Ger Groot

Fragment

«Dijen vlechten zich rond dijen», schreef de Ionische dichter Anakreon van Teos in de zesde-vijfde eeuw voor Christus. Van het hele gedicht zijn alleen deze woorden overgebleven. Onder de titel Liefdesknoop werden ze opgenomen in de bundel archaïsche Griekse lyriek De gouden lier, bezorgd en vertaald door Paul Claes en zoals altijd oogstrelend uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep.

In de woorden wordt een mooi liefdesbeeld opgeroepen door een dichter die – ten onrechte, schrijft Claes – geïdentificeerd wordt met weke poëzie van het goede leven. Maar wat moeten we met zo’n fragment, dat de titel «gedicht» niet eens dragen mag? Levert het iets van poëtische waarde op?

Wat voor Anakreons woorden geldt, geldt voor meer flarden tekst in deze bundel. Minder nog dan ruïnes zijn het brokstukken van voorgoed teloorgegane werken. Was het gedicht een echte tempel geweest, dan waren de resten al lang verwerkt in huizenbouw of wegenaanleg. En misschien geldt voor de woorden wel iets dergelijks. De liefdesknoop van Anakreon is een topos geworden in de erotische poëzie, naar de bron waarvan niemand zich meer de moeite geeft te vragen.

Was Anakreon er de oorsprong van? Daarover valt volgens Poppers voorschrift van de falsificeerbaarheid van alle kennis alleen zekerheid te krijgen als het niet zo was. Wie een ouder fragment met hetzelfde beeld vindt, heeft de originaliteit ervan voorgoed ontkracht. Maar oorspronkelijkheid is een romantisch vooroordeel, dat de kunstenaar rusteloos laat streven naar het nieuwe en het oude reduceert tot de grondstof daarvan. Het bracht Nietzsche, romanticus tegen wil en dank, tot de overtuiging dat wij slechts kunnen scheppen als vernietigers.

Vandaar misschien de aandacht voor het ruïneuze in de Romantiek. Terwijl de schilderkunst zich verlustigde in de resten van paleizen en vervallen kathedralen kwam in de poëzie het fragment in de mode. Het was opnieuw Nietzsche – wiens oeuvre voor een belangrijk deel uit zelf gewilde brokstukken bestaat – die de kampioen werd van een honderd jaar eerder onder dichters en denkers begonnen gevoeligheid. Het fragment werd het symbool van een artistieke en filosofische verbeeldingskracht die moest worden afgelezen aan haar dynamiek, niet aan haar resultaten, die als uitgebluste sintels achterbleven.

Zo kreeg de broksgewijs overgeleverde literatuur van de vroege oudheid opnieuw zijn charme, nu niet ondanks maar dankzij haar vernieling. Haar lacunes zorgden bovendien voor een raadselachtigheid waarin de romantische fantasie zich graag ontplooide. Ze werden de bergplaatsen van het wereldgeheim, dat ook moderne dichters als Eliot en Mallarmé graag in witplekken verstopten.

De Grieken zelf, onromantisch en zelfs oppervlakkig als zij volgens diezelfde Nietzsche waren, zouden er weinig van begrepen hebben. Hun stijl prefereerde de volmaaktheid van de afronding en schuwde het geschonden fragment. Zij zochten schoonheid, niet het getourmenteerde sublieme. Maar zie dan hoe in De gouden lier onder de hand van de tijd een klein wonder ontstaat. Aan Simonides van Keos (uit dezelfde tijd als Anakreon) wordt een passage toegeschreven die Claes de titel Ele gisch fragment meegeeft. Het bezingt de kortstondigheid van de jeugd, die in haar dwaasheid niet wil zien hoe weinig tijd haar toegemeten is: «Zolang een sterveling de bloem der jaren koestert,/ droomt hij lichtzinnig van veel wat onmogelijk is.»

Dan, luttele regels voor het einde, komt de wending: «Dwaas zijn zij die zo denken zonder te beseffen/ hoe kort de jeugd is en hoe kort de levensduur/ van stervelingen. Weet wel dat het einde nadert.» En vervolgens, in de laatste regel, komt er weer een wending, die eraan herinnert dat dit memento mori resoluut vóórchristelijk is: «Verdraag het lijdzaam en geniet van elk geluk.»

De tijd heeft het gedicht gebroken en schiep van de weeromstuit een nieuwe volmaaktheid. Achttienhonderd jaar avant la lettre vormt het fragment in bijna alles de aankondiging van het sonnet. Met zijn dertien regels komt het er nog maar één te kort.