Fraaie weglating

Deze versie van Hamlet is te zien op het Internationaal Theaterschool Festival op 21 en 22 juni in Frascati 3 te Amsterdam.
Het kunstcliché, kent u dat begrip? Voor de zoveelste keer naar De nachtwacht, weer die eerste maten van Beethovens Vijfde, nog eens huilen bij The Sound of Music. Het toneel kent ook zo'n kunstcliché: de vijfenvijftigste versregel uit de eerste scène van het derde bedrijf in Shakespeares Hamlet: ‘To be or not to be, that is the question.’

De concentratie op hoe hij deze keer is vertaald en hoe hij uitgesproken zal worden, neemt vaak de aandacht weg van waar die monoloog eigenlijk over gaat: zelfmoord overwegen, maar meteen nadenken wat er eigenlijk achteraan komt. Het meest brutale antwoord op het kunstcliché van deze monoloog zag ik onlangs: die eerste zin werd gewoon weggelaten. Ik denk niet dat Shakespeare zich in zijn graf heeft omgedraaid. Hij zou blij geweest zijn, hij was immers al eerder postuum wanhopig geworden over het feit dat die eerste regel een monument van zichzelf is geworden. Laat hem gewoon weg en de toeschouwer krijgt geen kans om zich te verkneukelen over het cliché. Het publiek wordt aan de oren bij de les getrokken.
De vondst is van een viertal acteurs (Rutger le Poole, Roelant Fernhout, Dimme Treurniet en Ad Knippels) die (met regisseur Ivar van Urk van de formatie Het Oranjehotel) hebben besloten om met Hamlet, het stuk-der-stukken, af te studeren aan de Amsterdamse Toneelschool. Ze hebben meer brutale ingrepen in de knip. De verschijning van de geest van Hamlets vader zit letterlijk in het hoofd van de jonge koningszoon. Het toneelstuk-in-het-toneelstuk (waarmee Hamlets stiefvader wordt ontmaskerd als koningsmoordenaar) wordt niet getoond, we horen alleen Hamlets commentaar. Rosencrantz en Guildenstern, twee spionnen van stiefvader Claudius, worden hier gespeeld als zuipende voetbalsupporters. Wanneer Hamlet in het tweede bedrijf zijn beroemde toespraak (‘Wat een meesterwerk is de mens’) tegen hen afsteekt, staan R & G erbij als twee boerenlullen.
Dat het hele stuk door vier mannen wordt gespeeld, ben je na vijf minuten vergeten. Dimme Treurniet trekt een rood regenjack aan en wordt Ophelia. Zelden heb ik de waanzin na haar vaders dood zo helder en ontroerend zien spelen. Roelant Fernhout doet een lichtblauw jasje aan, houdt verontschuldigend zijn hand voor de mond en is meteen koningin Gertrude. Ad Knippels slaat een sjaal om of trekt een colbert aan en oogt geloofwaardig als Polonius of Claudius. De beroemde schermscène aan het slot van het stuk wordt uitgevoerd met levensechte rapieren, maar er wordt geen seconde geschermd. De werkelijke slotscène, de sleutel tot Hamlet, heeft dan immers al plaatsgehad. Rutger le Poole (Hamlet) en Roeland Fernhout (Horatio) maken van die dialoog tegen het eind van het vijfde bedrijf een juweel. Hamlet: 'Ik tart alle voorgevoelens. Er valt geen mus of het is zo beschikt. Gebeurt het nu, dan gebeurt het later niet - als het later niet gebeurt zal het nu gebeuren - en indien nu niet, dan toch ooit een keer. Bereidheid is alles.’ Het grote en ook een tikje potsierlijke sterven daarna is een nummer dat plichtmatig moet worden afgewerkt.
De vormen in deze voorstelling zijn eenvoudig. Het decor bestaat uit bierkratten en een ijskast. Lijken vallen er niet, de kledingstukken van de slachtoffers worden op de grond gelegd - wat de begrafenis van Ophelia tot een ontroerend hoogtepunt maakt. Er is keiharde muziek, en zelfs de stroboscoop wordt effectief gebruikt.
Maar het belangrijkste is dat deze Hamlet zeer emotionerend is. We voelen de pijn van een joch dat aan de universiteit van Wittenberg zo veel vermogen tot twijfelen heeft opgelopen dat hij te teer en te intelligent is voor het politiek bedrijf van Denemarken - een opvatting die Bertolt Brecht altijd al over het stuk heeft gehuldigd. Dat de vijf aktes worden ingeleid met frontberichten over de Noorse veldheer Fortinbras, die pas in de slotscène optreedt maar die als een militair spook door het stuk zwerft, is trouwens een fraai vervreemdingseffect.