Een alternatief voor de Amerikaanse dominantie

Frankrijk als wereldmacht

Frankrijk voelt zich geroepen om een rol van betekenis te spelen op het wereldtoneel. Sinds Amerika geen tegenhanger meer heeft, is dat gecompliceerd.

PARIJS – Op de herverkiezing van de Amerikaanse president George W. Bush is in Frankrijk van rechts tot links op dezelfde manier gereageerd. Amerika mag dan het machtigste land van de wereld zijn, de Russen, de Chinezen, de Indiërs en de Brazilianen vormen ook machten waar rekening mee gehouden moet worden, zei de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Michel Barnier. En Europa wil ook een grote macht worden, vertelde hij erbij. De leider van de socialistische oppositie, François Hollande, noemde Bush’ herverkiezing een uitdaging aan Europa om een eigen buitenlandse politiek en een defensiemacht op te zetten, anders beslist het Amerikaanse imperium alleen over het lot van de wereld.

Die Franse reactie heeft met meer te maken dan alleen het Franse meningsverschil met Bush over de oorlog in Irak. Het gaat ook niet alleen om principiële bezwaren tegen het aan de kant schuiven door Bush van multilaterale besluitvorming. Belangrijk is dat Frankrijk zich geroepen voelt om een rol van betekenis te spelen op het wereldtoneel. Dat zou moeten door middel van de «multipolaire wereld» die volgens de Franse president Jacques Chirac het alternatief is voor een Amerikaanse dominantie.

Chirac vertelt graag dat hij het belangrijk vindt als overal in de wereld Frans gesproken wordt. Hij deed dat ook bij een bezoek onlangs aan Vietnam. Hij legde daar uit waarom hij zo veel waarde hecht aan de francophonie. Als mensen Frans spreken, wordt de wereld niet gedomineerd door één taal, het Engels. Dat is de taal van het machtigste land, de Verenigde Staten. Door Frans te spreken tonen mensen dat zij hechten aan een wereld die niet door één cultuur wordt gedomineerd. Verschillende talen, en dus culturen, moeten als gelijken naast elkaar kunnen voortbestaan.

Voor Frankrijk is de taal een instrument van de buitenlandse politiek. Dat is niet zomaar een gevolg van Franse trots op de eigen taal. Er zijn Fransen die vinden dat hun taal kwaliteiten heeft waaraan geen enkele andere kan voldoen. Maar Chirac is geen Franse taalpurist. Het gaat hem om de politiek. Toen ik hem in het Elysée eens vroeg of hij zijn mededeling dat het gesprek off was, in goed Frans kon herhalen, moest hij het er lachend bij laten zitten. Een medewerkster hielp hem uiteindelijk en zei dat het gesprek niet geciteerd mocht worden.

De Franse minister van Buitenlandse Zaken, Michel Barnier, zei afgelopen zomer op een bijeenkomst in Parijs van alle Franse ambassadeurs dat de Franse taal een «universele taak» heeft. Hij voegde daar direct aan toe dat culturele verscheidenheid in de wereld nodig is. Hij zei dat er regels moeten komen «om het recht van ieder volk op zijn identiteit en zijn eigen kenmerken te garanderen». Het doel is niet om de hele wereld Frans te laten spreken, maar om de Franse taal te laten fungeren als symbool van de verscheidenheid. Culturele verscheidenheid is ook het argument dat Frankrijk aanvoert als het bepleit om in Hongkong voor de moderne kunst in plaats van een dependance van het Guggenheim Museum in New York een vestiging van het Parijse Centre Beaubourg neer te zetten.

Frankrijk als wereldmacht. Kort nadat Chirac in 1995 tot president was gekozen, sprak zijn premier Alain Juppé in de Franse Nationale Vergadering deze ambitie uit. Hij kreeg een kamerbreed applaus. Van links tot rechts is men voortdurend bezorgd dat Frankrijk op een dag niet in staat zal zijn de rol van belangrijke mogendheid te vervullen. Toen Frankrijk zich begin 2003 binnen de Veiligheidsraad uit alle macht verzette tegen de Amerikaanse plannen voor een oorlog tegen Irak waren niet alle Fransen het met die houding van hun regering eens. Politiek commentator Jean-François Revel zag er een bevestiging in van de juistheid van zijn stelling dat Frankrijk leed aan een «anti-Amerikaanse obsessie». Maar dat Frankrijk een land is waar de wereld naar moet luisteren, werd door niemand in twijfel getrokken.

In de tijd van de Koude Oorlog was het voor generaal Charles de Gaulle nog tamelijk eenvoudig om met een eigen atoommacht het internationale buitenbeentje te spelen. Hij bleef met zijn principe van Franse onafhankelijkheid wel binnen het westerse kamp. Na de val van de Berlijnse Muur is de Franse positie moeilijker geworden. Frankrijk heeft te maken met de unieke positie van de Verenigde Staten, waarvoor enkele jaren geleden de toenmalige socialistische minister van Buitenlandse Zaken, Hubert Védrine, de term hypermacht bedacht. Vroeger had Frankrijk de ruimte voor een flirt met de tegenhanger van de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie. Maar sinds Amerika geen tegenhanger meer heeft, is het gecompliceerder geworden om een exclusieve Franse politieke invloed in de wereld uit te oefenen.

Franse politici begrijpen ook wel dat ze niet in hun eentje een tegenwicht voor de Verenigde Staten kunnen vormen. Ze realiseren zich pijnlijk goed dat hun politieke en militaire macht niet te vergelijken is met die van Amerika. Hun zorgen over de beperkingen van de Franse macht zijn zelfs al veel ouder dan de opkomst van de Amerikaanse hypermacht. Volgens Pascal Boniface, de directeur van het Parijse Institut de Relations Internationales et Stratégiques, is de toekomst van de Franse macht al sinds 1870, na de militaire nederlaag van de Duitsers, een vast centraal element van het Franse politiek-intellectuele debat.

Maar de Fransen willen wat. Ze vinden dat ze met hun Franse Revolutie als drijvende kracht achter de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in een uitzonderlijke positie zijn om een rol te spelen op het wereldtoneel. Het is onvermijdelijk dat zo’n principe van mensenrechten niet altijd past bij het Franse nationale belang, dat de buitenlandse politiek ook moet dienen. Toen president Chirac onlangs in China opdrachten voor de Franse industrie probeerde binnen te slepen, manoeuvreerde hij voorzichtig aangaande mensenrechten.

Omdat ze in vergelijking met de Verenigde Staten niet sterk zijn, proberen de Fransen op het wereldtoneel slim te zijn. Frankrijk bepleit niet alleen om principiële redenen een multilaterale, multiculturele wereld als tegenhanger van het unilateraal optredende Amerika. De waarde die Frankrijk hecht aan besluit vorming binnen het kader van de Verenigde Naties, binnen de Europese Unie en andere internationale organisaties heeft direct te maken met de machtspositie van Frankrijk zelf. Binnen de Europese Unie kan Frankrijk proberen een stempel op het buitenlandse beleid te zetten. Dat lukt niet altijd, maar dat is een andere kwestie. Binnen de Verenigde Naties kan Frankrijk zich inspannen om een leidende positie te krijgen onder de landen die zich niet zomaar bij de wensen van de Verenigde Staten willen neerleggen.

De verhouding tot Amerika is bij die Franse buitenlandse politiek essentieel. Toen Chirac begin oktober naar een Europees-Aziatische topbijeenkomst ging, verheugde een medewerker van de Franse president zich dan ook over het feit dat dit «een van de weinige toppen is waar de Amerikanen niet aanwezig zijn, waardoor er meer vrijuit gepraat kan worden».

Eenvoudig is het Franse recept niet om via internationaal overleg een machtspositie te verwerven. Voormalig minister van Buitenlandse Zaken Védrine beschreef in 1996 al hoe ingewikkeld dit kan worden. In verschillende gremia, zoals de Europese Unie, de Veiligheidsraad en de G8, komt Frankrijk dezelfde andere landen tegen. Die andere landen hebben hun eigen wensen. Als Frankrijk bij één van die internationale instellingen iets gedaan wil hebben, moet het zelf ook een concessie doen aan verlangens van andere landen. Maar daarbij riskeert het al gauw dat die concessie binnen een andere internationale organisatie tot ontevredenheid leidt bij een land waarvan Frankrijk steun wil hebben. Volgens Védrine leidt dit tot processen die in de huidige tijd van permanente onderhandelingen in allerlei organisaties moeilijk te beheersen zijn.

Een ander probleem voor de Franse diplomatie is de arrogantie. Het zijn Fransen zelf die dit probleem benoemen. Toen Chirac onlangs naar China reisde schreef Le Figaro nadrukkelijk dat het beeld van Frankrijk dat hij daar ging presenteren «vooral niet arrogant» zou zijn. Volgens Boniface is één van de regels waarvan het succes van de Franse multilaterale aanpak afhangt het «voorkomen van de tradi tionele Franse arrogantie (de narcistische voldoening die later kostbaar kan blijken te zijn)».

Of het nu om de arrogantie gaat waarover de Fransen het zelf hebben of over iets anders, in ieder geval kan Frankrijk zich zo gedragen dat anderen er nog lang vervelende herinneringen aan overhouden. Minister van Buitenlandse Zaken Ben Bot kreeg er ervaring mee toen hij nog diplomaat was. Bots voorganger, minister Hans van Mierlo van Buitenlandse Zaken, wilde meer Nederlandse aandacht aan Frankrijk geven. Diplomaat Bot zag toen dat als gevolg daarvan Parijs zich niet meer met Nederland ging bezighouden. Frankrijk dacht niet: ik heb een nieuwe vriend, die moet ik wat over de bol aaien. Frankrijk ging ervan uit dat er weer iemand bij gekomen was die deed wat Parijs wilde. De vanzelfsprekendheid waarmee Frankrijk de verandering van het Nederlandse beleid accepteerde, dat wil zeggen het gebrek aan belangstelling voor Nederland, werd in Den Haag als grievend ervaren.

«Frankrijk is niet groot als het arrogant is. Frankrijk is niet sterk als het alleen staat», zei de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Michel Barnier, onlangs.