Verhaal

Fragment uit een nagelaten manuscript

Woensdag 27 juli

W. brengt mij een eind langs de Kromme Rijn. Prachtig pad door Amelisweerd en Rijnouwen. Een van beide huizen is gekraakt en vormt de kern van het verzet tegen de aantasting van het landgoed door een snelweg (de doorbraak viel erg mee, dank zij de actie?). De ontdekking van dit jaagpad in mijn studententijd was onvergetelijk, het was in die tijd nog veel rustieker (ik heb toen een nacht geslapen op hooiberg van een aanliggende boerderij). Bij Rijnouwen ging W. weer terug.

Door naar Bunnik. Bezoek aan R. die juist bezig was met de koffietafel (hij was alleen, zijn vrouw was op een reisje). Mijn poging het stuk over de godheid te vertellen leidde tot het gewone gepriegel (aantonen uit allerlei historische feitjes van volkje zus of volkje zo). Verder heel aardig. Hij vertelde over zijn dochter. Toen hij haar, lopende langs de Kromme Rijn op een idyllisch boerderijtje wees tegen de achtergrond van moderne bouw, zij zei: «Laten ze het maar gauw afbreken, dan geeft het ons geen nostalgie meer», en daarop was zij begonnen te huilen. Bewijs van haar overgevoeligheid.

De weg vervolgd. Dicht voor Odijk lang gesprek met een geheel in het wit geklede Jezusachtige figuur met baard en zonder tanden, glimlachend voortschrijdend over het pad. Hij bleek een aanhanger van een moderne oosterling die de wedergekomen christus beweerde te zijn, wat zijn aanhangers geloven. Alle techniek (auto’s en zo, die op korte afstand langs ons heen raasden) was de duivel, die de hele mensheid in zijn greep had. De boel was voor de tweede keer mis gegaan doordat Mozes toen hij teneinde de dorst van de Joden in de woestijn te lessen op bevel van God tegen de rots moest slaan, dit twee keer had gedaan en daarmee, net als Eva, een goddelijk gebod had overtreden. Tot straf mocht hij daarom het beloofde land niet binnengaan. Daarom was het met Christus ook zo beroerd afgelopen. Zo had hij nog tal van voor mij nieuwe bijbelse constructies, maar daarbij zo snel van de hak op de tak springend dat ik ze niet heb onthouden. Meteen daarna had ik ze moeten opschrijven. Een waarschuwing voor later.

In Odijk verdwijnt het jaagpad en kun je, een paar bochten omgaand, het begin of het eind van de Langbroeker Dijk bereiken die rechtlijnig veel kilometers langs de Langbroeker Wetering een mooi gebied doorsnijdt met een aantal kastelen en buitenplaatsen. Na een paar uur wandelen langs de sloot, waarop allerlei watergevogelte, kwam het eerste echt middeleeuwse kasteel in zicht. Sterkenburg, imponerend uit zijn gracht oprijzend. Schuin daartegenover een boerderij met een bordje: verse eieren. Daar de eiertruc toegepast. De boerin moest er om lachen en was bereid er acht voor mij te koken. Ondertussen vroeg ik naar het kasteel. Het was bewoond door allerlei volk want de eigenaar verhuurde een aantal kamers. Hij woonde er zelf ook. Ze gaf mij een glas melk, was druk met kinderen in de tobbe af te boenen, onder groot lawaai en gesputter.

Dat kasteel leek mij wel. Naderbij komend trof mij een ontstellende staat van verwaarlozing. Dakloze bijgebouwen, afgedankte voertuigen en werktuigen, een plantage waar de mensenhand sinds lang niet meer deel aan had gehad.

Ik liep de klepperende planken van de ophaalbrug over, klom de trap op, ging de openstaande deur binnen en bevond mij in een grote hal waar evenmin sinds jaren een hand naar uitgestoken was: de vloer grijs van het stof, het stucwerk van de muren op vele plaatsen losgelaten of gescheurd, de brede, in het midden opgaande trap kaal en vaal, alles even troosteloos. Ik klopte aan een grote deur van een kamer waar ik door de ramen van buiten af een vrouwelijke figuur meende te hebben gezien en inderdaad kwam er een bekoorlijk wezen tevoorschijn die op mijn voorstel een slaapplaats te krijgen en daartegenover uit mijn werk voor te lezen onmiddellijk «in» was. Maar, zei ze, de eigenaar moet het goed vinden. Ik woon hier nog maar kort. Ze wees mij een bank in de hal aan en bracht alvast thee. Een tijdje later kwam er een tweede, enigszins alternatieve figuur, dus ook een huurder, die op verzoek van het meisje naar boven ging om de eigenaar, die waarschijnlijk te bed lag, te vragen. Na een tijd wachten kwam deze ook werkelijk naar beneden, een oude of in elk geval ouduitziende man, enkel in een broek gekleed, het hele lijf rimpelig en door de zon gebruind. Hij stelde zich voor, zei dat hij ziek was en moe en dat de romantiek uit zijn leven verdwenen was, dat daar ook geen plaats meer voor was. Kortom, hij weigerde. Ook bij een van de huurders overnachten stond hij niet toe. Zich excuserend klom hij moeizaam weer de trappen op naar zijn bed. Later hoorde ik dat hij een Amsterdamse man was die het kasteel indertijd voor een miljoen had gekocht en door achteruitgang in zaken of hoge hypotheekrente in ernstige financiële moeilijkheden verkeerde. Dit verklaarde alles.

«Schnell verlässt er diesen Ort und begiebt sich weiter fort.» Dit woord van Wilhelm Busch komt mij bij zulke situaties altijd in de zin. Dus de aftocht geblazen en welgemoed verder.

Daar zag ik na een tijd aan de linkerkant van de weg een grote, keurig onderhouden buitenplaats. Dan daar maar op af. Het bordes op en aan de glazen voordeur gebeld. Een heer kwam voor.

Vantevoren had ik allerlei smoesjes bedacht waarmee ik mij als een moderne minstreel zou kunnen aandienen, alle neerkomend op het verkrijgen van nachtverblijf tegen het voorlezen uit eigen werk. Diverse middeleeuwse minstreels er bij halen, Homerus ook. En dan vertellen hoe Goethe reisde. In zijn rijtuig uiteraard en als hij dan tegen de avond in een stadje kwam, informeren of daar iemand woonde met wie hij die avond op een aangename wijze zou kunnen doorbrengen en als die hem dan gewezen werd (haast altijd was er wel een kasteeltje of buitenplaats in de buurt) dan zijn koetsier of palfrenier er naartoe sturen en belet vragen. Die heer, al lang blij met zo’n verzetje, gaf dat graag en dan hadden ze een leuke avond. Maar ik, zou ik dan zeggen, heb geen karos, geen koetsier of palfrenier, dus ik moet het op een wat eenvoudiger manier doen. Dan kon ik vragen: is dit al eens vaker gebeurd. En op het neewoord antwoorden: dat zal ook hoogstwaarschijnlijk nooit weer gebeuren. Als dan Uw leven ten einde is zult U denken: eens in mijn leven is mij dat gebeurd en toen heb ik nee gezegd. En daar aan vast knopen mijn algemene overtuiging: als je niets doet gebeurt er niets.

Dan kun je natuurlijk opmerkingen maken over het huis en de tuin en als ze vragen, wat vaak gebeurt, hoe je aan hun adres komt, dan kun je daar een mooie, toepasselijke draai aan geven.

Zo had ik dus een heel arsenaal van argumenten om de mensen mee aan boord te klampen. Een van de effectiefste was trouwens dat het herbergen van reizigers vanouds onder de zeven werken van barmhartigheid wordt gerekend.

Ik stond dus goed gewapend tegenover de heer in de glazen verandadeur. Ook zijn vrouw kwam er later bij. Het werd lichtelijk humoristisch en op de vraag wie ik dan wel was noemde ik mijn schrijversnaam. Ze wilden het niet meteen geloven, zij snelde naar de boekenkast of daar misschien een boek van mij met een portret was. Dat kon zij niet zo gauw vinden maar het verdere gesprek overtuigde hen van mijn identiteit en toen was het in orde.

Op die hele verdere tocht heb ik aan den lijve ondervonden over een woord te beschikken dat als een «Sesam open u» voor bijna alle deuren werkt. Op vroegere tochten heb ik dat nooit gebruikt, nog een rest van het streven zoveel mogelijk anoniem te willen zijn. Maar nu ik heb ervaren wat een tovermiddel het is en wat een mogelijkheden het voor mij opent, dat ik nu in het hele Nederlandstalige gebied onbezorgd kan trekken, van het ene avontuur in het andere vallen en overal maar hoef te bellen om binnengelaten te worden, voel ik het hoogste te hebben bereikt wat hier op aarde mogelijk is.

Enfin, wij gingen dus naar binnen waar in een zijkamer een soort avondontbijt gereed stond, schaarden ons om de tafel en terwijl er nog juist een zoon binnenkwam gebruikten wij het maal.

Daarvoor waren wij door of langs twee grote, rijk gemeubileerde vertrekken en suite gegaan waarbij ik een ogenblik paf stond van twee kolossale schilderijen ter weerszijden van de haard, kennelijk pendanten, hoenderstukken zoals Albert Cuyp ze gemaakt heeft en op mijn uitroep «Albert Cuyp!?» zei de mevrouw: «Uit zijn school.» Maar ik houd ze voor echt want ik heb nog nooit een leerling gezien die in het navolgen of copiëren van zijn leermeester deze zo in de formaten overtreft.

Na de maaltijd heb ik daar Sint Joris voorgelezen, het laatste verhaal, in het begin van de zomer gemaakt. Dit duurde ongeveer anderhalf uur, maar het is zo spannend dat zelfs een pauze moeilijk werd verdragen.

Het hele gebeuren had iets middeleeuws en sprookjes achtigs. Ik moet op die mensen een uitermate romantische indruk hebben gemaakt.

Na afloop bracht de zoon mij naar het logeervertrek boven en wees nog in de overloop op grote 18e eeuwse vogelvluchtkaarten, waarop de uitgestrekte parken met lanen en vijvers die oorspronkelijk bij het huis hadden gehoord. Uit het raam kon je er nog enkele resten van zien.

Donderdag 28 juli

De meeste mensen slapen langer dan ik. Zes uur is voor mij meestal genoeg. Ik was dus al klaar en had al een hele tijd naar buiten staan kijken toen de zoon volgens afspraak om zeven uur klopte. Het was een van die stille ochtenden die een stralende zomerdag voorspellen: warm, volkomen windstil en alles in een lichte nevel. Meer een waas dan een nevel. Het groen in volle pracht. De dierenwereld in volle vreugde.

Ik moest er in, kon onmogelijk wachten tot het een ander mens beliefde op te staan, voelde een onweerstaanbare drang van: meteen weg. Verzocht de zoon mijn dank en verontschuldiging over mijn haastig lijkend vertrek aan zijn ouders over te brengen en liet mij door hem een kortere weg naar de hoofdweg wijzen.

De onderliggende drijfveer van mijn gedrag was misschien de vrees om de romantische indruk die ik moest hebben gemaakt weer te verstoren. De ochtend werkt vaak ontnuchterend en trouwens, in alles wat je zegt en doet een romantisch karakter te handhaven is erg moeilijk en iets moeilijks wilde ik op deze tocht absoluut schuwen.

Dus volgde ik welgemoed — welgemoed is een veel te zwakke uitdrukking voor de gemoedsstemming waarin ik toen verkeerde — door de heerlijke ochtend de Langbroeker Dijk.

De vele landhuizen grenzen met hun parken en geboomte pal tegen het water van de wetering. De huizen zelf blijven van de weg af meest onzichtbaar. Hier en daar wemelde de wetering van vogels en ander gedierte.

Een gelukzalige stemming deelt zich ook aan de omgeving mee. Je veronderstelt elke boom, een heel bos in zijn nopjes. Huizen ook, lekker droog wordend. Lekker de mensen dienend. Zo voelend liep ik urenlang langs de Dijk, de lange dag nog vóor mij.

Een gelukzalige stemming is een heel egocentrisch gebeuren, de buitenwereld heeft er niets aan.