Françoise van Rossum werd geboren in Gent als oudste van een gezin van elf kinderen. Ze bracht een deel van haar jeugd door in Caïro, om vervolgens filosofie te gaan studeren aan de Sorbonne in Parijs. In haar laatste jaren vertelde ze graag over het leven in Egypte waarvan ze zo genoten had en over het dienstbodekamertje zonder raam in Saint-Germain uit haar studententijd.

Nadat ze door haar huwelijk als Française in Nederland terecht was gekomen, begon ze aan een promotieonderzoek in Leiden. Daarmee verwisselde ze de filosofie voor de moderne, Franse letterkunde. Haar proefschrift, getiteld Critique du roman (1970), had betrekking op de nouveau roman. Dat was een opmerkelijke keuze in een tijd waarin het, zeker in Frankrijk, hoogst ongebruikelijk was om een proefschrift te wijden aan nog levende schrijvers, zoals Michel Butor. In dit opzicht was Françoise van Rossum een pionier.

Niet minder opmerkelijk was het feit dat haar proefschrift als boek uitkwam bij Gallimard. Dat de meest prestigieuze, literaire uitgever van Frankrijk haar dissertatie wilde uitgeven, was niet alleen het bewijs van de hoge kwaliteit ervan. Van Rossum kwalificeerde zich daarmee ook als lid van de Parijse intelligentsia, die zich traditiegetrouw meer verbonden voelt met de literaire avant-garde dan met de academie. In de loop van de jaren bouwde ze binnen die wereld een indrukwekkend netwerk op waarvan zij ook haar Nederlandse studenten en promovendi ten volle liet profiteren. Zo kon het gebeuren dat we na de bespreking van een van de hoofdstukken van mijn proefschrift – waarvan ze het Frans meer dan eens als dat van een vache espagnole omschreef – arm in arm door de straten van Parijs marcheerden om, daartoe opgeroepen door haar bovenbuurvrouwen Hélène Cixous en Ariane Mnouchkine, te demonstreren voor verbetering van het lot van vrouwen in Iran. ‘Tous les intellectuels sont là!’, riep Françoise met haar gulle lach, waarmee ze me toch weer het vertrouwen gaf dat, met haar als promotor, zelfs een ‘Spaanse koe uit Amsterdam’ een dissertatie over les intellectuels tot een goed einde zou brengen.

Kort na haar promotie kreeg Françoise een lectoraat bij de toenmalige vakgroep Frans van de UvA, dat in 1980 werd omgezet in een professoraat Franse letterkunde. Françoise was een inspirerende en onconventionele docente. Zo waren de colleges over de literaire actualiteit bij haar studenten buitengewoon populair. Toonde je belangstelling voor de Franse letterkunde, dan vroeg ze je gerust om colleges van haar over te nemen, niet voor een cijfer of voor studiepunten, maar om academische onderwijservaring op te doen. Tijdens examens vroeg ze nooit naar feiten, maar daagde ze je uit om met een persoonlijke interpretatie van een literair werk te komen.

Haar studenten liet ze volop profiteren van haar indrukwekkende netwerk

Behalve dat ze een pleitbezorgster van de nouveau roman was, maakte Van Rossum haar studenten vanaf de jaren zeventig ook vertrouwd met het werk van een nieuwe avant-garde, voortgekomen uit het feminisme van de tweede golf: de écriture féminine, vertegenwoordigd door schrijfsters als Julia Kristeva. In dit opzicht speelde ze een belangrijke rol in de (inter)nationale verbreiding van de French Theory die, te beginnen bij de opleidingen Frans aan Europese en Amerikaanse universiteiten, vervolgens haar weg vond naar de alfa- en gammawetenschappen wereldwijd. Daaraan moet direct worden toegevoegd dat Françoise van Rossum als een van de weinigen in staat was om deze complexe materie in heldere bewoordingen uiteen te zetten. ‘Let op de witte plekken (les blancs) in de tekst’, zei ze dan. ‘Wat de auteur heeft weggelaten: daar gaat het om bij de interpretatie van literatuur.’

In een van haar laatste boeken, Le coeur critique (1997), bracht ze de twee polen van haar onderzoek samen: de nouveau roman en de écriture féminine. Daarnaast redigeerde ze samen met de Franse criticus Jean Ricardou de omvangrijke uitgave van de congresbijdragen aan het meest spraakmakende colloquium (1971) dat ooit aan de nouveau roman werd gewijd. De plek van samenkomst was een kasteeltje in het kleine plaatsje Cérisy-la-Salle, Normandië, waar elk jaar in de zomermaanden de crème de la crème van de Franse intelligentsia bijeenkwam om te debatteren over het werk van schrijvers en filosofen die op dat moment in het brandpunt van de belangstelling stonden.

Onder invloed van het feminisme kwam er ook aandacht voor ‘vergeten’ schrijfsters uit de achttiende en negentiende eeuw. Françoise, die haar sporen had verdiend met haar publicaties over Balzac, richtte zich toen ook op het werk van zijn tijdgenote, de schrijfster George Sand (1804-1876). Om Sands miskende literaire talent onder de aandacht te brengen van een academisch én een algemeen publiek ontplooide Van Rossum een breed scala van activiteiten. In september 1978 nam ze het initiatief tot een extracurriculair college over George Sand. De respons was boven verwachting en de Cercle George Sand: groupe de recherche à l’Université d’Amsterdam was geboren. De groep zou veertig jaar blijven bestaan.

In maart 2020 verscheen er een artikel over de Cercle in De Groene door Roos van der Lint. Een goede vriendin bracht het artikel voor Françoise mee, toen ze haar bezocht in haar verzorgingshuis aan een Amsterdamse gracht. Ze had daar haar intrek genomen om zo, toen het leven in haar Parijse appartement haar te zwaar was geworden, dichter bij haar dochter en kleinzoon te kunnen zijn. Ze zal vast met instemming hebben gelezen hoe haar voormalige studente, publiciste Margot Dijkgraaf, haar daarin omschreef: ‘Françoise was in alles baanbrekend. Ze was tegendraads in haar denken, absoluut niet mainstream.’ In zekere zin een Sand van onze tijd.

Met dank aan Sabine van Wesemael (UvA)