Ger Groot

Frans Turkije

In een provinciestad in Zuidoost-Turkije geeft een leraar een proefwerk Frans. Het is 1949, de leraar is nieuw, verstrooid en met zijn aandacht alleen bij zijn boek. Voor de leerlingen een gouden kans: fluisteren, afkijken, al snel wordt het een chaos in de klas.

Eindelijk roept de leraar: «Zien jullie niet dat ik aan het lezen ben?» Na afloop komt één leerling naar hem toe: door welk boek raakte hij zo geabsorbeerd? Hij laat het zien: Henry Miller, Black Spring, in de Franse vertaling: Printemps noir.
Dat verhaal wordt verteld door de Turkse schrijver Nedim Gürsel in zijn onlangs verschenen jeugdherinneringen Au pays des poissons captifs (Uitg. Bleu autour). De leraar was zijn vader, die jong zou sterven, net als de nieuwsgierige leerling die Henry Miller mee naar huis kreeg en voor het schrijverschap was voorbestemd. De eerste kwam om bij een verkeersongeluk, de tweede bij een fundamentalistische aanslag.
Dat zijn twee Turkijes inéén: dat van het islamitisch integralisme én dat van de moderniteit die doordringt tot in de diepste provincie. Wellicht is het eerste op een perverse manier het gevolg van het tweede. Maar wie Gürsels innemende herinneringen leest moet wel onder de indruk raken van de gretigheid waarmee het land, waarschijnlijk al van vóór Atatürk, de Europese cultuur in zich opzoog.
Gürsels eigen familiegeschiedenis was er een voorbeeld van. Gelovige groot ouders brachten hem bij tijd en wijle iets van de islam bij. Zijn ouders deden er niets meer aan. Hun vorming was seculier en wetenschappelijk. Zijn moeder studeerde mathematica en werd wiskundelerares. Zijn vader doceerde Frans, vertaalde Henri Troyat en publiceerde soms in een tijdschrift dat naar de aard van die periode Existentie heette.
Want de grote cultuur waar zij zich naar richtten was nog Frans, zoals ze dat in de negentiende eeuw was geweest. Niet alleen in Turkije bleef dat voor de verlichte middenklassen nog tot ver na de Tweede Wereldoorlog zo. Ook in de voormalige Oostbloklanden en in de Sovjet-Unie vormde de Franse cultuur een immens toevluchtsoord voor wie de alledaagse grauwheid niet verdroeg. We danken er Le testament Français van Andreï Makine aan, en twee jaar geleden beschreef Antoni Libera dat verleidelijke inneres Exil opnieuw in zijn schelmen- en Bildungs -roman Madame.
Na de Turkse staatsgrepen van de jaren zeventig en tachtig vond Nedim Gürsel tot tweemaal toe – en ten slotte definitief – exil in Frankrijk zelf, waar de cultuur van oudsher leeft van de absorptie van intellect van elders. Méér zelfs dan in de Verenigde Staten, waar het karakter van melting pot zich zoveel gemakkelijker aan laat aflezen. Frankrijk blijft onmiskenbaar zichzelf en absorbeerde ten slotte ook Gürsels moeder, die na de dood van haar man zijn vertaalwerk voortzette. Als weduwe woonde ze op haar beurt een jaar lang in Parijs, waar ze al die tijd haar hotelkamer nauwelijks verliet, ijverig in de weer met de teksten van Robbe-Grillet, Nathalie Sarraute en André Gide.
Waarschijnlijk hebben de VS ook in Turkije het oude Frankrijk verdrongen als cultuurideaal. Beide voorbeelden weerspiegelen Turkijes verbluffende moderniteit in haar opeenvolgende stadia, die ook het westers-literaire voorbeeld er van karakter doet veranderen. Anders dan de Franse biedt de Amerikaanse literatuur in haar dynamiek nauwelijks een plek om te verblijven. Ze moet voort en gunt zichzelf geen tijd om te bezinken tot het alluvium van een veilig toevluchtsoord.
Groot is dan ook geen woord dat men snel op de Amerikaanse literatuur zal toepassen, zoals op de grande culture van Gürsels ouders. Overdonderend misschien, maar geen plek om heimelijk te verblijven te midden van de barbarij. Turkije kan het inmiddels stellen zonder een dergelijk monument, net als het Oostblok. Bemost blijft het achter als herinnering aan Gide, Proust, Troyat – wie kent hem nog? – en zelfs aan Henry Miller, als Amerikaan ondenkbaar zonder Clichy.