirect van de levenden - kortom, gefundenes dramaturgisches Fressen. Maar het werkte. Van Meir schiep personages van vlees en bloed ergens tussen realisme en mythe in, zoals ook hun lotgevallen van alledaags tot bizar waren zonder ongeloofwaardig te worden.
Neem genoemde Pietje, oud-zeeman, Von Münchhausen, dorpsgek, kinderheld en bovenal verdediger van het dorp tegen ingenieurs en technocraten. De man is een wonder van verbale begaafdheid en meester in metaforen waarmee hij zowel het kwaad van de sterken als het opportunisme van kortzichtige meelopers en profiteurs geselt.
Pietje is te briljant om bestaan te hebben (Van Meir liet zich inspireren door herinneringen van zijn ouders aan ware personen) maar dat wordt acceptabel omdat je Pietje ziet door de ogen van een tienjarige voor wie de wereld deels magisch is. Dat de oude dorpsschoolmeester amateurfilmer was, is ook een vondst: bij de 'koffie na’ vormen zijn filmpjes het organische begin van flashbacks. Hilarisch het dorpscafé: wanneer de oude eigenares en haar geldbeluste schoondochter botsen, wordt de ruimte door een denkbeeldige lijn in tweeën gedeeld, elk met een eigen inrichting en klandizie: materiële metafoor voor traditie en moderniteit. Fraaie Vlaamse bijdrage aan de rij van Heimat en Tijd van leven.