Frankrijk sterft een stille dood

Bij de verschijning van de Engelse vertaling van Michel Houellebecqs Soumission schreef New Yorker-recensent Adam Gopnik dat Houellebecq ‘simpelweg een satiricus is. Hij houdt er van om iets te nemen dat nu gebeurt en zich dan voor te stellen wat er gebeurt als dat blijft gebeuren. Dat is wat satirici doen. Jonathan Swift zag dat de Engelsen de Ieren behandelden als beesten; wat als de volgende natuurlijke stap zou zijn dat ze hun baby’s opaten?’

Het is niet dat Gopnik ongelijk had. Maar het voelt zo wrang Soumission, of Onderworpen, als het werk te zien van ‘simpelweg een satiricus’. Lang voordat theorieën over ‘omvolking’ vruchtbare bodem vonden bij paranoïde rechts, verzon Houellebecq een verhaal over een Frankrijk waarin links moedwillig een monsterbond aangaat met een islamitische partij en Frankrijk zo, bijna zonder slag of stoot, islamitische wetgeving accepteert. Joodse Parijzenaars ontvluchten het land, vrouwen verliezen allerlei burgerrechten, Marokko, Algerije, Tunesië en Turkije treden toe tot de Europese Unie. Op rechtse fora zijn zulke toekomstangsten schering en inslag.

Het voelt vooral ook cru om het slechts als satire te zien, aangezien op de dag dat Onderworpen uitkwam, op 7 januari 2015, twee gewapende terroristen de redactie van Charlie Hebdo binnendrongen en er twaalf mensen vermoordden. In de culturele beleving van dat moment vielen het boek en de gruwelijke aanslag samen.

En toch is de aanslag mijlenver van het Frankrijk dat Houellebecq in Onderworpen schetst. Het boek en de moordpartij zouden losgekoppeld moeten worden. Het boek gaat niet zozeer over gewelddadig botsende beschavingen als over beschavingen die langzaam over elkaar heen schuiven, waarbij de een bovenkomt en de ander wordt weggedrukt. Het vrije Frankrijk sterft een stille dood. De hoofdpersoon van de roman, een hoogleraar aan de Sorbonne, ontvangt nog een keer zijn jonge minnares Myriam (‘Elk van haar blowjobs zou genoeg zijn geweest om het leven van een man te rechtvaardigen’, denkt hij, heel houellebecqiaans). Ze is joods en staat op het punt om naar Israël te emigreren. De fellatio-scène die volgt is een vreemde eend in het werk van Houellebecq, dat vaak zo plat provocatief misogyn kan zijn: de scène is ingetogen, elegisch opgeschreven. Alsof Myriam een laatste ritueel uitvoert waarmee ze afscheid neemt van de seksuele vrijheid.

Bovendien heeft de leider van de politieke islam in Frankrijk, Ben Abbes, niets op met terroristen. Of zoals een kenner het in Onderworpen uitlegt: ‘Je moet hem niet zien als een talib of een terrorist, dat zou een grote inschattingsfout zijn; voor dat soort lui heeft hij alleen maar minachting. Als hij het over hen heeft in zijn opiniestukken in Le Monde zie je achter zijn beleden morele afkeuring heel duidelijk de nuance van minachting doorschijnen; in feite beschouwt hij terroristen als amateurs.’

Abbes is in alles een redelijke figuur. Onderworpen is dan ook niet – zoals ook Gopnik opmerkte – islamofobisch, maar francofobisch. De Franse katholieken vinden aansluiting bij Abbes omdat hij hen sterkt in hun nostalgische wens een conservatieve samenleving te herbouwen – in feite om ’68 terug te draaien. Zij hebben iets te winnen, ze zijn opportunistisch. Het zijn de liberale Fransen die als cynisch en laf worden afgeschilderd. Ze hebben het lef niet te vechten voor hun vrijheden, zijn te verwend om te zien hoe bijzonder de vrije samenleving in Frankrijk is. Ze zijn, om in dergelijke reactionnair-rechtse terminologie te blijven, oikofoob.

Maar hoe zit dat bij de deelnemers aan onze enquête? Lezen ze hier slechts literaire satire, of is het meer dan dat en stelt Houellebecqs fantasie hen in staat hun ergste nachtmerries te ondergaan in de wetenschap dat ze straks het boek weer veilig mogen dichtklappen? Het is in ieder geval het summum van wat fictie te werk kan stellen. Houellebecq haalde met zowel Onderworpen als De kaart en het gebied deze top-21, maar zijn andere romans (De mogelijkheid van een eiland, Serotonine en Platform) werden ook veelvuldig genoemd. Als we niet hadden gevraagd naar een specifieke roman maar naar de schrijver van de eeuw, dan was Houellebecq onherroepelijk op de eerste plaats geëindigd.


Naast Houellebecq noemde Joost de Vries Jennifer Egan, A Visit from the Goon Squad; Mohsin Hamid, Exit West; Edward St Aubyn, At Last; Hilary Mantel, Wolf Hall en Harry Mulisch, Siegfried