Franse wilde jaren

Jan H. Mysjkin (samenstelling) Het feest van de vorm, Franse poëzie uit de periode 1960-1980. Uitg. PoëzieCentrum, Gent.
In de ons omringende landen speelt de poëzie zich vooral af buiten de grote uitgeverijen, die zich beperken tot bloemlezingen en verzamelbundels. De dichters zijn daarom op kleine uitgeverijen en tijdschriften aangewezen. Alleen de snuffelaar heeft nog kans daarin enigszins wegwijs te raken. Als Jan H. Mysjkin niet bestond, zou de Nederlandse poëzieliefhebber niet weten wat er na Francis Ponge en Henri Michaux nog voor interessante dichters zijn aangetreden. Voorzover men dat al wil weten, want hier te lande koestert men dankbaar het vooroordeel dat alle Franse poëzie bol staat van de retoriek en lyrische galm.

De Vlaamse dichter Mysjkin is al zo'n twintig jaar onvermoeibaar bezig met het opsporen, vertalen en propageren van in zijn ogen interessante dichters, oudere en jongere. Hij publiceerde ze in tijdschriften, bracht zijn vertalingen onder bij kleine Nederlandse uitgeverijen en stelde bloemlezingen samen. Terecht werd hij in 1990 in België bekroond met de Staatsprijs voor Vertalingen. Mysjkin betaalde de uitgaven desnoods uit eigen zak - zo vermeldt hij in ****** Einde van blok 3 Geboorten van het vers, een bloemlezing van Franse poëzie uit de periode 1940-1960, dat hij het werk aan dat boek voor de helft financierde met zijn in de fabriek verdiende spaarcenten - maar daarna moet het ook nog worden opgemerkt. Die bundel uit 1994 heeft eind vorig jaar een vervolg gekregen in een bloemlezing uit de periode 1960-1980, Het feest van de vorm, uitgegeven door PoëzieCentrum in Gent, maar voorzover mijn waarneming strekt is daar door de reguliere poëziekritiek in Nederland niet op gereageerd. Tja, als dit soort uitgaven niet eens meer wordt gesignaleerd, louter informatief, dan is het allemaal werk voor niets. Het minste wat een poëzierecensent zou kunnen doen, is zo'n bloemlezing vergelijken met wat er in die periode aan Nederlandse poëzie geschreven werd.
Eenvoudig is dat natuurlijk niet, ik weet het, schrijf maar eens over een bundel met twaalf verschillende en ook nog eens onbekende dichters. Ik kan hier in kort bestek ook niet veel meer doen dan signaleren dat deze twee boeken met levende Franse poëzie er zijn, beide uitvoerig door Mysjkin ingeleid met een uitgebreid overzicht van de betreffende periode en daarbij nog met een portret van elke dichter apart.
In het begin van zijn inleiding bij de jongeren citeert Mysjkin Jude Stéfan en Denis Roche die memoreren hoe weinig de poëzie in de jaren vijftig voorstelde. In de jaren zestig-zeventig was het een drukte van belang toen tijdschriften als Tel Quel, L'éphémère, Action Poétique en Change elkaar met programma’s, manifesten, polemieken en wat al niet om de oren sloegen, de een al revolutionairder dan de ander. Maar als je de resultaten naast elkaar legt, blijkt de periode ‘40-'60 met dichters als Jean Tortel, Yves Bonnefoy, Guillevic, Philippe Jaccotet, André du Bouchet, vruchtbaarder dan veel van wat er in die opgewonden jaren werd geschreven. De jongeren mogen dan allemaal bezig zijn met het bezweren van de 'crisis van het vers’, ze blijken aan de andere kant een heilig vertrouwen te hebben in het afzonderlijke woord, in de typografie en het bewerken van bestaand materiaal. Niettemin staan er enkele interessante dichters in de bundel met poëzie die in Nederland niet voorkomt, zoals van Jacques Roubaud, Lionel Ray, Jude Stéfan, Bernard Heidsieck en Emmanuel Hocquard; dat van anderen kan illustreren hoe pretenties en arrogantie zichzelf in de staart bijten. Maar het minste is dat men van een en ander kennisneemt.