Francois mitterrand

Schrijven of leven? Francois Mitterrand koos voor het laatste en stortte zich in het gewoel van de twintigste eeuw. Niet gehinderd door een teveel aan principes eindigde hij als de farao van Frankrijk. Maar ook een man van negen levens moet eens de dood in de ogen kijken.
‘ER WAS EENS …’, zo begint het vorig jaar verschenen boek waarin de schrijver-journalist Pierre Pean de politieke jeugdzonden van Francois Mitterrand beschrijft. Diens reactionaire verleden was al bij geruchte bekend, maar de volle waarheid, uitgespreid over zeshonderd goed gedocumenteerde bladzijden, werd door velen opgevat als een morele genadeslag voor de aan prostaatkanker stervende en door schandalen ontluisterde president. Toch is Une jeunesse francaise: Francois Mitterrand, 1934-1947 geschreven met medewerking van Mitterrand zelf, die de auteur inzage gaf in delen van zijn persoonlijk archief en hem meermalen langdurig te woord stond.

Pean vermeldt hoe de president, wanneer hij hem confronteerde met onaangename feiten of tegenspraken in zijn verklaringen, soms pijnlijk getroffen zweeg. Maar Mitterrand is er levenslang van overtuigd geweest dat de mens voor zichzelf altijd een raadsel blijft. Al voor de oorlog, toen hij overwoog om schrijver te worden, weigerde hij om die reden een dagboek bij te houden. ‘De zuiverste kreten van liefde, angst of woede blijven onuitgesproken’, schreef hij in een studententijdschrift: 'Ons eigen verleden is ons even vreemd als het verleden van anderen en ik blijf sceptisch ten aanzien van de innerlijke ontwikkeling van een persoon, zijn gevoelens en zijn ideeen. Het mysterie van de mens is in mijn ogen een kolossale suikertaart.’ En ook nu wenst hij geen rekenschap af te leggen. In een vorige maand uitgegeven gesprekkenbundel bijt hij Elie Wiesel toe: 'Het is dat u het bent, maar ik ben geen antwoord schuldig aan mensen die zich de rol van rechter aanmeten.’
Maar Une jeunesse francaise is niet alleen een spiegel voor Mitterrand zelf, het drukt heel Frankrijk met zijn neus op de historische continuiteit. De foto uit 1935 waarop hun president als studentlid van de fascistoide beweging Croix de Feu tegen toelating van vreemdelingen tot de universiteit demonstreert, moet veel oudere Fransen een schok van herkenning hebben bezorgd. Op jongeren had het onthullende portret van de jeugdige Mitterrand vooral een vervreemdend effect. Die bleke, arrogante estheet die onderdak verleende aan rechtse knokploegen, collegestakingen tegen joodse hoogleraren steunde en na de nederlaag als ambtenaar en propagandist in Vichy werkte - was dat dezelfde Mitterrand die als verzetsheld uit de oorlog was gekomen, die in de jaren zestig een links eenheidsfront tegen De Gaulle had gesmeed en vooral dank zij hun enthousiaste steun ten slotte president was geworden?
In plaats van Mitterrands Vichy-verleden te rechtvaardigen, heeft het boek alleen maar vragen opgeroepen omtrent zijn integriteit. Is Mitterrand in de jaren vijftig werkelijk tot het socialisme bekeerd, hoewel hij in diezelfde tijd als minister van Binnenlandse Zaken een groep antisemieten en Vichy-aanhangers als ambtenaren op zijn departement installeerde? Uit zijn boeken en pamfletten uit de jaren zeventig spreekt weliswaar een overtuigd socialisme. Maar waarom hield hij als president tal van lieden die in de oorlog onmiskenbaar fout waren geweest, zoals de voormalige politiechef van Vichy Rene Bousquet, de hand boven het hoofd? Nu hij de dood voelt naderen, gaat hij nota bene te rade bij de stokoude Jean Guitton, die in de pers onschuldig een 'katholieke filosoof’ wordt genoemd, maar die in de jaren veertig het handboek van de Nationale Revolutie van maarschalk Petain heeft geschreven.
TERECHT WIJDDE het weekblad L'Express onlangs een special aan 'de negen levens van Francois Mitterrand’. Nu hij ze alle negen heeft versleten, kan hij er zelf wellicht geen wijs meer uit. 'Hij had de keus om verhalen te vertellen of ze te beleven’, heeft de schrijver Mauriac eens over hem gezegd: 'Hij koos ervoor om ze te beleven.’
Francois Mitterrand wordt op 26 oktober 1916 geboren in Angouleme, in de Charente. Het is een vergeten provinciestad in de blakerende zon. In het grote huis van azijnfabrikant Mitterrand wordt niet over geld gesproken. Dat laat men over aan de cognacboeren die in de streek de toon aangeven. De Mitterrands zijn zelfbewust, bourgeois en 'door dik en dun vaderlandslievend’, zoals Francois later schrijft. Maar bovenal zijn ze diep gelovig. Samen met zijn drie broers en vier zussen bidt Francois dagelijks dat Gods werkzame genade op het gezin mag rusten. Tijdens picknicks in het dal van de Charente-rivier voeren ze lange gesprekken over politiek, literatuur en het voorbeeld van Christus. Montherlant en Drieu la Rochelle zijn de lievelingsschrijvers van Francois, voor wie 'het getij van de dagen, de seizoenen, de tijd en de dingen als vanzelf van God getuigen’.
In 1934 gaat hij politieke wetenschappen studeren in Parijs, waar hij zijn intrek neemt in een door paters gedreven studentenpension. Als briljant stilist wordt hij hoofdredacteur van een literair tijdschrift, maar de politiek lokt en Mitterrand waant zich een geboren leider. Op zoek naar een taak sluit hij zich aan bij de ultranationalistische, antiparlementaire beweging Croix de Feu. Terwijl Hitler het Rijnland binnentrekt, demonstreert Mitterrand tegen de 'jood Jeze’, een hoogleraar die het aandurft om de keizer van Ethiopie bij te staan in diens strijd tegen Mussolini. Ook de Action Francaise van de antisemiet en royalist Maurras heeft zijn sympathie. In 1939 bezoekt Mitterrand de Franse troonpretendent, de graaf van Parijs, in diens Brusselse ballingsoord. Zijn reisgenoot is Eugene Schueller, de oprichter van het cosmeticabedrijf L'Oreal en financier van de fascistische knokploeg La Cagoule (De Monnikskap). De cagoulards hebben dan al verscheidene politieke moorden op hun naam staan. Sommige van de moordenaars zijn huisvrienden van de Mitterrands.
In zijn vrije tijd verricht Mitterrand onder het toeziend oog van de paters 'goede werken’. Hij wordt voorzitter van de studentenvereniging voor armenzorg, zowel uit oprechte zorg voor de minstbedeelden als uit paternalisme. In zijn brieven en literaire ontboezemingen strijden intense devotie en almachtsgevoelens om de voorrang. 'Ik zou willen dat het lot van eenieder die ik ontmoet een prooi was waarin ik naar hartelust mijn tanden kon zetten’, schrijft hij naar huis: 'Hoe heeft God een wereld kunnen scheppen zonder dat ik aan het begin stond?’
OP EEN BAL ontmoet hij, pas afgestudeerd, de vijftienjarige Marie-Louise Terrasse. Haar aanblik treft hem als een 'blikseminslag’. Hij dwingt haar praktisch tot een verloving, vlak voordat hij dienst neemt als sergeant bij de infanterie. Een nieuwe uitdaging! De 24-jarige ziet reikhalzend uit naar de oorlog, die 'windstoot die al het breekbare en nutteloze wegvaagt!’
De 'drole de guerre’ wordt een grote ontnuchtering. In de loopgraven van de Elzas is de heroiek ver te zoeken: 'De oorlog is iets stompzinnigs, iets verschrikkelijks, het is de verwoesting, de ontkenning van het leven, van de vooruitgang en van het geluk.’ In juni 1940 raakt hij bij Verdun gewond en wordt hij als krijgsgevangene naar Duitsland afgevoerd. Zoals de meeste Fransen beschouwt Mitterrand de nederlaag tegen Duitsland als bewijs voor het failliet van de Derde Republiek, dat slappe bewind van liberalen, socialisten, defaitisten en zakkenvullers dat Frankrijk heeft verraden. Zijn razernij wordt nog versterkt door het (terechte) vermoeden dat ook Marie-Louise hem heeft verlaten. Na twee mislukte pogingen slaagt hij erin om te ontsnappen en hij meldt zich in Vichy, waar hij commissaris-generaal voor de krijgsgevangenen wordt.
Als overtuigd marechaliste voorziet hij de Vichy-bladen van bloed- en bodemverhalen en houdt hij lovende radiotoespraken over Petains 'geest van eenheid en discipline’. Hij wordt onderscheiden met de francisque, de orde van de Frankische strijdbijl. De jodenvervolging deert hem niet. 'Daar hield je je niet mee bezig’, zegt hij daarover tegen Pean. Pas wanneer de organisatie van krijgsgevangenen dreigt te worden ingelijfd bij de Duitse bezettingsmacht, gaat Mitterrand in het verzet. Onder de schuilnaam Morland reist hij via Londen naar Algiers, waar hij De Gaulle ontmoet. Het is haat op het eerste gezicht. De generaal wast hem de oren vanwege zijn late bekering en dwingt hem om voortaan zijn orders op te volgen, een vernedering die Mitterrand hem nooit zal vergeven.
Niettemin wordt hij in 1944 opgenomen in de voorlopige regering van De Gaulle als staatssecretaris voor de krijgsgevangenen. Hij trouwt met de verzetsstrijdster Danielle Gouze en stelt zich bij de parlementsverkiezingen van 1946 kandidaat in het district Nievre. Steunend op een netwerk van voormalige Vichy-kameraden, notabelen en aristocratische geldschieters ontwikkelt hij Nievre tot een solide uitvalsbasis. Zo wordt hij in de jaren vijftig een van de sleutelfiguren van de Vierde Republiek. In negen opeenvolgende regeringen is hij onder meer minister van Binnenlandse Zaken, Justitie en Overzeese Gebiedsdelen. Hoewel hij een fel anticommunist is, noemt hij zich links noch rechts en weet hij door zijn dubbelzinnig optreden zowel communistische als extreem- rechtse stemmen naar zich toe te trekken - een tactiek die hij later als presidentskandidaat met succes zal toepassen.
IN 1958, TE MIDDEN VAN de chaotische ondergang van de Vierde Republiek, verliest hij toch zijn zetel. Hij ensceneert een rechtse aanslag op zijn leven, waardoor zijn populariteit kortstondig opleeft, maar al gauw komt de ware toedracht uit. Gedeprimeerd sluit Mitterrand zich dagenlang op in een hotelkamer. Tot hij beseft dat het politieke handwerk het enige is dat hij beheerst. Er rest hem niets anders dan terugvechten.
Samen met een andere voormalige petainist, Charles Hernu (die in de jaren tachtig minister van Defensie zal worden), richt hij een kleine, quasi-linkse beweging op, die zich vooral afzet tegen De Gaulle. Met een briljant pamflet tegen de autoritaire staatsopvatting van de generaal, De permanente staatsgreep, weet hij de nationale aandacht op zich te vestigen. Als eenheidskandidaat van links (de eerste sinds 1945) verliest hij bij de presidentsverkiezingen van 1965 van De Gaulle, maar met een veel kleinere marge dan verwacht. De strijd tegen de onaantastbare De Gaulle wordt zijn obsessie.
Tijdens het oproer van mei 1968 maakt Mitterrand een fatale misrekening door te verklaren dat links klaar staat om de regeringsmacht over te nemen. La France profonde scherpt de hooivorken en bij de presidentsverkiezingen van 1969 stelt Mitterrand zich maar niet eens meer kandidaat. De socialist Defferre wordt verpletterend verslagen door Georges Pompidou en Mitterrand staat weer alleen. Ieder ander zou zich ge wonnen hebben gegeven, maar Mitterrand is als politiek dier gewend om zijn eigen jachtgebied te kiezen.
Op het socialistische partijcongres van 1971 in Epinay, dat hij slechts als genodigde bijwoont, presteert hij het schier onmogelijke. De partij wordt geleid door de fatsoenlijke maar nauwelijks inspirerende Alain Savary, die de partijvleugels niet in bedwang heeft. Mitterrand weet Savary’s tegenstanders ter linker- en rechterzijde zodanig te bewerken dat hij zelf staande de vergadering tot politiek leider wordt gekozen.
Hij heeft zijn strategie klaar. Indachtig het motto dat Frankrijk niet met en niet zonder de communisten kan worden geregeerd, is hij vast van plan om de communistische partij aan zich te binden en zodanig uit te hollen dat de communistische kiezers naar hem zullen overlopen. Vervolgens hoopt hij de middenklasse te veroveren met een gematigd verkiezingsprogram. Hij werkt dag en nacht door ('Uitrusten kost mij zoveel inspanning dat ik er maar niet aan begin’) en bij de presidentsverkiezingen van 1974 is het pact met de communisten een feit. Het voornemen tot uitgebreide nationalisaties wordt gecompenseerd door hervormingsvoorstellen die de middenklasse aanspreken, zoals betere sociale voorzieningen. Maar hij rekent buiten de waard: zijn tegenstander Giscard d'Estaing past dezelfde tactiek toe op de rechtse partijen en weet zowel liberalen als gaullisten achter zich te krijgen. Door zijn bondgenootschap met de communisten heeft Mitterrand bovendien zijn extreem-rechtse aanhang van zich vervreemd. Hij verliest met enkele honderdduizenden stemmen.
Weer krabbelt hij op: 'Het Franse volk heeft wel iets beters te doen dan stilstaan bij deze verkiezingsuitslag. En ik ook!’ Hij bouwt de socialistische partij uit en maakt ernst met het slopen van het communistische electoraat. De communisten verbreken de samenwerking, maar Mitterrand blijft er siberisch onder; ze hebben hem straks toch weer nodig als ze willen regeren. Een interne partijstrijd met de pragmatische Michel Rocard en de oer-marxist Chevenement beslecht hij met een hand op de rug. Hij is voor de socialisten onmisbaar geworden.
IN 1981 IS HIJ opnieuw socialistisch kandidaat en ditmaal zet hij alles op alles. Een akkoord met de communisten kan wachten; die stemmen toch wel op hem. Hij schuift gematigde jonge socialisten als woordvoerders naar voren, leert het medium televisie te beheersen, en cultiveert achter de schermen zijn oude Vichy-contacten om de extreem-rechtse stemmen veilig te stellen. Geholpen door de vele schandalen rond Giscard - die onder meer diamanten van keizer Bokassa heeft aangenomen - kan hij zijn retorische talent ten volle uitbuiten. In een televisiedebat verwijt Giscard hem dat hij niet eens de koers van de Duitse mark uit zijn hoofd kent. Maar natuurlijk, repliceert Mitterrand, u bent veel beter op de hoogte van de waarde van de Duitse mark. En trouwens ook van de waarde van diamanten.
Als hij Giscard met 53 procent van de stemmen verslaat, wordt er op de Place de la Bastille tot diep in de nacht gedanst. Gevraagd wat hij de volgende dag gaat doen, antwoordt Mitterrand: 'Gewoon, opstaan.’
Voor links Frankrijk wordt het een ruw ontwaken. De volksfrontregering (met vier communisten) houdt niet lang stand en laat een reusachtig overheidstekort achter. De regeringen volgen elkaar op, maar aan stringente bezuinigingen valt niet te ontkomen. De werkloosheid stijgt, de socialisten glijden weg in schandalen en de idealen vervliegen. Bij de onderwijshervorming bestaat Mitterrand het zelfs om het op te nemen voor de katholieke prive-scholen. Spoedig herinnert alleen zijn vilten deukhoed a la Leon Blum nog aan het socialisme.
Zijn herverkiezing in 1988 (kosten: honderd miljoen franc, die deels illegaal worden verkregen) is een gigantisch mediaspektakel. Tonton ('oompje’) laat zich door voetballers en artiesten bewieroken en bouwt zijn campagne rond vage thema’s als het behoud van - niet-bestaande - 'sociale verworvenheden’ en de versterking van een Europese Unie die het kapitalisme pur sang vertegenwoordigt. Maar zijn gaullistische tegenstander, de schutterige Jacques Chirac, maakt het hem wel heel gemakkelijk.
In zijn tweede ambtsperiode trekt de 'beheerder van verloren illusies’, zoals zijn biograaf Franz-Olivier Giesbert hem noemt, zich terug in keizerlijke zelfgenoegzaamheid. Hij geeft de relaties met Afrika uit handen aan een kliek van familieleden en bevriende wapenhandelaren, en roept opnieuw de schaduwen uit zijn verleden op door zijn pogingen om Vichy-misdadigers van vervolging te vrijwaren. Hij 'mist’ de val van de Muur, behandelt zijn regerende partijgenoten als oud vuil en laat zijn partij verkommeren (de ontgoochelde ex-premier Beregovoy pleegt in 1993 zelfmoord), terwijl hij Le Pen in de kaart speelt om het rechtse electoraat te verdelen. Intussen tracht hij als een farao zijn plaats in de geschiedenis veilig te stellen door middel van bouwwerken als de Louvre-piramide.
PAUL WEBSTER, de Franse correspondent van The Guardian, velt in zijn pasverschenen politieke biografie Mitterrand: L'Autre Histoire, 1945-1995 (bedoeld als aanvulling op het boek van Pean) een vernietigend oordeel dat veel teleurgestelde socialisten met hem zullen delen. Hij karakteriseert Mitterrand als 'een absolute meester in de kunst van het politiek overleven, het uitbuiten van de zwakten van de tegenstander en het afwachten van het juiste moment om toe te slaan. Hij lijkt alle technieken van het slagveld te beheersen: de frontale bestorming en de aanval in de rug, bondgenootschap en bondgenootschappelijk bedrog, list en bluf. Hij heeft de kleuren van zijn vijanden gedragen en potentiele medestanders door vleierij aan zich gebonden. Door al die machinaties heeft hij trouwe vrienden, die hij als manke lastdieren aan hun lot overliet, in het diepst van hun ziel gekwetst, maar ook voormalige vijanden, die in de tent van de leider werden gelokt om daar met valse beloften te worden vergiftigd.’
En hoe denkt de 'sfinx’ zelf over zijn nalatenschap? Nu hij elk moment kan overlijden, vertelt Mitterrand aan zijn spaarzame bezoekers in het Elysee steevast dezelfde anekdote: 'Een reiziger stuit op een groep mannen die bezig zijn met het opstapelen van stenen. Hij vraagt wat ze aan het doen zijn en ze antwoorden: wij stapelen stenen. De reiziger vervolgt zijn weg en ziet opnieuw een groep mannen stenen opstapelen, maar als hij vraagt naar de reden antwoorden ze: wij bouwen een kathedraal.’ Hier laat Mitterrand een stilte vallen. Dan zegt hij: 'Het grootste deel van mijn leven ben ik bezig geweest met het stapelen van stenen.’