Hoofdcommentaar

Frankrijk: eerder gidsland dan uniek land

F rankrijk is altijd wat opvliegender dan Nederland. Waar in de polder maatschappelijke tegenstellingen worden gedempt, erop gokkend dat ze dan niet meer opvallen, daar worden ze in de republiek op de spits gedreven in de hoop op politieke munt. Op gezette tijden zijn daarom vooral de straten van Parijs het toneel van schermutselingen tussen politie en betogers. De ME in Amsterdam is daarbij vergeleken kinderspel. In het prachtige fotoboek Century heeft samensteller Bruce Bernard die sociologische wet Brits treffend samengevat. «Parisian students keeping up their reputation for protest», staat er in het onderschrift bij een beeld van stenengooiers in een walm van traangas uit, let wel, 1983.

Maar daarmee is nu niet zoveel meer gezegd, laat staan verklaard. Het begin van de huidige rellen lijkt nog een beetje op die «reputatie» waarvan Bernard gewag maakt. In 2005 is de dood van twee jongens in Clichy-sous-Bois ten oosten van Parijs de aanleiding. Mei ’68 start ten westen in Nanterre. Le Monde heeft kort daarvoor geklaagd dat het saai is in Frankrijk. Aan de vier jaar eerder opgerichte universiteit in Nanterre buiten de ring rond Parijs broeit het echter. Studenten willen er discussiëren over president De Gaulle die de vijfde republiek als de zijne beschouwt. Vietnam speelt ook een rol. Maar de activisten krijgen pas echt steun als ze een ander thema aanroeren: de gescheiden slaapvertrekken voor jongens en meisjes op de campus. De rector weet zich geen raad en sluit Nanterre. De studenten trekken naar de Sorbonne. «De verbeelding aan de macht», is de bekendste leuze. De slogan «onder het plaveisel het strand», reikt het programma aan om de klinkers uit de straat te slopen. De rest is geschiedenis.

Ruim 37 jaar later is er geen enkele reden de huidige opstand in Frankrijk tot geschiedenis te verklaren. Niet alleen omdat het geen studenten zijn die brandschattend door de wijken marcheren, maar ook omdat ze dat niet alleen in Parijs doen maar in alle grote steden van Frankrijk. Precies tien jaar geleden is dit voorspeld in de ijzingwekkende film La haine.

Vooralsnog hebben de relschoppers geen ander politiek programma dan de eis om aandacht en geld. In de République Française wordt evenmin een verband gelegd met de islam. Ten dele omdat de revolte meer kleuren heeft dan moslimgroen, ten dele omdat die suggestie haaks zou staan op de trits liberté, égalité, fraternité in het wapenschild. Maar wat niet is, kan komen.

Ook als dat niet gebeurt, is Frankrijk niettemin een signaal voor de omringende landen. Los van de taalvaardigheid die in Nederland als panacee wordt opgediend: die speelt in Frankrijk dankzij het taalpatriottisme minder. Los van vergelijkbare culturele en sociaal-economische omstandigheden zoals: ouders zonder gezag omdat ze «losers» zijn, verveling op straat bij de tabac, verlangen naar existentialistisch matten met de politie, gebrekkige schoolopleiding, werkloosheidscijfers die elke statistische foutmarge tarten. Zelfs los van de voedingsbodem voor jihadisten – hoeveel rijpen er nu in de cités – kan Frankrijk overslaan omdat de stedelijke infrastructuur er niet uniek is. In alle grote steden van de (post)industriële wereld heeft zich de afgelopen decennia namelijk een vergelijk bare ontwikkeling voorgedaan.

Tot medio jaren zestig raakten de meeste binnensteden verscheurd door twee tegen gestelde tendensen. Enerzijds werden ze de centra van financiële dienstverlening en andere hoogwaardige economie. Anderzijds trokken de oorspronkelijke bewoners er weg zodra ze zich dat konden permitteren en bleven de bohémiens en geestverwanten achter in de langzaam rottende kernen. Aan de vooravond van de jaren zeventig dachten de bestuurders in talloze grote steden het antwoord gevonden te hebben: eerst overloop naar «licht, lucht en ruimte» voor de bewoners van de verpauperde wijken en vervolgens steun voor een langzaam herstel van de binnensteden als plek waar ook mocht worden gewoond. Wat de Marais in Parijs was, werd de Jordaan in Amsterdam. Zelfs in Moskou voltrekt zich dit proces sinds eind jaren negentig in hoog tempo. Deze zogeheten gentrification heeft talloze historische binnensteden gered van een toekomst als louter openluchtmuseum.

Maar het succes heeft een keerzijde. Zeker na de onroerend-goedhausse van de jaren negentig heeft zich bijna overal een stedelijke omgeving uitgekristalliseerd van concen trische cirkels. In de binnensteden wonen de jonge professionals. Zij kunnen dat betalen en hebben een dynamische omgeving nodig voor hun loopbaan. Straat voor straat expanderen deze wijken nu naar de vooroorlogse buitenwijken, die nog betaalbaar zijn en snel een grootstedelijke sfeer kunnen uitstralen. Ver buiten deze cirkel hebben zich tegelijkertijd suburbane conglomeraten ontwikkeld waar de middenklasse haar toevlucht heeft gezocht. Over deze Vinex-cultuur wordt door esthetici vaak lacherig gedaan. Maar de auto staat er keurig voor de deur. De huizen hebben er een tuintje. En op redelijke loopafstand is een metrostation voor het openbaar vervoer richting bioscoop, restaurant of museum in het centrum van de stad.

Daartussen is het mis. Het is geen toeval dat deze wijken zich bijna allemaal buiten de rondwegen bevinden, net achter de périphérique waar de laat-negentiende-/vroeg-twintigste-eeuwse stad ophoudt en ver vóór het weiland waar 21ste-eeuws suburbia begint. Deze wijken zijn in de tweede helft van de vorige eeuw met de beste bedoelingen gebouwd. Hard werkende arbeiders hadden ook recht op meer dan een alkoof. Het idee was dat een hoogstaander fysieke omgeving een positieve invloed zou hebben op het sociaal-culturele milieu. De Bijlmermeer is een voorbeeld bij uitstek. Maar omdat de bewoners van de Indische buurt meteen doorstoomden naar Hoorn en later Almere, bleek het zo simpel toch niet te zijn. Er is meer nodig voor burgervrede dan een centrale verwarming in plaats van een kolenkachel.

Elders is het niet echt anders. Tussen hart en buitenrand van bijna alle stedelijke agglomeraties bevinden zich de getto’s. Ook als er een bedrijvenpark is dat voor werkgelegenheid zorgt, profiteren de bewoners daar benedengemiddeld van.

Frankrijk is extreem, maar geen uitzondering in de wereld.