La Françafrique

‘Frankrijk is nog gewoon de baas’

Een paar maanden nadat de zoveelste Franse president afstand had genomen van het neokolonialisme jagen de légionnaires al weer rebellen uit een Afrikaanse dictatuur. Frankrijk lijkt maar geen afstand te kunnen nemen van het schimmige web van belangen en prestige dat La Françafrique heet.

De ene interventie is de andere niet. Waar al bijna twee jaar vruchteloos wordt gesteggeld over ingrijpen in Syrië stuurde Frankrijk een maand geleden van de ene op de andere dag een paar duizend soldaten naar Mali. Schijnbaar de hele wereld brak uit in spontaan applaus – buurlanden, wereldmachten, internationale organisaties – terwijl de Franse soldaten de ene na de andere woestijnstad binnenrolden, soms opgehouden door aanslagen of een verrassingsoffensief per kano over de Niger.

Een VN-resolutie om het allemaal te legitimeren dobbert nu pas, nu de Fransen zich al weer opmaken om uit Mali te vertrekken, zonder enige tegenstand door de Veiligheidsraad. Slechts een enkeling sputtert een beetje. Zoals de Canadese minister van Buitenlandse Zaken, die vorige week zei dat de missie in Mali ‘nu al een counter-insurgency’ is en dat Mali ‘een nieuw Afghanistan’ dreigt te worden. Maar niemand legt Frankrijk werkelijk iets in de weg. De linkeroeverintellectuelen van Parijs al helemaal niet. ‘Frankrijk neemt de morele en operationele leiding van een rechtvaardige oorlog’, ronkte filosoof Bernard-Henri Lévy op zijn blog. ‘Met zijn beperkte middelen en hoge werkloosheid staat Frankrijk aan het hoofd van een andere vorm van globalisering, een deugdzame, genereuze variant: de globalisering van de democratie en vrede.’

Dat klinkt heel mooi, maar het roept toch vooral herinneringen op aan de recente Franse interventie in Libië, waarbij Lévy in zijn oogverblindend witte overhemd welhaast de troepen leek te leiden. Algemener gesproken is de aanblik van légionnaires die rebellen uit een Afrikaanse dictatuur jagen al decennia een vertrouwd gezicht. Een argeloze toeschouwer zou kunnen denken dat militair interventionisme in Afrika officieel Frans beleid is, zoals het dat lang is geweest.

Niets is echter minder waar. François Hollande beloofde nog maar een paar maanden geleden dat hij het aantal Franse soldaten in Mali omlaag zou schroeven. Sterker nog, hij beloofde dat voor heel Afrika. ‘Frankrijk heeft geen soldaten nodig in Afrika’, zei Hollande in oktober in Senegal, ‘maar een gedeelde visie op onze verantwoordelijkheden.’ De president verklaarde dat hij vastbesloten was om de relatie tussen Frankrijk en Afrika ‘te herstarten op een nieuwe basis’. En hij verzekerde zijn publiek: ‘Het tijdperk van wat eens “Françafrique” werd genoemd, is voorbij.’

Dat was klare taal. Maar in de zaal veroorzaakte dat niet direct opwinding. Want Hollande’s afscheid van La Françafrique was niet zozeer een hartenkreet als wel een verplicht nummer voor Franse gezagsdragers. ‘De tijden zijn veranderd’, zei Hollande’s voorganger, Nicolas Sarkozy, bijvoorbeeld een paar jaar geleden even plechtig in Kaapstad. En: ‘Frankrijk kan niet meer de gendarme van Afrika spelen.’ Wat later liet de voormalige gendarme de légionnaires invliegen om orde op zaken te stellen in Tsjaad, Ivoorkust en Libië. Ook Lionel Jospin, de socialistische premier van eind jaren negentig, kondigde al een ‘nieuw hoofdstuk’ aan in de Frans-Afrikaanse betrekkingen, met ‘noch inmenging, noch onverschilligheid’ als devies. De verschillende Franse militaire bases in Afrika bleven gewoon open. Zelfs president Jacques Chirac, de neo-gaullist pur sang, prevelde bij tijd en wijle iets over ‘nieuwe bladzijden’ in de Frans-Afrikaanse betrekkingen. Maar als puntje bij paaltje kwam, leek er toch vooral heel veel continuïteit te bestaan in de ‘speciale band’ tussen Frankrijk en Afrika.

Dat verbaast in de eerste plaats de Fransen zelf. ‘De Franse positie in Afrika is veel langer intact gebleven dan iedereen hier had verwacht’, zegt Antoine Glaser vanuit Parijs. Glaser is hoofdredacteur van Africa Intelligence, een Frans tijdschrift over Afrikaanse politiek en economie voor en achter de schermen. ‘Het Franse imperium bestond bij de gratie van de VS’, aldus Glaser. ‘Toen de Koude Oorlog afliep dachten politici, analisten en militairen dat Frankrijk zijn positie snel zou verliezen. Frankrijk is nu een zwak land, dat niet op kan tegen China, Brazilië en de andere nieuwe spelers. Maar het handjeklap tussen Franse en Afrikaanse leiders is er nog steeds. De economische belangen zijn er nog steeds, ondersteund door persoonlijke relaties. En in militair opzicht is Frankrijk in Afrika nog altijd alleen. Elke Franse president zegt wel: “O ja, Françafrique is nu echt definitief afgelopen.” Maar elk van hen eindigt weer met een Afrikaans masker op.’

Wie het heden wil begrijpen van de Franse positie in Afrika moet altijd eerst een stuk terug in de tijd. Naar de geschiedenis van La Françafrique, een term die maar niet in vergetelheid wil raken, hoe graag Franse presidenten dat ook willen. De Ivoriaanse president Félix Houphouët-Boigny nam de term als eerste in de mond, in de jaren vijftig. Hij bedoelde dat positief, als omschrijving van de vaderlijke begeleiding die Parijs bood aan de staten die net onafhankelijk waren geworden van Frankrijk. Maar het duurde maar kort voor de term zijn nare bijsmaak kreeg. Françafrique begon een synoniem te worden voor een schimmig, oncontroleerbaar netwerk van politici, zakenmannen, huurlingen, diplomaten, geheim agenten en andere tussenpersonen, die geld en diensten heen en weer sluisden tussen Parijs en Afrikaanse hoofd­steden.

Volgens critici kwam Françafrique neer op een cynische ruil. De Afrikaanse leiders hielden de boel rustig in de Franse achtertuin, leverden hun bodemschatten aan Franse bedrijven, en stortten af en toe wat tonnen op geheime rekeningen waarmee Franse politici hun campagnes bekostigden. Als tegenprestatie vlogen de Fransen hun soldaten in als de woedende massa’s of de rebellen door de straten trokken, of helikopterden ze de leiders naar hun Parijse villa’s als de boel niet meer te houden was. Een soort levensverzekering voor Afrikaanse despoten in ruil voor geld, toegang en invloed. Françafrique betekende daarom eigenlijk France à fric (‘Poen voor Frankrijk’), schreef de econoom François-Xavier Verschave in La Françafrique: Le plus long scandale de la République.

De kopstukken van Françafrique vormen een rijk tableau. Zoals de machtige Jacques Foccart, rechterhand van de presidenten De Gaulle, Pompidou en Chirac, en bewezen of vermoed instigator van een reeks staatsgrepen en andere intriges. Of Maurice Robert, eerst Afrika-chef van de geheime dienst, daarna topman bij olieconcern Elf, toen ambassadeur in Gabon (dat door Elf werd leeggepompt), toen weer terug naar Elf. Omar Bongo, ruim vier decennia capo/president van Gabon, het archetype van een kleptocratische oliestaat, en eigenaar van 33 villa’s en appartementen in Frankrijk. Bob Denard, de extreem-rechtse ex-stofzuigerverkoper die Frankrijks beruchtste huurling en serieel couppleger werd en die van de Comoren een privé-koninkrijk voor hem en zijn zeven vrouwen maakte. Jean-Christophe Mitterrand, oud_-_afp-correspondent, veroordeeld wapensmokkelaar, zoon annex gezant van de president en in Afrika bekend als Papamadi (‘Mijn papa zei’). En naast hen nog een eindeloze rij minder kleurrijke, anonieme functionarissen en tussenpersonen.

Het netwerk van deze mannen leverde Frankrijk niet alleen wit, zwart en grijs geld op maar ook grote politieke voordelen. De Franse kolonies in Afrika werden in 1960 onafhankelijk, net toen generaal De Gaulle aan zijn presidentschap begon. Voor De Gaulle was het behouden van de Franse invloed en prestige als grootmacht het hoogste doel. Een Afrikaans pré-carré, een voorpost van bevriende staten, was voor hem essentieel als bolwerk tegen de voortkruipende ‘Angelsaksische’ invloed. En dus stemde de pré-carré in de Verenigde Naties en andere internationale organisaties braaf mee met Frankrijk en eisten de landen ervan overal Frans als voertaal. Ironisch genoeg bleef de pré-carré vooral intact omdat de VS de Franse positie in Afrika ijverig ondersteunden. Opeenvolgende Amerikaanse regeringen zagen Françafrique namelijk als een nuttig bolwerk tegen het voortkruipende communisme.

Na de Koude Oorlog viel de dreiging van het communisme weg, en daarmee de zwijgende Amerikaanse steun voor Françafrique. Nog erger was de morele doodsteek in 1994. Uit reconstructies van Britse kranten, Human Rights Watch en anderen blijkt dat het kabinet-Mitterrand de burgeroorlog in Rwanda zag als een ‘anglofoon complot’ tegen een Frans­sprekend land, en vervolgens met wapens, militaire adviseurs en inlichtingen de Hutu-regering steunde tegen de Tutsi-rebellen. Het liep uit op genocide. Iedereen in Frankrijk zag dat het anders moest, zelfs Jacques Chirac. En sindsdien zoekt daarom elke Franse president naar een ‘nieuw begin’ in de relatie met Afrika. En een einde aan Françafrique. Maar lukt dat?

‘Dat hangt ervan af wat je verstaat onder Françafrique’, zegt politicoloog Bruno Charbonneau, auteur van France and the New Imperialism in een telefonisch gesprek. ‘De oude, informele netwerken waar de term naar verwees – de persoonlijke, politieke, soms criminele netwerken – die dicteren het Franse beleid niet meer. Ook qua stijl is er een duidelijke verandering. De Franse regeringen hunkeren naar legitimiteit in de ogen van hun eigen bevolking en die van Afrika. De dagen van Jacques Foccart zijn voorbij, waarin Frankrijk in Afrika gewoon deed wat het wilde. Maar als je Françafrique ziet als de Franse positie en belangen in Afrika, dan zie je onder die veranderingen vooral veel continuïteit.’

Frankrijk mag dan wel afscheid willen nemen van zijn imago als neo-kolonisator en er is in Frankrijk voortdurend debat over de kosten versus de baten en de moraliteit van de Franse positie in Afrika. Maar de economische belangen op het continent, de politieke voordelen van de speciale positie en ja, de Franse rol op het wereld­toneel maken dat Franse regeringen als puntje bij paaltje komt maar weinig afstand nemen van de oude praktijk.

In militair opzicht, bijvoorbeeld. Nicolas Sarkozy wilde duidelijk een nieuwe koers varen. Hij verklaarde dat Afrika voor Frankrijk minder belangrijk was dan het Midden-Oosten en opende daarom een grote militaire basis in Abu Dhabi. Hij nam afstand van het militaire establishment en omringde zich in crisissituaties met vertrouwde adviseurs. ‘Hij imiteerde de war room van Amerikaanse presidenten’, zegt Charbonneau. Maar toen het moment kwam om een beslissing te nemen over de grote Franse militaire basis in Libreville, de hoofdstad van Gabon, besloot Sarkozy die open te houden. Ook elders bleven de laarzen op Afrikaanse bodem.

‘De Franse militaire positie in Afrika is niet aangetast’, zegt Charbonneau. ‘De interventie in Mali illustreert dat Frankrijk nog steeds wíl interveniëren in Afrika, dat het de enige is die dat ook kán, en dat er nog steeds Afrikaanse leiders zijn die erom vragen.’ En niet alleen Afrikaanse leiders. De VS lieten Frankrijk in Libië de kar trekken. In Mali trokken de Amerikanen een pak geld voor de Fransen en hielpen met militaire logistiek. De Britten ook, maar hun transportvliegtuig stond op dag één al aan de grond met panne. Dat zorgde voor enig gegniffel in Frankrijk, maar het illustreerde ook dat alleen de Fransen in de Sahel kunnen wat ze nu doen.

Ook als het gaat om de vriendjespolitiek verandert er minder dan Franse presidenten graag suggereren. Frankrijk eist nu van Afrikaanse leiders goed bestuur en sommeert oude vrienden soms om op te krassen als ze verkiezingen hebben verloren. Maar de ene vriend is de andere niet. In 2008 zei Jean-Marie Bockel, de eigenzinnige staatssecretaris voor Ontwikkeling en La Francophonie, tegen Le Monde dat hij ‘het doodscertificaat van Françafrique’ wilde tekenen. En hij bekritiseerde wanbestuur en corruptie ‘in sommige Afrikaanse staten’. Dat wekte de woede van Omar Bongo, die zich geheel terecht aangesproken voelde. Wat telefoontjes volgden naar het Elysée en Bockel werd door Sarkozy weggepromoveerd.

Sarkozy had als signaal ook de oude ‘Afrika-cel’ in het Elysée afgeschaft, waar Foccart zijn continent bestierde. Maar contact met Afrikaanse vrienden hield Sarkozy, zoals zijn voorgangers, via een informele tussenpersoon: de jurist Robert Bourgi. Toen Omar Bongo in 2009 overleed, werd diens zoon Ali in de verkiezingsrace bijgestaan door Bourgi. ‘In Gabon steunt Frankrijk geen kandidaat’, zei Bourgi toen, ‘maar de kandidaat van Robert Bourgi is Ali Bongo. En ik ben een zeer invloedrijke vriend van Nicolas Sarkozy. Op sublieme wijze zullen de stemmers het begrijpen.’ Ali Bongo won.

Ook incidenten in andere landen zetten Françafrique soms ongewenst in de schijnwerpers. In 2010 werd de spelersbus van het voetbalteam van Togo, op weg naar de Afrika Cup, beschoten door rebellen in de Angolese provincie Cabinda. Opeens zag de wereld dat daar een afscheidingsbeweging met geweld een olieprovincie van een geplaagd land afschermde. De kantoren van zowel de rebellen als de oliebedrijven die de olie nu oppompten, zaten in Parijs. Vertegenwoordigers van multinational Total, waar onder meer Elf in opgegaan is, zijn nog altijd cruciale spelers in het Afrika van vandaag.

Voor sommige Afrikaanse intellectuelen is het voortbestaan van deze patronen een enorme frustratie. ‘De nieuwe Afrikaanse leiders hebben duidelijk gekozen voor continuïteit in het beheer van Françafrique, het systeem van wederzijdse corruptie dat Frankrijk sinds het einde van het kolonialisme aan zijn Afrikaanse zetbazen bindt’, schreef de Kameroense filosoof Achille Mbembé drie jaar geleden.

In het geval van Mali spelen de informele netwerken en vriendjespolitiek volgens Jean-Marie Bockel, de voormalige staatssecretaris, echter ‘geen bepalende rol’. ‘De vorm van de interventie en het debat eromheen zijn natuurlijk bepaald door de geschiedenis van Frankrijk in Afrika’, zegt hij in een telefonisch gesprek. ‘Maar de interventie in Mali was vooral een kwestie van Franse en internationale veiligheid. De radicale islamisten moesten worden gestopt en Frankrijk is de enige die snel genoeg ter plaatse kon zijn om dat te doen.’ Dat is precies ook de positie van de Franse regering. François Hollande wil graag duidelijk maken dat deze interventie heel anders is dan die van vroeger en hamert er daarom voortdurend op dat Frankrijk nauwelijks economische belangen heeft in Mali. ‘Het enige doel van deze interventie is de strijd tegen terrorisme’, zei hij. Maar natuurlijk speelt er meer.

‘Hollande zet zwaar in op het thema van de radicale islam, om een juridisch dubieuze ingreep te verkopen’, zegt politicoloog Charbonneau. ‘Hollande blaast de terroristische dimensie enorm op. Mali is op geen enkele manier een existentiële bedreiging voor Europa. Het is een burgeroorlog in een falende staat, nota bene in een land dat lang een voorbeeld voor Afrikaanse democratie was tot de militairen vorig jaar de macht grepen. Een kwestie van mondiaal terrorisme is het zeker niet. Maar het is wel een burgeroorlog die allerlei Franse belangen bedreigde en de belangen van bevriende staten in de regio.’

Die belangen zijn, net als in voorgaande decennia, vaak economisch. ‘Hollande benadrukt steeds dat Frankrijk weinig economische belangen heeft in Mali. Dat is inderdaad waar, maar in de buurlanden zijn die belangen juist groot’, zegt Charbonneau. ‘Twee mijnen in Niger, in de provincie die naast Mali ligt, leveren het leeuwendeel van het uranium voor Frankrijks nucleaire industrie. Frankrijk stuurde meteen commando’s naar die mijnen om ze te beschermen. En er zit ook olie in Zuid-Libië en Zuid-Algerije, waar Frankrijk een oogje op heeft. Franse bedrijven zijn nog erg dominant in Ivoorkust, een buurland van Mali. Al die belangen beschermt Frankrijk door Mali stabiel te houden.’

En stabiliteit is niet alleen belangrijk voor de Franse portemonnee. Als de oorlog in Mali zich uitbreidt, bijvoorbeeld naar het instabiele Niger of Tsjaad, zal de wereld toch weer naar Frankrijk kijken om het op te lossen. Als Frankrijk dat niet doet, komen de problemen vanzelf wel naar Frankrijk. Miljoenen Fransen hebben Afrikaanse wortels, en als de Sahel-regio ontwricht zou raken, kijken de vluchtelingen vanzelf naar Frankrijk. ‘Sarkozy wilde Afrika meer loslaten, maar het thema van immigratie trok hem er vanzelf naar terug’, zegt _Africa Intelligence-_hoofdredacteur Antoine Glaser. ‘Het controleren van immigratieroutes maakt stabiliteit in Afrika belangrijk voor binnenlandse politiek. Net als het thema van de radicale islam. En net als het controleren van drugsroutes door de Sahel.’

Telkens als een Franse president zich meer wil losmaken uit Afrika blijkt Frankrijk meer verstrikt in het continent dan gedacht. Of, cynisch geformuleerd, vindt Françafrique een nieuwe reden voor zijn bestaan. Ook de droom van Franse grandeur heeft zich weer opgericht. ‘De legertop had veel invloed verloren bij Sarkozy, maar ze leunen weer sterk op Hollande’, zegt Glaser. ‘In het leger is het nog altijd een dogma dat Frankrijk zonder Afrika geostrategisch is uitgespeeld. De Franse rol in de Veiligheidsraad van de VN leunt op de militaire aanwezigheid in Afrika. Het idee dat Frankrijk daar niet zonder kan, is weer helemaal terug.’ En ook de Amerikaanse steun is terug, met de Amerikaanse zorgen om terrorisme in plaats van de vroegere Amerikaanse zorgen om communisme.

Françafrique dood? Even dood als die andere keren dat het verscheiden ervan werd aangekondigd, schreef Christophe Boisbouvier, Afrika-redacteur van Radio France International. Als na ‘Rwanda’. Als na het ‘doodscertificaat’ van Bockel. Als toen Afrikaanse leiders en Mitterrand zich symbolisch rond de doodskist schaarden van Houphouët-Boigny, de bedenker van de term Françafrique. Zelfs de illegale financiering van Franse politici bestaat volgens hem nog.

Het is een enorm contrast met de nieuwe richting die Afrika ingeslagen is. Over bijna het hele continent groeit de middenklasse en uit de hele wereld stromen de investeringen binnen. ‘Afrika is het nieuwe speelterrein voor iedereen’, zegt Glaser. ‘Frankrijk verliest voortdurend marktaandeel aan nieuwkomers. Aan China en Brazilië, natuurlijk, maar ook aan Turkije, India, Arabische landen en al die nieuwe spelers in de wereldeconomie. Maar zij zien Afrika alleen als markt en ze laten Afrika in politiek en strategisch opzicht links liggen. In de pré-carré is Frankrijk nog gewoon de baas.’