François Houtart 7 maart 1925 – 6 juni 2017

Als een missionaris trok godsdienstsocioloog François ‘de rode kannunik’ Houtart de wereld over met een boodschap van sociale rechtvaardigheid. Religie was niet opium voor het volk, maar een inspiratiebron voor zijn bevrijding.

Op zijn tiende wilde hij al missionaris worden, maar zijn vader hield hem als oudste van veertien kinderen in een katholiek-aristocratisch gezin liever in België. Na als priester te zijn ingewijd en na studies in de sociologie en politieke en sociale wetenschappen reisde François Houtart als godsdienstsocioloog alsnog de hele wereld over om zijn boodschap over sociale rechtvaardigheid te verspreiden. ‘Niemand kan me ervan overtuigen dat je niet aan uitputting gestorven bent’, schreef de voorzitter van de door Houtart opgezette ngo cetri (Centre Tricontinental) in een reactie op zijn overlijden.

Houtart kende in ieder geval een zeer actief leven. Vanaf de Tweede Wereldoorlog is er haast geen sociale strijd te bedenken waar hij niet bij betrokken is geweest: van het verzet in de Tweede Wereldoorlog tot de steun aan talloze volksbewegingen die streden voor autonomie, tot deelname aan de commissie-Stiglitz, een VN-commissie over hervorming van het internationaal financieel en monetair stelsel, tot steun bij het vredesakkoord van vorig jaar tussen de Colombiaanse regering en de farc, om er slechts een paar te noemen.

In zijn academische werk is de relatie tussen het marxisme en zijn bevrijdingstheologie het centrale thema. Voor Houtart vloeide zijn sociale betrokkenheid als vanzelfsprekend voort uit zijn christelijke geloof. Maar in de katholieke gemeenschap nam men hem zijn activisme niet altijd in dank af. Zijn oppositie tegen de Vietnamoorlog voerde hij op straat, hoogst ongebruikelijk voor een priester, die ervoor op zijn vingers werd getikt door de rector van de Katholieke Universiteit Leuven. Zijn tegenstanders noemden hem ‘de rode kanunnik’.

Hij vroeg zich af waar de vervreemding tussen de kerk en de arbeider in Europa vandaan kwam. In vergelijkend onderzoek van Brussel met andere Europese steden ontdekte hij dat de kerk met de bourgeoisie samenwerkte. Tegen de achtergrond van de industrialisatie bleek de kerk vrijwel volledig afwezig in arbeiderswijken.

Het was in de jaren tachtig in Nicaragua dat hij voor het eerst van dichtbij een echte kruisbestuiving tussen het socialisme en het christendom meemaakte. Verschillende bekende priesters waren actief in de Sandinistische revolutie en de dialoog tussen marxisten en christenen betekende een concreet bevrijdingsmodel en een grote inspiratie voor Houtart.

‘De paus van de andersglobalisten’

Het Latijns-Amerikaanse continent speelt een belangrijke rol in zijn leven. Hij woonde er in verschillende landen en was kind aan huis bij leiders als Hugo Chávez en Fidel Castro. Vanuit Nicaragua kwam hij binnen in Havana, waar hij het topkader van de communistische partij vertelde dat een marxistische benadering niet uit kan gaan van het dogma dat religie opium voor het volk is. Het zou de werkelijkheid per situatie moeten bestuderen.

Voor Houtart was religie in sommige gevallen opium voor het volk, en in andere gevallen weer niet. Dan kan het juist inspireren tot sociale betrokkenheid en leiden tot bevrijding. Tot zijn spijt sloegen de communisten zijn lessen in de wind en schaften ze de sociologie overal af. Door ervan uit te gaan dat het marxisme overal een antwoord op heeft toonden ze zich blind voor wat er in de samenlevingen aan de hand was, aldus Houtart. Hij maakte de sociale problemen in Cuba, de Sovjet-Unie en Vietnam vanuit de eerste hand mee.

Houtart leerde het marxisme pas relatief laat kennen; tijdens zijn promotieonderzoek in de vroege jaren zeventig in Sri Lanka bestudeerde hij de sociologie van het boeddhisme. Toen Max Webers theorieën voor hem daarbij niet langer voldeden, wendde hij zich tot het marxisme. Die denkstroming bleek tot zijn dood voor Houtart de beste manier om de sociale problemen van (pre-)kapitalistische samenlevingen te begrijpen. De Tamils in Sri Lanka en ook antikoloniale bewegingen op het Afrikaanse continent zijn enkele andere groeperingen die door ‘de paus van de andersglobalisten’, zoals zijn aanhangers hem liefkozend noemden, zijn geïnspireerd.

Mensen die met hem gewerkt hebben roemen Houtart behalve om zijn intellectuele ook om zijn menselijke capaciteiten: een man met ongebreidelde energie, die altijd bereid was naar mensen te luisteren en nieuwe initiatieven aan te gaan. De in 1976 opgerichte ngo cetri in Leuven, die als doel had de solidariteit met sociale bewegingen in de ‘Derde Wereld’ te kunnen stimuleren, is zo’n initiatief. Veertig jaar na oprichting heeft het instituut zijn sporen verdiend. Talloze onderzoekers en sociale leiders deden er kennis op van de Derde Wereld aan de hand van de ideeën van Houtart.

Ook het Wereld Sociaal Forum (wsf), waarvan Houtart mede-oprichter was, is zo’n prominent instituut waarin zijn ideeën voortleven. In 2001 kwamen in Porto Alegre voor het eerst twaalfduizend mensen uit de hele wereld bijeen om na te denken over alternatieven voor het neoliberale systeem. Het wsf is opgezet als alternatief voor het jaarlijkse World Economic Forum in Davos en trekt bezoekers uit verschillende sociale bewegingen (boeren, arbeiders, vrouwen), maar ook ngo’s en onafhankelijke intellectuelen. Houtart zag het jaarlijkse forum, dat sinds zijn oprichting flink groeide, als een katalysator voor ideeën om de wereldeconomie op een andere, eerlijkere, manier te organiseren.

Toen zijn aanhangers hem voordroegen voor de Nobelprijs voor de vrede in 2011 kwam naar buiten dat Houtart in 1970 twee maal zijn achtjarige neefje seksueel had misbruikt. De inzending werd teruggetrokken en het cetri verbrak alle banden met zijn oprichter. Het schandaal leidde tot Houtarts verhuizing naar Ecuador, waar hij tot het eind van zijn leven het merendeel van zijn tijd in de hoofdstad Queta doorbracht. Hij stierf er in zijn schommelstoel. Het ticket naar Havana in zijn zak suggereerde dat hij ook op 92-jarige leeftijd de uitputting nog niet nabij was.