Franse temperamenten

De Franse verkiezingen beloven spektakel: twee republikeinen zijn in de race voor het presidentschap. Een nieuwe constellatie? Nee, een fenomeen dat diep wortelt in de Franse geschiedenis. Een essay over rechtse socialisten en Chirac als voorman van links.

FRANKRIJK VERKEERT SINDS 1984 in een politieke malaise, gekenmerkt door protestbewegingen en conservatieve koortsen. De verwarring bleek het duidelijkst uit de ineenstorting van de Socialistische Partij, die in 1988 nog de dominerende factor in het politieke krachtenveld leek te zijn. In de gangbare sociologische verklaring worden de groeiende welvaart van Frankrijk en de teloorgang van de ideologieen als oorzaken aangewezen van deze conservatieve tendens. Een maatschappij die door tevreden middenklassen wordt gedomineerd, bereikt automatisch een politieke consensus. Dat er daarnaast sprake is van een door de moderne tijd naar de marge verdreven groep, zou een afdoende verklaring vormen voor de uitingen van protest.
Dit verklaringsmodel voldeed zolang het protest tegen de gevestigde orde alleen vorm kreeg in het Front National. Het voldoet niet meer sinds de Europese verkiezingen van juni 1994, toen de twee lijsten van de politieke consensus - de gaullisten en de socialisten - samen slechts veertig procent van de stemmen kregen. Omdat de consensus van een minderheid geen consensus meer is, is het tijd om een ander verklaringsmodel te zoeken.
De huidige verwarring wordt vooral veroorzaakt doordat de politieke en journalistieke elites vasthouden aan een fout beeld van de sociale structuur, waardoor de belangenconflicten en de klassentegenstellingen binnen de Franse maatschappij niet politiek worden vertaald. Er staan twee qua omvang vergelijkbare groepen tegenover elkaar: een middenklasse met allerlei schakeringen en een werkende klasse die wat betreft levensstandaard en toekomstverwachtingen vrij homogeen is. De tegenstelling tussen de werkende klasse en de middenklassen is niet uitsluitend een objectief gegeven. De scherpte van de tegenstelling hangt samen met oude regionale tradities. De kloof tussen beide groepen is het duidelijkst waarneembaar in de gebieden met een egalitaire en niet-confessionele mentaliteit die sinds de achttiende eeuw vijandig staan tegenover de adel en de clerus en later tegenover de bourgeoisie. De nieuwe tegenstelling vloeit voort uit het ontstaan van de postindustriele maatschappij en een wereldmarkt, en uit de opbouw van Europa. Zij wortelt echter in egalitaire waarden die een erfenis zijn van de pre-industriele maatschappij. Daarom verwijst een electorale geografie van de postindustriele maatschappij tenslotte naar de oude antropologie van Frankrijk.
EEN DICHOTOMISCHE SCHETS van de sociale structuur geeft ons de sleutel tot een interpretatie van de Franse politieke malaise, waarin drie periodes zijn aan te wijzen. Tussen 1981 en 1993 is er geen vertegenwoordiging van de werkende klasse (deze nieuwe bevolkingsgroep, kind van de postindustriele maatschappij, waarvan de elites het bestaan niet willen erkennen), wat leidt tot verwarring bij deze groep. In juni 1994 vormen de Europese verkiezingen een keerpunt: de middenklassen beginnen op hun beurt te twijfelen en maken zich los van een politiek interpretatiekader dat in de maatschappij uitsluitend elites en buitengeslotenen wil zien. Ten slotte wordt de tweedeling van het electoraat door de objectieve sociaal-economische structuur zo duidelijk dat in de tweede helft van 1994 de splitsing van rechts, veroorzaakt door het verschil in persoonlijkheid tussen Chirac en Balladur, wordt versneld.
Tussen de presidentsverkiezingen van 1981 en de parlementsverkiezingen van maart 1993 weerspiegelden de electorale ontwikkelingen de verwarring van de werkende klasse: ineenstorting van de Communistische Partij in 1984, winst voor Le Pen in 1984 en 1988, een lage opkomst bij de regionale verkiezingen van 1988, een onverwacht groot verzet tegen het verdrag van Maastricht in 1992, en de ineenstorting van de Socialistische Partij in 1993. Deze gebeurtenissen kunnen grotendeels worden verklaard uit de keuzes die de minst rijke en minst ontwikkelde kiezers, gedesorienteerd door de voor hen nadelige sociale ontwikkelingen, maakten. De inkrimping van de industriele sector sinds ongeveer 1975 veranderde het proletariaat van een Messiaanse klasse die de maatschappij zou vernieuwen in een door de moderne tijd ten dode opgeschreven beroepsgroep. Tussen 1980 en 1990 steeg het werkloosheidspercentage van de arbeiders van vijf tot veertien procent. Dat van de middenkaders bedroeg in 1990 slechts 3,3 procent. De stijging van het gemiddelde scholingsniveau tussen 1960 en 1990 en de groei van de tertiaire sector leken te resulteren in een onbeperkte groei van de middenklassen.
Misschien was het wegvallen van de religie en de ideologieen als bindende elementen nog belangrijker. Daardoor raakte de werkende klasse gedesorganiseerd en geisoleerd van de hogere maatschappelijke lagen. Van 1946 tot 1981 bestonden in Frankrijk sterk antagonistische geloofsrichtingen: katholiek, communistisch, socialistisch of nationalistisch/gaullistisch. De tegenstellingen tussen deze richtingen leidden tot heftige politieke conflicten. Maar elk van deze concurrerende ideologieen definieerde ook een groep, een mini-maatschappij die haar individuele aanhangers bond. Zo werd de sociale cohesie door deze ideologieen eerder vergroot dan verkleind. De stromingen in het collectieve bewustzijn vormden symbolische en praktische banden tussen sociale groepen: het katholicisme en het nationalisme langs de traditionele lijnen van de klassensamenwerking, communisme en sociaal-democratie daarentegen met als uitgangspunt de klassenstrijd. Maar de samenwerking tussen arbeiders, boeren en bourgeoisie zoals de katholieke kerk die wenste, had haar pendant in de samenwerking tussen arbeiders, boeren en intellectuelen die de communistische kerk propageerde. In beide gevallen verbond de ideologie de werkende klasse met een deel van de cultureel meer ontwikkelde klassen. De ineenstorting van het praktizerend katholicisme tussen 1965 en 1990 en van het marxistisch geloof tussen 1983 en 1988 hebben deze verticale verbindingen verbroken. De verschillende groepen maken zich van elkaar los.
Een maatschappij waarin verschillende bevolkingsgroepen, rechts of links, via hun elites conflicten uitvochten maakt plaats voor een maatschappij die ideologisch tot rust is gekomen, maar gekenmerkt wordt door een stratificatie van hoog naar laag. Dit uiteenvallen van de sociale verbanden veroorzaakt de tegenstelling van de late jaren tachtig: die tussen de werkende klasse en de elites. Door een merkwaardige positieverwisseling blijken de hogere klassen, vroeger altijd sterk nationalistisch, nu voorstanders van een model waarin Frankrijk wordt gezien als onderdeel van Europa of zelfs van de wereld. Door de technologische en economische ontwikkelingen zien zij dat Frankrijk nu een te smalle uitvalsbasis is voor hun activiteiten. De arbeiderswereld, vroeger ontvankelijk voor de ideologie van het proletarisch internationalisme, ziet de werkloosheid in haar kringen groeien en werpt zich op als laatste verdediger van de nationale waarden. Volgens een opiniepeiling van het weekblad Le Point koos in december 1989 83 procent van de stemmers die jonger waren dan veertig jaar voor ‘internationale waarden’ en slechts twaalf procent voor 'patriottische waarden’. Op hetzelfde moment werd in Dreux, half stad en half platteland, een vertegenwoordiger van het Front National tot volksvertegenwoordiger gekozen.
Het vermoeden rees toen dat boeren, zeelieden en arbeiders de kern zouden kunnen gaan vormen van een 'nationaal populisme’. Drie jaar later werd de afwijzing van het Verdrag van Maastricht door 49,2 procent van de Fransen alom geinterpreteerd als een jacquerie van het achterlijke platteland tegen de moderne stad. De verwarring van de werkende klasse had zich echter al voor het referendum over Maastricht en voor de parlementsverkiezingen van maart 1993 gemanifesteerd. Bij de regionale verkiezingen van maart 1992 raakten de stemmen van het proletariaat schijnbaar willekeurig verspreid over alle politieke groeperingen: twaalf procent voor de communisten, twintig procent voor de socialisten, twintig voor de groenen, twintig voor de gaullisten, twintig voor het Nationaal Front en zeven procent voor de plaatselijke partijen. Zelfs de leninistische retoriek met haar simpele verklaringen voor elk 'afwijkend’ (dus niet-communistisch) stemgedrag zou deze versnippering van het proletariaat niet kunnen verklaren. In de hogere sociale lagen bleek bij deze gelegenheid de groep 'vrije beroepen en middenkader’ redelijk homogeen te zijn in gematigd-rechts stemgedrag: 43 procent voor de gaullisten, zestien procent voor de groenen en vijftien voor de socialisten.
DE WISSELENDE STEMMING bij het 'volkse’ deel van het electoraat valt niet op zijn juiste waarde te schatten als we vasthouden aan het heersende beeld van de sociale samenstelling van Frankrijk: een maatschappij die gedomineerd wordt door de tertiaire sector en de middenklassen, met aan de top een kleine elite. Een maatschappij die bovendien met spijt een groep ziet ontstaan van buitengeslotenen zonder duidelijke economische functie. Dat is ongetwijfeld het beeld voor wie de sociale structuur 'van bovenaf’ bekijkt. Dit beeld leidt tot de droom van een maatschappij zonder ideologieen en zonder conflicten tussen groepen en dus tot de droom van een tot centrisme neigende politiek. De meeste politici proberen dit beeld te bevestigen en te verfraaien: Giscard d'Estaing met zijn ideeen over een Frankrijk dat bestuurd wordt uit naam van twee derde van de Fransen; de socialisten die sinds ongeveer 1988 niet meer spreken over arbeiders; Aubry die strijdt voor de buitengeslotenen. Zelfs Chevenement met zijn wens dat 80 procent van de jongeren een middelbare-schooldiploma haalt, accepteert dus dat er 20 procent reddelozen in het onderwijs en in de maatschappij rondlopen. Samenvattend: drie kwart van de 'gemiddelde’ Fransen moeten 20 procent buitengeslotenen in de hand houden, plus 5 procent onverbeterlijken die vasthouden aan hun ideologie en die vijandig staan tegenover elke van consensus. Deze beschrijving van de maatschappij kan echter niet de polarisatie verklaren die Frankrijk verdeelde tijdens het referendum over Maastricht. De commentatoren hebben vooral het verzet van de boeren tegen het verdrag benadrukt en veronachtzaamden daarbij het statistische feit dat de boeren op dat moment slechts 4,4 procent van de huishoudens vertegenwoordigden.
Een objectieve tweedeling maakt onderscheid tussen twee sociale groepen. Aan de ene kant bevinden zich de arbeiders en employes, die door hun welvaartsniveau (half zo hoog als dat van de anderen) en het grote werkgelegenheidsprobleem (drie tot vier maal hogere werkloosheidscijfers dan voor de anderen) het 'volk’ worden. Daartegenover staan de overige beroepsgroepen en de middenkaders, die door dezelfde variabelen tot 'middenklasse’ versmelten. Deze tweedeling van de sociale structuur uitte zich rechtstreeks bij het referendum over Maastricht. Twee derde van de middenklassen stemde voor en twee derde van de werkende klasse stemde tegen: twee groepen in perfect evenwicht.
In juni 1994 raakte ook de middenklasse in verwarring. De uitslag van de Europese verkiezingen van juni 1994 lijkt op het eerste gezicht het resultaat van de ontideologisering die gaande was sinds Mitterrand president was geworden, en vooral van de ontideologisering van de arbeidersklasse. In 1988 kreeg Mitterrand in de eerste ronde 42 procent van de stemmen van de arbeiders. Bij de regionale verkiezingen in 1992 kreeg de Socialistische Partij nog maar 20 procent van het proletariaat achter zich en in september 1994 werd het dieptepunt bereikt, toen Rocard nog maar 13 procent van de traditionele achterban achter zich wist te krijgen. Maar ook de traditionele regeringspartijen samen, hoeders van de traditionele evenwichten in het binnenland en met een Europese munt als buitenlands programmapunt, kregen minder dan de helft van de stemmen. De Europese verkiezingen markeren dus een nieuw stadium in het proces van desintegratie en herschikking van het electoraat. Deze klassenfactor komt echter pas tot zijn recht in samenhang met een antropologische factor. Het behoren tot een volksklasse wordt alleen in een bepaalde culturele context omgezet in wantrouwen jegens de elite.
Tijdens de Franse Revolutie ontstonden voor het eerst twee duidelijk te onderscheiden ideologische temperamenten, die Frankrijk geografisch in twee delen splitsten en die van 1789 tot 1965 de onderliggende oorzaak waren van alle politieke veranderingen. In 1791 aanvaardde een centrale zone, zich uitstrekkend van Bordeaux via Parijs naar het noorden, aangevuld met de gebieden langs de Middellandse Zee, de fundamentele waarden van de revolutie: vrijheid en gelijkheid. In de perifere gebieden - Bretagne, Normandie en Pas-de-Calais aan de westkant, Pyreneeen, Massif Central en de flanken van de Alpen - weigerden de priesters, gesteund door de bevolking, de eed op de grondwet af te leggen. Tot 1965 bleef het kerkbezoek in deze gebieden veel frequenter dan in de centrale en mediterrane zone. Ondanks de urbanisatie, de alfabetisering van de bevolking en de industrialisatie bleven deze twee zones bestaan. Het algemeen kiesrecht bracht ze de laatste twee eeuwen steeds weer aan het licht.
Achter beide ideologische temperamenten valt een nog oudere antropologische constante te ontdekken. In de centrale, egalitaire zone hadden volgens het erfrecht de boerenzonen gelijke rechten, terwijl de erfenis in de periferie vaak geheel naar de oudste zoon ging. De zin voor hierarchie en daarmee de acceptatie van sociale verschillen was daardoor in de periferie groter dan in de centrale zone.
De leegloop van het platteland tussen 1965 en 1990 en de terugloop van het aantal praktizerende katholieken leken te leiden tot het verdwijnen van de tradionele scheidslijnen tussen egalitaire en inegalitaire waarden, en daarmee van de tegenstelling tussen een centrale en een perifere zone. Bij elke verkiezing leek het verschil tussen de twee zones kleiner te worden. In haar hoogtijdagen was de Socialistische Partij ongeveer even sterk in alle delen van het land. De steun voor extreem-rechts, die vooral samenhangt met de aanwezigheid van immigranten, kent eveneens een antropologische constante, omdat ze in de centrale en mediterrane zone duidelijk groter is. Maar elke analyse van de electorale ontwikkelingen mondde uit in de conclusie dat de oude regionale verschillen aan het verdwijnen waren.
De stemming over het Verdrag van Maastricht maakte een eind aan deze ontwikkeling, doordat de tegenstelling tussen centrum en periferie opeens weer manifest werd. Het egalitaire temperament van het centrum verwerpt een verdrag dat gewenst wordt door elites, die niet meer a priori worden geaccepteerd als legitieme leidende klasse. Het inegalitaire temperament van de 'postkatholieke’ periferie accepteert daarentegen de juistheid van de keus der elites en daarom het Verdrag van Maastricht. Het referendum over Maastricht brengt dus oude, infra-ideologische verschillen tussen de regio’s aan het licht, die het verdwijnen van de ideologieen van de kerk en van de Communistische Partij hebben overleefd. Het voortbestaan van deze structuren in een verstedelijkte maatschappij werpt theoretische problemen op voor sociologen en steeds meer praktische problemen voor politici. De geografische verdeling van de stemmen voor en tegen Maastricht is zowel verrassend als traditioneel.
Dezelfde verdeling is terug te vinden in de aardverschuiving die plaatsvond bij de Europese verkiezingen van september 1994. De opiniepeilingen lieten zien dat het geloof in de 'mogelijkheid van een andere economische politiek’ bij een meerderheid van 55 procent aanwezig was, maar vooral bij de middenklassen. Het gebied rond Parijs, met veel hogere kaders, stond open voor een andere economische politiek. De Monetaire Unie werd niet meer als historisch onvermijdelijk beschouwd en het vasthouden aan een sterke franc werd niet meer als enige mogelijkheid gezien. Dit verklaart waarom een deel van de hogere sociale lagen zich bekeert tot de anti-Europeaan Philippe de Villiers. Hun keuze en de houding van de hogere kaders met betrekking tot het economische beleid maken duidelijk dat er een verschil bestaat tussen 'de politieke elites’ en 'de middenklassen’. De volksvertegenwoordigers en de hogere ambtenaren zouden, nadat de werkende klasse zich al van hen had afgekeerd, in de toekomst ook wel eens door de middenklasse in de steek kunnen worden gelaten.
BERNARD TAPIE is, meer nog dan de Communistische Partij en het Front National, afhankelijk van de werkende massa: zeventien procent van de arbeiders en zestien procent van de employes hebben in juni 1994 op zijn lijst gestemd. Deze stemmers zijn jong: twintig procent van de mannen en eenentwintig procent van de vrouwen is tussen de 18 en 24 jaar. Het is niet moeilijk om de sociologische betekenis van dit stemgedrag te doorzien. De kinderen van de communistische stemmers van vroeger hebben zich laten verleiden door de persoonlijkheid van Tapie. Zijn succes, minder dan twee jaar na het referendum over Maastricht, bewijst dat voor de werkende klasse rond Parijs en in de Provence anti-elitaire gevoelens een grotere rol spelen dan nationalistische sentimenten. De nederlaag van Chevenement - socialist maar tegenstander van Maastricht, lid van de traditionele politieke elite - bevestigt het primaat van de revolte tegen de politieke klasse en bewijst dat gevoelens van nationalisme bij het stemgedrag van de werkende klasse op de tweede plaats komen.
In de weken voor de Europese verkiezingen besteedden de media veel aandacht aan het feit dat de Franse regering niet bij machte was om British Airways landingsrechten op Orly te ontzeggen. Deze onmacht vloeide overigens voort uit Europese afspraken die al dateerden van voor het Verdrag van Maastricht. Maar het hele electoraat kon vaststellen dat de Franse regering geen zeggenschap meer had over het nationale territorium. Ondanks de onzekerheid en het scepticisme van de elites, die zelf niet weten hoe het ervoor staat met de opbouw van Europa (zelfs specialisten zijn het er niet over eens hoeveel nationale soevereiniteit er nog resteert), kan de werkende klasse vaststellen dat Frankrijk als autonoom nationaal systeem niet meer bestaat. De opbouw van Europa leidt tot een aanmerkelijk subversief potentieel omdat de 'machteloosheid’ van de leiders aan het licht komt. Bij een verdere uitbouw van Europa leidt dit tot een delegitimatie van de politieke klasse. Daardoor wordt het niet ondenkbaar dat de werkende klassen helemaal afhaken en tot de vrij logische conclusie komen dat ze, als ze het zonder natie moeten stellen, het ook zonder hun leidende klasse kunnen doen. Hoe kan men een machtselite serieus nemen die de macht niet meer in handen heeft? Een leidende klasse wordt nooit alleen geaccepteerd op grond van haar professionele en technische kwaliteiten, maar ook vanwege haar vermogen om voor de grote massa de continuiteit, de waarden en het gevoel van eigenwaarde vorm te geven die verbonden zijn aan het nationale bestaan. Op dit symbolische niveau zegt een eenvoudige sociologische wet dat een verdwijnende natie geen leidende klasse meer nodig heeft. De gelijktijdige opkomst van de Europeaan Tapie en de anti-Europeaan De Villiers (de laatste met veel steun onder de hogere klassen) tegenover de andere politieke krachten is symbolisch voor een nieuwe situatie: het volk keert zich van de natie af, terwijl de leidende klasse de natie herontdekt.
DE TELOORGANG van de ideologieen die aan de arbeidersklasse een speciale rol toebedeelden als uitdaging aan de gevestigde orde, kan niet verhinderen dat een sociale tweedeling in hoge mate de politieke voorkeur bepaalt. In de tweede helft van 1994 is de sociaal-economische factor zo doorslaggevend geworden dat de laatste overlevende van de partijen van de Vijfde Republiek, de RPR, waarin tegenstrijdige passies van de kiezers waren samengeperst, in tweeen wordt gesplitst. Nog voordat de confrontatie tussen Chirac en Balladur in september 1994 een inhoudelijke en programmatische vorm kreeg, waren hun potentiele kiezers al zichtbaar door de scherpe scheidslijn tussen de middenklassen en de werkende klassen. Toen geenqueteerden in juni 1994 moesten kiezen tussen Chirac, Balladur en Delors, hadden ze de problemen van Frankrijk al overdacht. Preciezer geformuleerd: gedwongen om na te denken over het verband tussen de toekomst van Europa en het economische beleid, vielen ze terug op hun ideologische basishouding. Waren er in september 1994 presidentsverkiezingen gehouden, dan zou Balladur 26,5 procent van de stemmen hebben gekregen, Chirac 24,5 procent en Delors 22,4 procent. Die verhoudingen zouden leiden tot een nog niet vertoonde situatie: een tweede ronde tussen twee kandidaten van de RPR. De keuzes van respectievelijk de arbeiders en van de hogere sociale categorieen bestempelen Chirac tot een volkse tegenspeler en Delors tot een sociologische dubbelganger van Balladur. Chirac heeft een ruime voorsprong bij de arbeiders, maar moet het bij de hogere categorieen afleggen. Delors doet het bijna even goed bij de de hogere categorieen als Balladur, een verbazingwekkende prestatie voor een socialist.
De systematische vertekening dat de Socialistische Partij geassocieerd blijkt met de bevoorrechte klassen van de maatschappij, dwingt tot het maken van een onderscheid tussen politiek links - volgens de meeste commentatoren nog steeds gerepresenteerd door de Socialistische Partij - en sociologisch links, gedefinieerd door de keuze van de werkende klasse. De sociologische samenstelling van haar electoraat maakt de Socialistische Partij nu tot een rechtse partij, al verzet ze zich hiertegen met hand en tand. Chirac kan, zonder dat hij daar echt naar gestreefd heeft, praktisch links worden genoemd. Balladur vertegenwoordigt een soort ideaaltype van de bourgeois. Chirac komt dichter bij het volkse en democratische ideaaltype.
Op een zeer verrassende manier lijkt de tegenstelling tussen de middenklassen en de werkende klasse zich te gaan manifesteren in de strijd tussen Chirac en Balladur, beiden representanten van rechts. Met het naar voren komen van de tegenstelling tussen een behoudend beleid van Balladur en een grotere durf van Chirac, komt impliciet de oude tegenstelling naar boven tussen de republikeinse partij als partij van de gevestigde orde en de republikeinse partij als hervormingspartij. Deze tegenstelling zal groter worden doordat zij een keuze veronderstelt tussen verschillende politiek-economische opties. Hierdoor zal Balladur bijna ongemerkt de leider worden van de partij van de bevoorrechten, die van een sterke franc houden. Chirac zal de kandidaat zijn van de mensen die belang hebben bij veranderingen: de armen, de jongeren, de actieven en de leners.
Als de Socialistische Partij inderdaad verdwijnt als factor van belang en als de RPR explodeert, en twee vormen van economische politiek, steunend op verschillende segmenten van de Franse maatschappij, met elkaar de strijd aangaan, is het niet ondenkbaar dat Chirac, door de omstandigheden gedwongen, zal veranderen in een voorman van links.