Gat in de muur, gat in de markt

Frankrijks best bezochte monument

Het Franse satirische weekblad Le Canard enchaîné wantrouwt technische vooruitgang. Toch worden er wekelijks vijfhonderdduizend exemplaren verkocht.

PARIJS – In de nacht van 3 december 1973, na afloop van een theatervoorstelling, loopt André Escaro, tekenaar bij Le Canard enchaîné, door de Rue du Faubourg-Saint-Honoré, waar hij zijn auto heeft geparkeerd. Tot zijn verbazing ziet hij licht branden op zijn redactie. Het pand van Frankrijks beruchtste weekblad wordt op dat moment verbouwd en Escaro, bezorgd om de energierekening, besluit naar binnen te gaan en het licht te doven. Hij betreedt het pand en treft in de directiekamer zes onbekende mannen aan, die de muren volstoppen met afluisterapparatuur. Naar spoedig blijkt gaat het om agenten van de Franse inlichtingendienst; een van grootste schandalen uit de Franse persgeschiedenis is geboren.
In het persdossier dat Le Canard naar geïnteresseerden stuurt figureert de anekdote prominent. Zelfs een foto van het gat in de muur van de directiekamer ontbreekt niet. ‘Het best bezochte monument van Frankrijk’, luidt het onderschrift.
In de ontvangsthal van Le Canard kijkt hoofdredacteur Claude Angeli (1931) zijn bezoeker een ogenblik niet-begrijpend aan als die hem vraagt of hij het monument mag bezichtigen. Le Canard bouwde dankzij spraakmakende onthullingen een grote naam op en beschikt over een leger informanten in en rond het verderop in de straat gelegen Elysée-paleis. Van pottenkijkers is Le Canard zelf echter niet gediend. Maar dan breekt er een grijns door op het gelaat van de man die ooit onthulde dat president Giscard d’Estaing diamanten had aangenomen van de Afrikaanse dictator Bokassa. Angeli veert op, grijpt de telefoon en vraagt of er een redacteur beschikbaar is voor een rondleiding.
Het wordt Jean-François Julliard, zoon van Jacques, de bekende historicus en intellectueel, en zelf al bijna dertig jaar redacteur van Le Canard. ‘Ooit was hier een Hongaarse schrijver op bezoek’, zegt hij. ‘Hij vergeleek Le Canard met het oeuvre van Colette, omdat het bol staat van de eigenaardigheden die voor een niet-Fransman onmogelijk te begrijpen zijn.’
Op de derde etage opent Julliard de deur naar de directiekamer. Daar bevindt zich, behalve het gewraakte gat in de muur, ook een enorme glazen kast met foto’s en trofeeën. In een hoek van de ruimte ligt een pluchen eend, ‘een cadeau van de Italiaanse president Sandro Pertini’, zegt Julliard terloops.
VOOR WIE NOG twijfelt: de in 1915 opgerichte Canard enchaîné is veel meer dan alleen een weekblad. Het is een instituut. Republieken kwamen en gingen, net als hun presidenten. De meest ingrijpende verandering bij Le Canard in al die jaren was de uitbreiding van vier naar acht pagina’s. De karakteristieke opmaak bleef gehandhaafd, net als het dikke papier en de overdaad aan cartoons en politieke roddels. Le Canard maakt geen reclame voor zichzelf en evenmin beschikt het blad over een noemenswaardige internetsite. ‘Le Canard heeft altijd een gezond wantrouwen jegens technische vooruitgang gehad’, zegt adjunct Louis-Marie Horeau van achter zijn bureau. ‘Zo waren we de laatste Parijse krant die in lood werd gezet. Met internet is het net zoiets.’
Daarmee tart het blad alle wetten van de bladendokters en mediagoeroes, want ondertussen verkoopt Le Canard wél ruim vijfhonderdduizend exemplaren per week. Hoe dat kan? Horeau houdt het op de combinatie van eersteklas informatie en satire: ‘Onze berichtgeving is betrouwbaar, maar tegelijk nemen we onszelf niet al te serieus.’ Wat volgens Julliard ook meespeelt is het feit dat journalisten van Le Canard buiten het reguliere circuit opereren: ‘We gaan niet naar grote persconferenties, volgen onze eigen agenda en worden zodoende niet met de rest van de Franse journalisten op één hoop geveegd.’
En dat komt het imago van Le Canard bepaald ten goede. Jaar in, jaar uit blijkt dat het publiek het Franse journaille voor geen cent vertrouwt. Niet zo vreemd voor wie bedenkt dat bijna alle grote titels in handen zijn van industriëlen met nauwe banden met de politieke macht. Neem alleen al de drie grote dagbladen: Le Figaro kwam in handen van Serge Dassault, Le Monde liet zich herkapitaliseren door Arnaud Lagardère, Libération door Edouard de Rothschild – zakenlieden die warme banden onderhouden met president Sarkozy. En zakenkrant Les Echos? Die is sinds kort in handen van Vincent Bolloré, de man wiens vliegtuig Sarkozy leende tijdens een romantisch weekend met Carla Bruni in Egypte. En zo gaat het door.

DIE VERWEVENHEID met de economische en politieke macht draagt zeker bij aan het slechte imago van de Franse journalistiek, meent Julliard: ‘Zelfs als er geen sprake is van directe politieke inmenging, dan is daar toch op z’n minst altijd de schijn van.’ Ook in dat opzicht is Le Canard anders dan de rest: het blad is eigendom van de journalisten die er werken en dankzij de uitstekende verkopen beschikt het blad over een oorlogskas van zo’n negentig miljoen euro.
Die financiële onafhankelijkheid is een belangrijke troefkaart. Want behalve met een gebrekkige onafhankelijkheid kampen Fransen kranten – net als elders in de wereld – met gestage oplagedalingen. In een poging de neerwaartse spiraal te stuiten organiseerde president Sarkozy afgelopen najaar een overlegronde met acteurs uit de krantenwereld: Les États Généraux de la Presse. Het initiatief trok internationaal veel belangstelling met onder meer het voorstel om jongeren op hun achttiende jaar een krantenabonnement cadeau te doen, iets waar de communistische krant L’Humanité de afgelopen jaren al succesvol mee experimenteerde.
Le Canard achtte deelname aan de États Généraux ongepast en zag zich daar achteraf in bevestigd. Claude Angeli, briesend: ‘Na afloop van de beraadslagingen zei Sarkozy: “Ik zal mijn conclusies trekken.” Stel je voor! De uitvoerende macht die een “Staten-Generaal” voor de pers organiseert en daar vervolgens “zijn conclusies” uit zal trekken!’ ‘Iedereen klaagt nu over teruglopende oplages’, stelt Louis-Marie Horeau. ‘Ik zeg: begin nu eens met het maken van een krant die niet de reflectie is van de politieke en economische belangen die erachter schuilgaan.’
Angeli is milder. ‘Le Monde en Libération verdienen meer lezers dan ze nu hebben’, zegt hij terwijl hij met een blauwe viltstift de relatief bescheiden oplagecijfers van beide dagbladen omcirkelt. ‘Ook het publiek heeft schuld. Dat is veel minder nieuwsgierig dan vroeger.’