Franco Citti (23 april 1935 – 14 januari 2016)

Acteur Franco Citti was het icoon van Pasolini’s manier van filmen. Als ‘Accattone’ (‘Sloeber’) zette hij in 1961 zichzelf en de Pasolini-school op de kaart. Het leven in de Romeinse borgata’s zoals het was.

Toen de Romeinse zoon van het volk Franco Citti, met het metselaarsgruis van de dag in zijn haar, werd geroepen door zijn broer Sergio, slenterde hij tegen zijn zin naar het barretje van Il Pigneto. Aan een van de tafeltjes buiten in het stof zat Sergio met een mannetje dat er anders uitzag dan de doorsneebewoners van de Romeinse borgata (volksbuurt) aan de oneindige Via Casalina richting het zuiden. ‘Fra’, mag ik je voorstellen aan een vriend, dit is Pier Paolo Pasolini.’

‘Veel zin om hem te leren kennen had ik niet’, heeft Franco Citti vaak verteld in de vier decennia die volgden. ‘Ik was bekaf, ik had de pest in, ik wilde naar huis. Maar ik ging zitten en nam een drankje, want als Sergio iets vroeg, deed ik het. Het mannetje bleef maar vragen stellen en schreef alles op. Wat hij deed – heb ik pas veel later begrepen – was aantekeningen maken van ons leven. Van hoe wij waren, van hoe wij praatten. Sergio vertaalde ons dialect voor hem, als Pasolini het niet begreep.’

Het was 1960, Pasolini was 38, en noodgedwongen net begonnen aan zijn tweede leven in Rome. Aan zijn eerste leven, in Friuli-Venezia, was een abrupt einde gekomen met de aanklacht wegens gerommel met minderjarige puberjongens, ook nog eens zijn leerlingen. Hij was oneervol ontslagen als leraar literatuur, hij was uit de communistische partij gezet, hij had de benen genomen naar Rome, samen met zijn moeder Susanna. Ergens op een lagere school in de achterbuurt Ponte Mammolo, waar ze allang blij waren met iemand die tenminste kon lezen en spellen, verdiende hij een halve grijpstuiver. Maar de ambities van de in kleine kring toen al bekende dichter Pasolini waren groot. Hij wilde zijn eerste film maken, over het leven van de verworpenen en vertrapten in de achterstandswijken van Rome.

De toen 25-jarige Franco Citti was meteen zijn droomacteur. In die zin dat Pasolini juist géén acteur zocht. Hij zag filmen als een antropologisch onderzoek, en zichzelf als een David Attenborough van de Romeinse volksbuurten. ‘Ik heb een bijna ideologische, esthetische voorkeur voor niet-professionele acteurs, die zelf flarden van de realiteit zijn, net zoals een landschap, een hemel, de zon, een ezel die voorbijkomt over de weg…’, vertelde hij jaren later, toen hij al beroemd was, aan een groep studenten.

Franco Citti speelde dankzij Accattone nog in vele films van regisseurs van naam

Die ezel die voorbijkomt, dat was Franco Citti, buiten zijn medeweten ook auteur, naast hoofdrolspeler van Pasolini’s eerste film Accattone (‘Sloeber’). Pasolini had de film voor de volle honderd procent uit zijn mond opgetekend. Citti had geen idee. Hij was gewoon wie hij was, deed gewoon wat hij deed. Een zelfverzekerde fotogenieke kop, naturel volksbuurt-slang, een soepel rubberen lijf dat door het stof van Il Pigneto sliert. Een vriendenclubje van een groepje nietsnutten dat de hele dag bij het barretje hangt. Ze doen niets, ze willen niets, behalve hun zakcentje voor de dag aan hun hardwerkende, straatarme mede-wijkbewoners ontfutselen. Accattone is geen reclame voor het proletariaat, laat staan een sociale aanklacht, zoals wel is geschreven. Een troepje ellendelingen dat door niemand gemist zal worden. Als Accatone/Franco Citti aan het einde van de film op zo dom mogelijke manier aan zijn einde komt, verzucht hij gelukzalig: ‘Mo’ sto bene’ (‘Nu voel ik me eindelijk goed’). De enorme inspanning om het einde van de dag te halen hoeft hij niet meer te doen.

Franco Citti heeft de inspanning van het leven na Pasolini wel met succes het hoofd geboden. Haast niemand van de ontdekkingen en discipels van de Italiaanse poète maudit is dat gelukt. Dat kwam omdat de discrepantie te groot was. Volksjongens die amper de lagere school hadden afgemaakt werden na hun ontdekking door Pasolini als een komeet een wereld in gelanceerd waar ze in normale doen hooguit een keertje de gootsteen hadden mogen ontstoppen. De 26-jarige metselaar Franco Citti moest zich waarmaken op de set van Pasolini, waar een piepjonge Bernardo Bertolucci als regieassistent (!) rondliep, Bertolucci’s verloofde, de beroemde actrice Adriana Asti een hoertje speelde, en zijn afgepeigerde vrouw met trossen vervuilde kleine kinderen aan haar rokken werd gespeeld door het boegbeeld van het Italiaanse feminisme, de journaliste Adele Cambria. Van dit soort grapjes hield Pasolini erg, maar je moet er maar tegen kunnen, als jongen van het volk die niet weet wie al die mensen zijn, maar wel de enorme kloof voelt tussen ‘zij’ en ‘wij’.

De charismatische Franco Citti kon daar goed mee omgaan en heeft dankzij Accattone nog in een zestigtal andere films gespeeld, vaak ook van regisseurs van naam. Niet iedereen zal zich Citti nog herinneren als de lijfwacht van Al Pacino in Coppola’s The Godfather, wanneer de jonge Michael Corleone de adembenemende Apollonia ontmoet tijdens zijn Siciliaanse onderduik. Maar daar zit hij toch maar, naast Al Pacino, met een coppola (maffia-pet) op zijn hoofd. ‘A’ Fra’, geniet ervan, maar vergeet de borgata niet hè’, drukte Pasolini hem op het hart toen Hollywood op zijn deur kwam kloppen. ‘Niet dat het gevaar bestond hoor’, zei Citti er dan altijd bij als hij de anekdote vertelde.

De melancholie die hem altijd heeft omgeven werd groter na de gruwelijke moord op Pasolini in de nacht van 1 op 2 november 1975. Op het lapje strand van Ostia, vlak bij Fiumicino, waar de gebroeders Citti woonden. ‘De vierkante kilometer bloedbad’, zoals Franco Citti de plaats waar het gebeurde noemde, hebben de Citti’s de ochtend na de moord minutieus gefilmd, de getuigenissen van vissers vastgelegd. Ze wisten wat er was gebeurd, maar ze zijn nooit verhoord.