Tussen De Gaulle en ‘Charlie Hebdo’

Frankrijk moet een varkensfeest blijven

In Frankrijk woedt een intens debat over immigratie en islam en over wat het nog betekent om Frans te zijn. Een reactionaire tegenbeweging tegen linkse correctheid wint aan kracht.

Medium frankrijk

Niet eerder sinds de bevrijding in 1944 marcheerden er zoveel mensen door de straten van Parijs. Ze droegen spandoeken mee en zongen liederen. In de Assemblée Nationale, aan de overzijde van de Seine, zetten afgevaardigden de Marseillaise in. Dat was sinds 1918 niet meer gebeurd. Onze waarden laten we ons niet afnemen, zo was de boodschap na de aanslagen op het satirische tijdschrift Charlie Hebdo. Pal voor de vrijheid van meningsuiting. Iedereen was Charlie, de verdeelde natie leek één.

De hoop was dat dit moment zou voortduren. Maar de voortekenen waren niet al te best. De deelnemers aan de mars van 11 januari waren vooral afkomstig uit de blanke stedelijke bourgeoisie. De immigranten uit de banlieue ontbraken, net als de mensen uit la France périphérique: overwegend blanke arbeiders die de buitenwijken ontvluchtten en nog verder het land in trokken. In de dagen die volgden doken er verhalen op van leerlingen uit de banlieue die hadden geweigerd om de minuut stilte in acht te nemen. De cartoonisten hadden het er zelf naar gemaakt, klonk het hier en daar. Andersom kon het ook: Le Monde berichtte over een docent die zijn leerlingen had gedwongen naar de afbeeldingen van de profeet Mohammed te kijken. ‘Ik ben de baas hier’, hield hij ze voor. ‘Jullie mogen je kalasjnikovs te voorschijn halen.’

De eenheid duurde zo lang als de republikeinse mars zelf, constateerde Le Nouvel Observateur een maand later. Uit een peiling die het Cevipof, het onderzoekscentrum van het Parijse instituut voor politieke wetenschappen, liet uitvoeren bleek dat het land inmiddels weer was overgeleverd aan zijn oude demonen: de Fransen bleken onverminderd angstig, onzeker en wantrouwend. Ruim zestig procent kon zich vinden in de stelling dat de natiestaat geen verweer had tegen de economische effecten van de globalisering, ambtenaren uit Brussel en immigranten. Van de ondervraagden was 54 procent van mening dat de islam als religie niet verenigbaar was met de waarden van de Franse republiek.

De populariteit van president François Hollande, sinds zijn aantreden gedaald naar dieptes zoals die tijdens het bestaan van de Vijfde Republiek nog niet eerder waren gepeild, was weliswaar wat toegenomen, maar het vertrouwen in de instituties en het establishment was kleiner dan ooit tevoren. Een kleine meerderheid van de Fransen zou graag zien dat het land werd geregeerd door een sterke man die zich ongehinderd wist door parlement of verkiezingen. Een unicum in naoorlogs Europa.

De afrekening kwam met de departementale verkiezingen van maart. Links wist het huis te redden, maar de meubels niet, zoals het heette. De ump van voormalig president Nicolas Sarkozy won flink. Het Front National van Marine Le Pen verankerde zich nog steviger in het Franse politieke landschap. Tijdens de Europese verkiezingen van een jaar geleden kwam haar partij als grootste uit de bus. Zo langzamerhand wordt de blik verlegd naar de presidentsverkiezingen van 2017. Als die nu gehouden zouden worden, zou Le Pen de eerste ronde met overmacht winnen, een werkelijkheid die ump en de Parti Socialiste gelaten ondergaan en die voedsel geeft aan allerlei politieke speculaties.

De gevestigde partijen hebben het onheil zelf over zich afgeroepen. De presidentscampagne van 2007 was een sleutelmoment. Na twaalf jaar Jacques Chirac, le roi fainéant (de luie koning), leek het land eindelijk rijp voor hervormingen. Tot dusver hielden de Fransen blindelings vast aan hun verworven rechten. Maar na het referendum over de Europese grondwet van 2005 was de impasse waarin het land zich bevond bijna voelbaar. De energieke Sarkozy stelde hervormingen in het vooruitzicht. Hij beloofde Frankrijk op te stuwen in de vaart der volkeren. En zie: de gedesillusioneerde Franse kiezer leefde op, toonde zich bereid hem te volgen.

Toen Sarkozy vijf jaar later niet werd herkozen, was dat niet omdat hij zich manifesteerde als de patser-president, zoals vaak is beweerd. Het was omdat ook hij uiteindelijk niet leverde. Murw haakten de Fransen af. Dat bleek uit de keus voor de weinig aansprekende Hollande. Wat hij in het vooruitzicht stelde was vooral eenvoud en rust: na vijf jaar van koortsachtige spanning zonder aanwijsbare resultaten zou hij een ‘normale’ president zijn. Zelfs dat bleek hij niet te kunnen waarmaken. Op pijnlijke wijze maakte Hollande het publiek getuige van zijn buitenrelationele escapades, inclusief heimelijke bezoekjes achter op een motorscooter.

First girlfriend Valérie Trierweiler nam gruwelijk wraak: ze ontnam de impopulaire en weinig dynamische Hollande het laatste wat hem nog restte: zijn integriteit. In Merci pour le moment, het boek vol zelfmedelijden waarvan ze honderdduizenden exemplaren verkocht, onthulde ze hoe ‘Le Président’ onder vrienden minachtend sprak over de armen en kwetsbaren waarvoor hij zich sterk pretendeerde te maken. Les sans dents (tandenlozen) noemde hij die.

Wat een groots en meeslepend maatschappelijk debat had moeten zijn eindigde als een memo in de la van de premier

De impasse in de politiek maakte dat het nationale gesprek geleidelijk verschoof. Steeds minder ging het over de te ondernemen politieke actie, steeds meer over cultuur en identiteit. De Fransen hadden het niet langer over de vraag hoe Frankrijk zijn plaats in de wereld kon hervinden, maar over wie zij nu eigenlijk waren. Immigratie en islam werden de dominante thema’s. Kon het land daar nog wel iets tegenover stellen? Het gaf ruim baan aan conservatieve cultuurcritici en doemdenkers en beleefde zijn apotheose in de nasleep van de moordpartij bij Charlie Hebdo. ‘Coulibaly en de Kouachi-broers (de aanslagplegers – mk) waren “perfect geïntegreerd”’, schreef de tot het katholicisme bekeerde schrijver Fabrice Hadjadj. ‘Maar geïntegreerd in niets, in de ontkenning van ieder historisch of spiritueel elan, en dat is waarom ze zich overleverden aan een islamisme dat zowel een reactie op die leegte als de voortzetting ervan is.’

In zekere zin was president Sarkozy er zelf de aanjager van. In de hoop daar politiek munt uit te slaan organiseerde hij een nationaal debat over de Franse identiteit. Wat betekende het nog om Frans te zijn? Wat bond de Fransen? Hij riep er zelfs een afzonderlijke institutie voor in het leven: het ministerie voor Immigratie en Nationale Identiteit. Maar wat een groots en meeslepend maatschappelijk debat had moeten zijn eindigde als een memorandum in de la van de premier. Ook het ministerie stierf een stille dood.

Toch gaat het in Frankrijk sindsdien eigenlijk nergens anders meer over dan ‘nationale identiteit’. Zeker niet nadat de essayist en filosoof Alain Finkielkraut de discussie met L’Identité malheureuse (2013) van nieuwe zuurstof voorzag. En dat is zorgelijk. Want hoewel zo’n debat ogenschijnlijk louterend werkt, ergernissen en frustraties ‘uitgesproken’ en ‘benoemd’ worden, leidt het uiteindelijk tot niets.

Volgens Finkielkraut was de door het multiculturalisme ingegeven obsessie met de Ander ten koste van de eigen identiteit gegaan. Sterker nog: het respect voor die Ander, vervat in het discours van de ‘diversiteit’, was een substituut-identiteit geworden. Een tot niets verplichtende vrijheid-blijheid-cultuur, waarin iedereen elkaar ‘respecteerde’ maar in werkelijkheid volkomen langs elkaar heen leefde. Hij citeerde een artikel uit Le Monde naar aanleiding van de opname van Alexandre Dumas in de nationale galerij der groten. ‘Met Dumas treedt de vermenging (métissage) binnen in het Pantheon’, kopte de krant, verwijzend naar diens Haïtiaanse wortels. ‘Het is dus niet De drie musketiers of De graaf van Monte Cristo, maar de vermenging van rassen, culturen en tradities die wij eren’, stelde Finkielkraut verbitterd vast. Het ging niet langer om het koesteren van de Franse eigenheid, maar over het opheffen daarvan, het laten opgaan van een duizend jaar oude beschaving in een lauwe soep van ‘diversiteit’. Kosmopolieten die we tegenwoordig allemaal waren, we waren simpelweg verleerd om ‘wij’ te zeggen.

Finkielkraut ging hard te keer tegen wat volgens hem al decennia de linkse leer was. Hij wees op een rapport van Terra Nova, een centrum-linkse denktank die een belangrijke rol speelde bij de overwinning van Hollande in 2012. Dat stelde dat de socialisten het blanke arbeiderselectoraat definitief kwijt waren en zij zich beter konden richten op de minderheden in de buitenwijken en de politiek correcte bourgeois-bohème in de stadskernen. Een regenboogcoalitie die tolerantie en optimisme predikte en die zijn neus ophaalde voor het eigene. In de woorden van Finkielkraut: ‘Het Frankrijk in sepia dat zachtjes weent om haar verloren homogeniteit.’

Dat is waarom de publicist Jacques Julliard de nederlaag die de socialisten in maart leden niet omschreef als een afstraffing maar als een in de steek laten, een désaffiliation. Anders dan Finkielkraut is Julliard zich altijd progressief blijven noemen. Hij is auteur van een recent verschenen geschiedenis van links Frankrijk en is het boegbeeld van weekblad Marianne. Het maakte hem niet minder kwaad op de leiding van de Parti Socialiste. Die zei zoveel als dat ‘het volk’ reactionair was geworden en de partij dus maar van volk moest veranderen. Julliard waarschuwde dat wanneer de PS doof bleef voor de roep om worteling en eigenheid de blanke arbeidersklasse massaal zou overlopen naar het Front National – voorzover dat al niet het geval was. Hij sprak ironisch van ‘Le Grand Remplacement’ (De Grote Vervanging), een term die overal in het publieke debat rondzingt, zij het in een heel andere betekenis dan bij Julliard.

De uitdrukking werd een paar jaar geleden gemunt door de schrijver Renaud Camus in La France: Suicide d’une nation, een pamflet dat verscheen bij een obscure uitgeverij en aanvankelijk amper werd gelezen. Camus (1946) studeerde in Oxford en in Parijs en cultiveerde in de jaren zeventig vriendschappen met Roland Barthes, Andy Warhol en Louis Aragon. Begin jaren negentig nam hij zijn intrek in een kasteel in de Gers waar hij schrijft aan een imposant oeuvre. In kleine kring geniet hij faam als dagboekschrijver. Hij wierp zich in toenemende mate op als voorvechter van de Franse beschaving. Tijdens de presidentsverkiezingen van 2012 steunde hij Marine Le Pen. Begin april van dit jaar werd hij veroordeeld wegens aanzetten tot haat tegen Franse moslims.

Frankrijk, zo stelt Camus, gaat gebukt onder wat hij De Grote Deculturatie (La Grande Déculturation) noemt, veroorzaakt door De Grote Vervanging. Dankzij de immigratie uit de voormalige koloniën kleurt Frankrijk snel zwart: het land is bezig van volk te wisselen en verliest en passant zijn cultuur. De media zwijgen hier liever over en het politieke establishment (‘le Parti de remplacement’) stelt zich nu eens op het standpunt dat het met de immigratie allemaal wel meevalt en dan weer dat Frankrijk altijd een immigratieland geweest is. Open je ogen, schrijft Camus, ‘kijk naar de straten, de avenues, de wijken, de steden, op sommige plaatsen zelfs hele departementen, een onnoemelijk aantal metrostations; aanschouw de treinperrons, de minaretten en de gesluierde vrouwen, de gezichten, de klassenfoto’s – alles getuigt ervan dat het volk veranderd is, dat het woord “Frans” niet langer dezelfde betekenis heeft.’

‘Alles getuigt ervan dat het volk veranderd is, dat het woord “Frans” niet langer dezelfde betekenis heeft’

Dat is ook precies wat Jean-Marie Le Pen de in Spanje geboren en tot Fransman genaturaliseerde premier Manuel Valls te verstaan gaf: Valls is ‘slechts dertig jaar’ Frans, Le Pen zelf ‘meer dan duizend jaar’. Dit was de stap van kritiek op het immigratiebeleid of het verwijt dat Frankrijk zijn beschaving niet langer koestert naar het essentialisme van een eeuwig Frankrijk, een ondeelbaar volk en een onveranderlijke identiteit.

Bij het FN bleef de notie van een Grand Remplacement nog in verdachte hoek. Maar dankzij Éric Zemmour zou ze een breed publiek vinden en uitgroeien tot slogan van een reactionaire tegenbeweging die met de dag aan kracht wint. Zemmour is columnist bij Le Figaro en een graag geziene gast in talkshows op radio en televisie. Hij is erudiet en een geducht debater die provocerende stellingen inneemt over feminisme, multiculturalisme en het homohuwelijk. Weekbladen bestellen opiniepeilingen om zijn populariteit te meten; een smaadproces dat tegen hem werd aangespannen werd verslagen door The New York Times. Zemmour maakt er geen geheim van dat hij ‘walgt’ van zijn tijdperk. Hij beschouwt zich als vaandeldrager van de ‘reactionaire revolutie’ die gaande is. Afgelopen najaar zorgde hij voor een sensatie met Le suicide français.

Daarin gaat Zemmour op zoek naar de wortels van de huidige catastrofe. Dat woord is op zijn plaats, want het trotse, soevereine Frankrijk, zo betoogt Zemmour, is stervende, als het niet al dood is. Maar deze keer hebben de Fransen het onheil over zichzelf afgeroepen, of beter: de politieke, economische en intellectuele elites deden dat. Achtereenvolgende generaties politici leverden Frankrijk uit aan bureaucraten in Brussel en openden de poorten voor hordes immigranten uit de voormalige koloniën in West- en Noord-Afrika. Dat gebeurde dan weer onder druk van het bedrijfsleven dat op zoek was naar laaggeschoolde arbeiders, immigranten liefst, want daar viel weinig communistisch stakingsgeweld van te verwachten. Het Franse bedrijfsleven effende niet alleen de weg voor een Angelsaksisch liberalisme van sociaal-darwinistische snit, maar bezaaide het land ook met afzichtelijke hypermarchés die het einde inluidden van de patisserieën, keurslagers en traiteurs die het provinciale Frankrijk charme gaven. Een op deconstructivistische leest geschoeide generatie linkse intellectuelen legde ondertussen uit dat alle culturen gelijkwaardig waren en men zich diende in te leven in de Ander. Door alles heen deden individualisme en materialisme hun vernietigende werk en ontkrachtten wat er nog over was van traditie en christelijke waarden.

Eigenlijk is alles er sinds de dood van generaal De Gaulle op achteruit gegaan: de industrie verdween, net als de Franse frank. De Amerikaanse massacultuur had Frankrijk gedisneyficeerd en nu dreigde het ook nog een economische vazalstaat van Duitsland te worden. De staat was geen schim meer van wat ze ooit geweest was, het feminisme had van mannen ruggengraatloze doetjes gemaakt en misschien nog wel het allerergste: het oude model van assimilatie was ingewisseld voor wat eufemistisch ‘integratie’ werd genoemd, maar wat er in de praktijk op neer kwam dat je mocht doen en laten wat je wilde. Het best viel dat nog waar te nemen bij de voornamen die kinderen kregen. Waar immigranten er vroeger niet over peinsden hun kinderen on-Franse voornamen te geven, was het nu overal Matteo, Kimberly of, nog erger, Mohammed wat de klok sloeg. Er waren zelfs wijken, zo wist Zemmour, waar ‘Mohammed’ bij pasgeborenen de meest voorkomende voornaam was – ‘een toppositie die klinkt als een belofte tot dominantie en verovering’.

De term ‘Grand Remplacement’ valt niet in Le suicide français, hoewel Zemmour de taalvondst van Camus in interviews wel bezigde. Hij volstond daarin met het beruchte citaat van de Algerijnse oud-president Boumedienne, die ooit bezwoer dat het zuidelijk halfrond het noordelijk halfrond via immigratie zou veroveren. ‘De buiken van onze vrouwen zullen ons de overwinning brengen’, zei Boumedienne in 1974 bij de Verenigde Naties. Voor Zemmour bewees het alleen maar het gelijk van De Gaulle die de Arabieren van Frans Algerije geen burgerrechten had willen geven omdat zijn woonplaats Colombey-les-deux-Églises anders binnen de kortste keren ‘Colombey-les-deux-Mosquées’ zou heten.

Werd de vrees van de generaal na vijftig jaar alsnog bewaarheid? Zemmour ziet niet wat de trend zou kunnen stoppen. De meest hardvochtige passages uit zijn boek reserveert hij voor de circa vier tot zes miljoen Franse moslims. Die vormen een ‘volk binnen een volk’ dat zich weigert aan te passen en de eenheid van het sociale lichaam aantast, een ennemi intérieur, waarmee dient te worden afgerekend zoals kardinaal Richelieu destijds bij La Rochelle afrekende met de Hugenoten: door een volledige overgave.

Zemmour als een hysterische onheilsprofeet diskwalificeren is verleidelijk, maar zijn verkoopcijfers en ontelbare optredens in de Franse media wijzen erop dat achter zijn succes een breed gedeeld onbehagen schuil gaat. Dat wordt gevoed door de economische crisis, maar heeft veel diepere wortels. Het gaat terug op het pijnlijke verlies van Algerije en een groeiend besef dat Frankrijk niet langer leidend is, zelfs niet in Europa. Erger: dat wat het land is of voortbrengt niet langer meer voldoet en geheel en al is overgeleverd aan de gure wind van de globalisering.

Dit sluimerende gevoel van onmacht kristalliseert uit rond thema’s als immigratie en islam omdat die als de meest zichtbare bewijzen van die onmacht worden ervaren. Overvolle bootjes en hoofddoekjes, niets lijkt de politiek eraan te kunnen of willen doen. ‘De islam, en nog eens de islam! Al maanden gaat het nergens anders over’, verzuchtte de publicist Julliard. ‘Terwijl de moslims zich er zelf grotendeels buiten houden, is het publieke debat bezig dol te draaien.’

De stadscentra worden door de buitenwijken ‘omsingeld’ en ‘bedreigd’, een burgeroorlog ligt in het verschiet

Nu is het zeker niet zo dat de islam in Frankrijk helemaal geen probleem is. De vermaarde islamoloog Gilles Kepel trok de buitenwijken ten noorden van Parijs in en constateerde in een veelbesproken rapport (Les banlieues de l’islam, 2011) dat het salafisme er fors terrein gewonnen had. En niet alleen dat: de islam rukte over de gehele linie op, op een veel sterkere manier dan de République française kon bijbenen. Maar hij erkende ook dat de machine die ooit van boeren burgers maakte was vastgelopen en dat werkloosheid en subtiele uitsluitingsmechanismen daarbij een rol speelden.

En wanneer dan blijkt dat emancipatie alleen voor een enkeling is weggelegd en niet langer een groepsaangelegenheid is, liggen frustratie en verbittering op de loer. Terugvallen op een religieuze identiteit is dan verleidelijk. Wie met de Thalys door de grijze woonmassa’s van het departement Seine-Saint-Denis vlak voor Parijs boemelt ervaart iets van de gevangenissen die deze flats óók zijn. Zemmour heeft voor dat soort problemen weinig geduld: de stadscentra worden door de buitenwijken simpelweg ‘omsingeld’ en ‘bedreigd’, een burgeroorlog ligt in het verschiet – het staat er allemaal echt.

Tegengeluid is er natuurlijk wel: Edwy Plenel, oprichter van de invloedrijke linkse internetkrant Médiapart, schreef een pamflet waarin hij het voor de Franse moslims opnam en onlangs was er de polemiek rond het boek van de demograaf Emmanuel Todd (Qui est Charlie?), die kritiek op de islam wil verbieden omdat het de religie zou zijn van een sociaal kwetsbare groep. Maar serieuze tegenspraak is iets anders. Het maakt dat het dominante discours nu is dat mensen die de sociale en economische uitsluiting van immigranten en hun nakomelingen aankaarten, worden weggehoond als wegkijkers, goedpraters of simpelweg als ‘sociologen’. Zemmour maakt er geen geheim van dat hij zich laat inspireren door de Italiaanse marxist Antonio Gramsci en diens concept van culturele hegemonie.

Dat lijkt te lukken. ‘Het einde van het multiculturele discours is nabij’, stelde de filosoof en islamoloog Olivier Roy in Le Monde, om daar in één adem aan toe te voegen dat de visie van Finkielkraut en Zemmour op niets is gebaseerd. ‘Het Franse integratiemodel functioneert in werkelijkheid veel beter dan we denken. Beter zelfs dan in Nederland of Duitsland. Sla een telefoonboek open in een Franse provinciestad en je zult zien dat er onder de vrije beroepen veel mensen met Arabische namen zijn. Het zijn artsen, advocaten, apothekers.’

Le suicide français eindigt met de mogelijkheid van een burgeroorlog, dat is de realiteit waarmee Soumission, de nieuwe roman van Michel Houellebecq, begint. Houellebecq zet een grimmig openingsdecor neer: het is de vooravond van de presidentsverkiezingen van 2022 en Frankrijk is ten prooi aan etnisch en religieus geweld. Rechts-extremistische groeperingen nemen het op tegen bendes immigranten uit de banlieue. Het geweld luwt pas wanneer Mohammed Ben Abbes is gekozen, de kandidaat van de Moslimbroederschap die een pact met het politieke establishment heeft gesloten in een poging Marine Le Pen buiten het Elysée te houden.

Wat Houellebecqs roman in potentie veel angstaanjagender maakt dan Zemmours boek is niet zozeer het perspectief van een moslimpresident of de milde vorm van sharia die hij invoert, maar de dociliteit waarmee de bevolking dat allemaal over zich heen laat komen. Er lijkt zich zelfs een zekere opluchting van de samenleving meester te maken, blij als ze is dat er een alternatief blijkt voor de koortsachtige hebberigheid van het consumentisme en de eenzaamheid van het moderne individualisme. Daarmee raakt hij aan de allerdiepste angst van de islamcritici: dat al hun waarschuwingen niet alleen aan dovemansoren zijn gericht, maar dat het vermoeide en decadente Westen er heimelijk naar verlangt dat de islam haar in bezit zal nemen.

Zoveel maakt ook Robert Rédiger duidelijk. Dit faustiaanse personage heeft zijn talent in dienst gesteld van de nieuwe macht en daarbinnen snel carrière gemaakt: hij is inmiddels rector van de nu islamitische Sorbonne-universiteit. In zijn magnifieke appartement aan de Rue Monge brengt Rédiger het gesprek op de schandaalroman Histoire d’O (1954) waarin de vrouwelijke hoofdpersoon zich vrijwillig onderwerpt aan de grillen van haar minnaar. Niet de sadomasochistische setting intrigeert Rédiger, maar het idee dat het toppunt van geluk in de meest volledige onderwerping huist en die naar zijn idee te vergelijken is met de verhouding tussen de islamitische God en de gelovige. Dat is direct ook het belangrijkste verschil met het christendom, vervolgt Rédiger: de islam neemt de wereld zoals die is, niet zoals die zou moeten zijn. Hoofdpersoon François, een universitair docent gespecialiseerd in het werk van de negentiende-eeuwse symbolist J.-K. Huysmans, staat model voor de decadente Europese beschaving en gaat er een heel eind in mee, maar uiteindelijk geeft de aanblik van de tweede vrouw van zijn gastheer de doorslag: een vijftienjarig meisje in een Hello Kitty-T-shirt dat Rédiger heeft kunnen trouwen dankzij de polygamie die nu toegestaan is.

Ver voor Soumission in de winkels lag was het boek al onderwerp van heftige polemiek. Beschuldigingen van ‘islamofobie’ waren niet van de lucht. Maar door de islam als iets aantrekkelijks voor te stellen, zette Houellebecq zijn critici direct al op het verkeerde been. De avond voor de publicatie was hij tien minuten lang te gast bij het Franse achtuurjournaal. Hij kreeg de vraag of het wel verantwoord was in het huidige klimaat, zo’n roman – en dan moesten de aanslagen op Charlie Hebdo, de dag erna, nog komen. ‘Alsof een roman ooit de loop van de geschiedenis veranderd heeft’, antwoordde hij, de natie in verwarring achterlatend.

Wat het overspannen maatschappelijk klimaat vooral laat zien is dat ieder debat over ‘de’ islam, over ‘onze’ waarden of ‘de’ nationale identiteit uiteindelijk een impasse zal blijken, hoe intens het debat erover ook wordt gevoerd. De politiek-filosoof Pierre Manent laat dat mooi zien in het recent verschenen La vie sans loi, een studie over Michel de Montaigne. Volgens Manent bevindt de auteur van de Essais (1580) zich op een punt in de geschiedenis waar twee werelden samenkomen: die van het dwingende gelijk van de zo door Montaigne bewonderde klassieken en die van de nieuw ontdekte beschavingen in de nieuwe wereld. ‘Als ik de vraag stel naar cultuur en bekijk wat ik gemeen heb met de mensen die ik bestudeer, dan luidt mijn antwoord: niets!’ zo verwoordt Manent het dilemma van Montaigne. Studie van deze culturen kán geen kennis van de mens opleveren omdat het aantal mogelijkheden oneindig is. Dat zou je het linkse cultuurbegrip kunnen noemen: het multiculturalisme zal nooit een ‘wij’ opleveren maar slechts een oneindig uitdijend universum van ‘zij’.

Maar over rechts leidt het evenmin tot iets. Wanneer mensen als Camus, Zemmour of Le Pen het over ‘de Franse cultuur’ hebben, willen ze die benoemen, haar tot identiteit maken. Maar wanneer je een cultuur tot identiteit laat stollen houdt ze op cultuur te zijn, omdat die in de aard van de zaak veranderlijk is. In plaats van een uitdijend ‘zij’ blijf je achter met een gefixeerd ‘wij’, waarin uiteindelijk niemand zich helemaal kan vinden. Je ziet het in het stadje Hayange waar de FN-burgemeester een Fête de cochon organiseerde dat de Franse identiteit moest uitdrukken (en moslims een lesje leren): charcuterie en rode wijn. Maar is een geheelonthouder dan opeens geen Fransman meer? Het zou er dan ook niet over moeten gaan hoe we met elkaar moeten samenleven, maar wat we met elkaar willen ondernemen. Dat is de politieke vraag, want wie een groep mensen niet cultureel, maar politiek beschouwt, doet dat vanuit het gezichtspunt van een mogelijke actie, een te nemen initiatief. En dat laat in Frankrijk al heel lang op zich wachten.


Beeld: (1) Finkielkraut zag een tot niets verplichtende vrijheid-blijheid- cultuur, waarin iedereen elkaar ‘respecteerde’ maar in werkelijkheid volkomen langs elkaar heen leefde, Parijs, 22 mei (Dmitry Kostyukov / The New York Times / HH)