Franse sleur

Had de Viva-lezeres in Parijs gewoond, was zij een jonge alleenstaande vrouw geweest die ‘s ochtends ontbijt maakte voor haar twee kinderen en overdag hard werkte en hip liep te wezen om de huur van een duur appartement te kunnen betalen waar zij ’s avonds een fles wijn wegklokte alvorens ’s nachts de occasionele partner te ontvangen. Klinkt dat als avontuur, romantiek, snelheid en groots en meeslepend leven? Dat was dan niet de bedoeling: veel van de nieuwe Franse romans hameren erop dat een dergelijk modern leven juist een minstens evengrote sleur, eenzaamheid, onbestemdheid, oppervlakkigheid en benauwdheid kent als dat van eens de familie Van Egters en haar generatiegenoten. Nadrukkelijk zonder optimistische blik op een uitweg beschrijven auteurs het hedendaagse op een niet-enthousiaste en liefdeloze toon. Dit is wat de criticus die ervan gruwelt het deprimisme noemt, maar waarvan andere critici juist in jubelen uitbarsten.

Marie Desplechin wordt vaak genoemd als voorbeeld van die nieuwe lichting. Haar roman Sans moi kreeg vorig jaar goede kritieken, werd genomineerd voor de Prix Goncourt en kwam deze zomer in Nederland uit onder de titel: Zonder mij.
De jonge moeder die het verhaal in korte zinnen en weerslagen van dialogen vertelt, haalt een zwerfmeisje in huis, huurt haar in als au pair, en daarmee is er een intrige: twee vrouwen leiden elk niet het leven dat ze eigenlijk willen leiden, even klampen ze zich aan elkaar vast maar dat helpt ze nauwelijks hun situatie te verbeteren. Hun appartement barst van de grote emoties, maar die zitten verstopt in droog en simpel beschreven gebeurtenisjes en gesprekjes, in elkaar drank schenken, uitvoerig luisteren en voor elkaar koken. Desplechin staat in Frankrijk garant voor intimiteit.
Het lukt best - de eerste paar bladzijden. Daarna wordt de lezer die zich net met gemak het appartement had ingedacht, daar door de ik-figuur ruw weer uitgegooid. De afstandelijke, beschrijvende stijl wordt plotseling overgenomen door oneliners en wisecracks, en even lijkt het of we de terugkeer beleven van detective Sid Stefan (‘harde Nederlandse non-conformist; houdt van geld, vrouwen en mooie pakken’). Had hij niet net zo goed kunnen zeggen: 'Al doe je nog zo je best om een nieuwe draai aan het huwelijk te geven, grieven groeien op het echtelijk leven als paddestoelen op een vochtige grond.’ Waarop dan Desplechins korte zinnetjes over paddestoelen in poesiealbumrijm hadden kunnen volgen: 'Je kunt ze altijd plukken en in een omelet verwerken. Maar dan moet je wel bukken. Je handen vuil maken. En vergiftiging riskeren.’
Nog iets platter wordt het wanneer het type zwerfster slachtoffer blijkt van seksueel geweld en de ik-figuur dan precies droomt wat zij anno 1999 in een roman hoort te dromen. Ze is aanwezig bij de opnamen van een pornofilm en ziet: 'een zwartgepantserd insect, iets tussen een kakkerlak en een mestkever in, boven op een jonge vrouw.’