Fraaie treurigheid

Als je van een festival als dat van Berlijn alle films zou willen zien, zou dit megalomane festijn zeker vier maanden moeten duren. Dat klinkt overdreven, maar de rekensom is eenvoudig en overtuigend: met goed fatsoen kun je zo'n vijf films per dag zien en de programmas van alle secties te zamen bevatten ruim zevenhonderd films.

Het zich in de schaduw afspelende videofestival (overigens een officieel onderdeel van de Filmfestspiele) en de vele gespreksonderdelen zijn dan nog niet eens meegeteld. Laat staan dat je de uren zou tellen die je in Berlijn kunt doorbrengen op ontbijtontvangsten, feestelijke lunches, formele borrels, deftige etentjes en landerige dansavonden. De gedachte dat zelfs de absoluut bezetene die de elf dagen van het festival van de eerste tot en met de laatste voorstelling permanent in de vertoningszaal doorbrengt toch lang niet alles kan zien, werkt eigenlijk zeer geruststellend. Het feit dat het festival zo is georganiseerd dat je per definitie meer mist dan je kunt zien, geeft de vrijheid een volledig persoonlijk pad door het Berlijnse filmoerwoud te hakken.
En het pad dat ik koos had een extra hoeveelheid gemiste films tot gevolg; het leidde namelijk langs een aantal lange, dubbellange en extreem lange films. Jacques Rivette leverde na een tour de force een film af van royaal vijfeneenhalf uur over het leven van Jeanne d'Arc. Zijn Jeanne la Pucelle is een zorgvuldige, originele en ontnuchterende verbeelding van het mythische leven van een meisje van eenvoudige afkomst dat zich aan het hoofd van een leger weet te stellen en de Engelsen lik op stuk geeft, om vervolgens als heks op de brandstapel te belanden. De Jeanne van Rivette lijkt in niets op die van grote klassieke meesters als Dreyer, Bresson en Rossellini, en dat maakt al de helft van zijn krachttoer uit. De andere helft wordt gevormd door de eenvoud en natuurlijkheid waarmee hij die vreemde middeleeuwse wereld van huursoldatenen inquisiteurs tot leven wekt. In de behandeling van de vechtscenes met geharnaste ruiters blijkt Rivette het generaalsoog van een Kurosawa te ontberen, maar de min of meer bewuste onhandigheid hiervan voegt zich goed bijde onvoorstelbaarheid van dit toch nagenoeg waar gebeurde verhaal.
Een andere oudere Franse meester, Alain Resnais, leek met bravoure zijn kunnen te hebben willen demonstreren door in een klap twee films te maken die als een paar handschoenen bij elkaar horen. Samen zijn de films Smoking en No Smoking goed voor ruim viereneenhalf uur kijkplezier. Resnais baseerde zijn film, of zijn films, op een reeks toneelstukken van Alan Ayckbourn (Intimate Exchanges). Beide films beginnen gelijk, maar op het moment dat de hoofdrolspeelster al of niet toegeeft aan de verleiding om een sigaret op te steken, verlopen de twee films volgens een geheel verschillende serie varianten. De films zijn licht, geestig en gekunsteld en vooral razend knap gemaakt. Alle rollen worden verbluffend veelzijdig gespeeld door slechts twee acteurs: Sabine Azema en Pierre Arditti.
Mijn langste en tegelijkertijd mooiste en indrukwekkendste filmzit in Berlijn was de zeveneneenhalf uur bij Satantango van Bela Tarr. De Hongaar Tarr heeft een reputatie opgebouwd met mooie, langzame en melancholieke zwartwit-films en met deze laatste film overtreft hij in alle opzichten wat hij eerder aan fraaie treurigheid presteerde. Gedurende een dag wordt de toeschouwer opgenomen in een wereld die ondanks duisternis, kou, aanhoudende regen, verraad, liefdeloosheid en dood van een ademstokkende schoonheid is.
Mooi aan het grootheidswaanzinnige festival van Berlijn is dan toch weer dat ondanks de concurrentie van zevenhonderd andere films de forse zaal zowel aan het begin als aan het eind van de voorstelling van Tarrs meesterwerk goed vol zat. Dat is het paradoxale van zon uitzinnig filmfeest, want als deze film nu eens de enige was die er in de stad zou draaien, zou het kunnen dat er geen hond op af kwam.