Franse fabrieksscènes

Grote toneelbedrijven kennen we in Nederland niet. De speelse naam van een project waarmee Toneelgroep Amsterdam het afgelopen seizoen door Nederland en Vlaanderen reisde (‘De toneelfabriek’) was eerder een knipoog naar de continuproduktie van de grote theaterfirma’s uit de jaren vijftig en zestig dan een poging die fabrieken echt te doen herleven.

Door de versplintering èn de structurele vermindering van de subsidies kan geen enkel gezelschap in Nederland meer een Shakespeare volledig bezetten, laat staan zo'n produktie meerdere seizoenen doorspelen.
In enkele ons omringende buitenlanden bestaan die grote toneelbedrijven nog wel. Bij de Comédie-Française (standplaats: Parijs) werken vierhonderd mensen, jaarlijks spelen ze zeshonderd voorstellingen waarvan vierhonderd in hun thuistheater (vraag me niet hoe dat kan met maar 365 dagen per jaar - laten we aannemen dat het gezelschap 35 matinees speelt).
De Amerikaanse filmer Frederick Wiseman, die eerder zijn camera neerzette in gevangenissen, warenhuizen en hospitaals (wat memorabele documentaires opleverde), filmde in 1994 en 1995 het werken en (over)leven in Frankrijks meest gerespecteerde toneelfamilie, met als resultaat de vier uur durende documentaire La Comédie-Française ou L'amour joué, die zondag 31 augustus in Amsterdam en Hilversum wordt uitgezonden door de zendgemachtigde die gespecialiseerd is in kunstprogramma’s: Het Kunstkanaal. De film is een aardig alternatief voor de ‘kunstvertrutting’ die dat weekend via de publieke omroep te bezichtigen is: de voorspelbare reportages over de Amsterdamse Uitmarkt, editie 1997.
Wisemans film (vrij vertaalde ondertitel: De gespeelde liefde) vergt veel geduld van de kijker. Zijn camera blijft minutenlang hangen bij een kassa, waar een onverbiddelijke mevrouw (type tante Sidonia) een Parijs’ gemeenteraadslid afbluft: niet besteld, geen kaartje, niks meer vrij, jammer, volgende keer beter. De mooiste scènes in Wisemans documentaire vinden sowieso buiten het theaterpodium plaats. Zijn geduldige camera zoemt met name ongenadig in op de vergaderingen bij La Comédie-Française. De ondernemingsraad spreekt over vergoedingen voor gebitten, brillen en gratis telefoons voor acteurs en actrices. Die gesprekken zijn zonder enig medelijden voor de sprekers en spreeksters in beeld gebracht. En daar zie je het failliet van de toneelfabrieken ook ontluisterend in beeld gebracht. Alles is veel te groot geworden en bovendien gekluisterd in de boeien van duizenden regeltjes. De budgetbewaker van het gezelschap ziet eruit als een topman van een multinational en zijn stijl van vergaderen heeft niets van doen met het idioom dat tijdens de theaterrepetities wordt gehanteerd. Van de dialogen in het repetitielokaal wordt de theaterliefhebber ook al niet vrolijk: heftige, maar tamelijk zinloos ogende discussies over een paar regels Molière of Marivaux, curieuze botsingen van grote ego’s, tekstrepetities met regels Racine, terwijl ondertussen pruiken op kale koppen worden gelijmd.
Het toneelbedrijf La Comédie-Française wordt liefkozend 'la maison’ genoemd, en hoewel er in de informele bijeenkomsten veel gezelligheid wordt geveinsd kan ik er in geen velden of wegen een echt huis in ontdekken. In het tweede deel van de documentaire krijgen we te zien waar het allemaal om begonnen is: theater, de zorgvuldig gekoesterde 'toneeltraditie’, scènes uit Molière, Feydeau, Marivaux en Racine. Ook hier is Wisemans camera onbarmhartig in de registratie van het museumtoneel waar althans déze theaterliefhebber geeuwend bij wegdoezelde, verlangend naar een spannende vergaderscène over een staking van de technici, of de prachtige reportage waarin een actrice ter ere van haar honderdste verjaardag wordt geëerd en toegesproken.
La Comédie-Française ou L'amour joué is bijna ondanks zichzelf een warm pleidooi tegen de toneelfabrieken die wij in Nederland allang niet meer kennen. Ze roept een diep verlangen op naar kleinschalige theaterpassie. Frederick Wiseman zet (misschien ongewild) forse vraagtekens bij zoiets als een lang gekoesterde 'theatertraditie’. Wat is dat nou eigenlijk? Nostalgie, heimwee naar de blauwe luchten van weleer! Niks meer, niks minder.
Het heeft wel een mooie film opgeleverd.