LAURA BROEKHUYSEN, HELLEND VLAK

Fragiele acrobatiek

Laura Broekhuysen, Hellend vlak, € 18,95
Laura Broekhuysen, Hellend vlak, € 14,95 (e-book)

De recensie op deze plek van Laura Broekhuysens debuut Twee linkerlaarzen (2008) eindigde met de aansporing aan Broekhuysen om een verhaal te leren vertellen en het gebruik van symboliek te onderdrukken. Een zinnig advies, want hoewel het debuut een wonder van stilistische eigenzinnigheid was, leed het ook onder een ongerichte, soms ondoordringbare verhaallijn die te vaak alle kanten op dwarrelde.

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: Broekhuysen heeft zich niets van dit welgemeende advies aangetrokken en gaat ook in haar tweede boek, Hellend vlak, haar eigengereide en onnavolgbare gang.
Stijl gaat voor alles in Broekhuysens poëtica. Dat wrijft ze ons vanaf de eerste pagina met overrompelende kracht in: ‘Per abuis snokken ze bijna zo'n wiebelig armpje af, het kind kokt, gorgelend, ze lacht, gilt en trapt haar benen de lucht in, de adelaar ziet het gelige eelt onder haar voeten - wie van het volkje heeft haar geleerd dat een voetzool de enige zool is die niet slijt maar opdikt?’
Heerlijk om te lezen en te herlezen, dit lichtvoetig rondtrippelend proza dat opgetuigd is met klinkende archaïsmen (snokken, kokt) en observaties (voetzool is de enige zool die niet slijt maar opdikt). Maar riskant proza ook, want als het niet gestut wordt door een verhaal, dan ligt maniërisme al gauw op de loer en wordt het een non-communicatieve en hermetische stijloefening. De achterflap vat het boek samen als een rechttoe rechtaan-verhaal over een meisje, Liedewijde, roepnaam Liet, geboren in een IJslands fjord, waar ze samenwoont met haar ouders (musici) en broers. Het dramatisch gegeven bestaat uit een vader die zijn dochter Liet zo veel mogelijk van de bewoonde wereld wil afschermen, een moeder die hierdoor met de vader in een permanent conflict leeft, en een kind dat tussen de strijdende partijen instaat.
In de tekst krijgt dit prozaïsch drama echter moeizaam reliëf doordat uitdieping is voorbehouden aan de zelfverliefde stijl. De personages en het verhaal zijn eerder een onderstroom in het boek en niet de inzet van een engagerend relaas.
Broekhuysen schetst een sprookjeswereld met dreigende bossen en geruchten over trollen. Liet is het feeërieke uitvloeisel hiervan: een sterk auditief ingesteld kind met de gave voor synesthesie, en begiftigd met een springerige verbeelding die perfect samenvalt met de springerige formuleringen. In haar beschrijving van Liet en haar wereld gebruikt Broekhuysen taal die muziek lijkt te willen naderen. Binnenrijm, alliteratie, ritmische opsommingen - Broekhuysen put alle stijlmiddelen uit om muziekstukjes op papier te krijgen. 'Daar zat ze in het halfdonker naar de wiebelende webben liggen kijken, naar de klapvallen waarin de gevangen motten hangen te rotten.’
Nogmaals: mooi en knap gedaan, maar waar het naartoe moet leiden blijft een raadsel. Misschien is het wel de dubbele achtergrond van Broekhuysen (musicus en kinderboekenschrijfster) die zich hier wreekt. Te zeer gericht op de klank van woorden en hun tonale samenspel? En zwelgt ze niet te veel in de logica tartende binnenwereld van een kind om zo een heldere verhaalconstructie te vermijden?
Het boek ontstijgt op schaarse momenten de vrijblijvende taalacrobatiek als het laat zien hoe fragiel de huisvrede is in dit wonderlijke gezin. Zo beschrijft Broekhuysen een aanvaring tussen de ongrijpbare vader, Edward, en een van de zoons, Pauk. 'Alles wat een vader een zoon te bieden heeft is onverteerbaar, het blijft voor altijd bij je tot het je ziek maakt’, voegt Edward zijn zoon Pauk toe. Een simpele, maar effectieve uitspraak die het karakter van de vader dieper etst dan de onontwarbare woordenstroom die er pagina’s aan voorafging. De vader krijgt nog meer uitspraken in de mond gelegd die hem psychologisch tot het meest interessante karakter van het boek maken. De rest, van Liet en de moeder tot de broers, lijkt bedolven onder een dikke laag taal die vooral de aandacht op zichzelf gericht wil houden.
En waar wil het precies heen, deze taalexercitie? Wat kunnen scholieren in hun uitreksel van dit boek keurig als de moraal vermelden? Uiteraard leent zo'n complex boek zich niet voor een eenregelige versimpeling, maar welke formulering zou het idee achter dit boek kunnen naderen? Er wordt spaarzaam gehint naar de moeizame rol tussen ouder en kind, en hoe de eerste de laatste altijd vormt, met gewild of ongewild resultaat. Maar erg pregnant is dit niet verwoord. Een parabel die iets over de huidige menselijke conditie wil beweren is het ook niet, want daarvoor mist het de laag die aan onze wereld raakt. Iemand met minder geduld had misschien wel gewoon geconcludeerd dat het boek van de eerste tot de laatste pagina uit zompige mooischrijverij bestaat en had zich de moeite bespaard om er iets wijs uit te worden. Maar de mogelijkheid moet opengelaten worden dat Broekhuysen wel degelijk de lezer met iets wil belonen voor zijn tijd en moeite. Als die beloning niet in de kern van de tekst ligt, maar juist aan het oppervlak, in de schittering van haar taal, dan is het uiteindelijk een magere. Zeker, Broekhuysen kan fantastische zinnen schrijven, maar van een boek verwacht je meer dan alleen een staalkaart van stilistisch kunnen. Daarom staat het advies dat ze in de bespreking van haar debuut kreeg nog steeds: Broekhuysen moet leren om een verhaal met kop en staart te vertellen.