Na de rellen in Baltimore

Freddie’s erfenis

Liberale politici wijzen de rellen zoals in Baltimore af om dan hervormingen te beloven die een eind moeten maken aan ‘massale gevangenzetting van zwarten’. Die benadering faalt al jaren.

Medium baltimore

Er werd in Baltimore al tegen politiegeweld gedemonstreerd sinds 19 april, de dag dat Freddie Gray stierf aan de gevolgen van een vermoedelijk door toedoen van politieagenten gebroken wervelkolom. Die protesten verliepen zonder noemenswaardige incidenten en werden door de landelijke media nauwelijks geregistreerd.

Op 25 april, toen Gray werd begraven, werd een nieuwe protestmars tegen politiegeweld gehouden. Dan Rodricks, een liberale columnist van de Baltimore Sun, zette zich op die middag aan zijn column. Genoegzaam omschreef hij de mars als ‘vreedzaam, familie-vriendelijk, een uiting van gerechtvaardigde woede’. Tot de vlam in de ketel sloeg. Somber concludeerde hij: ‘En terwijl ik deze woorden schrijf, wordt de Freddie Gray-mars gewelddadig. De droom van het Volgende Baltimore is in duigen gevallen.’

Het ‘Volgende Baltimore’ waarvan Rodricks droomt, zo bleek uit het vervolg van zijn column, steunt niet op investeringen in jarenlang genegeerde arme gemeenschappen in de stad, maar in het aantrekken van jonge professionals en het bevorderen van toerisme. Hij bepleit het geijkte patroon van gentrification in Amerika’s grote steden, een proces dat de arme onderklasse nog verder marginaliseert. Baltimore’s imagoschade door het vernielen van politiewagens, het plunderen van winkels en verwonden van agenten deed zijn droom echter uiteenbarsten.

De massaal toegestroomde televisiezenders zoomden vooral op het geweld in. Op cnn interviewde Wolf Blitzer de jonge, zwarte activist Deray McKesson, een van de organisatoren van de protestmarsen in Baltimore, met schijnbaar één doel: McKesson het ‘gewelddadige gedrag’ van de demonstranten te horen veroordelen. Een fragment uit het gesprek:

Blitzer: ‘Er zijn vijftien politieagenten gewond, tweehonderd arrestaties, 144 brandende voertuigen – dit zijn statistieken. Er is geen excuus voor dergelijk geweld, toch?’

McKesson: ‘Ja, en er is geen excuus voor de zeven mensen die de politie van Baltimore afgelopen jaar heeft gedood, toch?’

Blitzer: ‘We maken geen vergelijkingen. Natuurlijk willen we dat niemand lijdt. Maar ik wil u alleen horen zeggen dat protesten vreedzaam horen te zijn in de traditie van dr. Martin Luther King, en niet gewelddadig.’

McKesson: ‘Ja, protesten horen vreedzaam te zijn. En ik hoef dat niet te beamen om het te begrijpen. De pijn die mensen voelen, is echt. En u maakt wel degelijk een vergelijking. U suggereert dat gebroken ramen erger zijn dan gebroken wervelkolommen.’

Een gecompliceerd onderwerp is natuurlijk al gauw in verkeerde handen bij de grote nieuwszenders, die 24 uur lang met beeld en commentaar moeten komen. Beelden van rellende jongeren werden eindeloos herhaald, onderbroken door ‘experts’ en ‘opiniemakers’ die discussieerden over de vraag of president Obama en de burgemeester van Baltimore de rellende zwarte jongeren wel met de term ‘thugs’ (gangsters) hadden mogen duiden. En waren de uitspraken van de Republikeinse presidentskandidaat Rand Paul dat de uitwassen waren te herleiden tot ‘het gebrek aan vaders’ en aan een ‘gebrekkige morele code in onze maatschappij’ nu wel of niet racistisch?

De meest herhaalde beelden van de afgelopen dagen waren die van Toya Graham, de moeder die woest meppend haar tienerzoon uit de protesten sleurde. De commentatoren kwamen superlatieven te kort. Een ‘heldin’ was ze, een ‘leeuwin’. De Republikeinse (en zwarte) presidentskandidaat Ben Carson, uit Baltimore nota bene, vertelde trots dat Graham hem aan zijn eigen moeder deed denken en noemde haar ‘een prachtig voorbeeld van ouderlijke verantwoordelijkheid’. Kijkers zagen echter eerst en vooral een moeder die haar zoon meermalen in het gezicht sloeg. Hoe fraai. Ze kregen een bevestiging van hun vooroordeel: de zwarte onderklasse van Baltimore is een losgeslagen, zedeloze bende, die alleen de taal van geweld begrijpt.

In 1910 kocht een zwarte jurist, net afgestudeerd aan Yale, een huis in een tot dan volledig blanke buurt in Baltimore. Het stadsbestuur reageerde door een verordening van ‘residentiële segregatie’ aan te nemen, waardoor zwarten voortaan alleen nog in bepaalde straten mochten wonen. De burgemeester van Baltimore lichtte het beleid als volgt toe: ‘Zwarten moeten in geïsoleerde sloppenwijken worden geplaatst om de incidentie van onlusten te verminderen, om de verspreiding van besmettelijke ziekten in de nabijgelegen Blanke wijken te voorkomen en de waarde van het onroerend goed van de Blanke meerderheid te waarborgen.’

Aldus begon volgens Richard Rothstein van het Economic Policy Institute, een denktank die streeft naar ‘gedeelde welvaart’, een eeuw van federale, staats- en lokale regelingen die Baltimore’s zwarte bevolking in sloppenwijken isoleerde. ‘Beleid dat tot op heden wordt voortgezet, want federale woonsubsidies sturen zwarte families met lage inkomens nog altijd naar gesegregeerde buurten, ver weg van middenklassebuurten’, schreef Rothstein vorige week op de site van zijn instituut.

‘Alleen door verzet en strijd kan een nieuw, rechtvaardiger Baltimore ontstaan’

Nadat in 1968 in steden door het hele land ‘zwarte’ rellen waren uitgebroken, concludeerde de door president Johnson benoemde Kerner-commissie dat ‘ons land zich beweegt in de richting van twee maatschappijen, een zwarte en een witte – van elkaar afgezonderd en ongelijk’ en dat ‘segregatie en armoede in de raciale getto’s een destructief element hebben gecreëerd waarvan de meeste blanken niet eens weet hebben’.

Sindsdien zijn die twee maatschappijen alleen maar ongelijker geworden, stelt Rothstein. ‘Slechts een relatief kleine zwarte middenklasse is het gelukt in mainstream Amerika te integreren. De achtergeblevenen zijn meer gesegregeerd dan ze in 1968 waren.’ De recente protesten in Baltimore gaan volgens hem dan ook niet werkelijk, of niet primair, over de politie. ‘Baltimore, en daar is de stad niet bepaald uniek in, heeft te maken met de erfenis van meer dan een eeuw beleid dat gericht was op segregatie en verarming van de zwarte bevolking.’

Ook in linksige publicaties als Mother Jones, The New Republic, Slate en The Atlantic werd de afgelopen dagen gewezen op de meer dan een eeuw oude segregatie in Baltimore en het primaat van particulier eigendom – vooral: het waarborgen van huizenprijzen – boven de noden van de arme, zwarte bevolking. In een opiniestuk in The New York Times wees Nathan Connolly, hoogleraar geschiedenis aan Anthony Hopkins University in Baltimore, op het gemeenschappelijke belang dat het stadsbestuur en de blanke middenklasse in de grote Amerikaanse steden hebben bij het in stand houden van segregatie: steden zijn voor hun budget grotendeels afhankelijk van onroerendgoedbelasting en die wordt berekend aan de hand van huizenprijzen – en die dalen wanneer sociale woningbouw in de ‘betere’ wijken gesitueerd wordt. Dat gebeurt dus in de regel niet. De disfunctionele zwarte cultuur, waarvan Connolly niet ontkent dat die bestaat, is derhalve niet de oorzaak van de economische ongelijkheid – hoogstens het gevolg ervan.

‘Wow, dit gaat lezers niet blij maken. Het is iets te echt en iets te waar’, was een van de eerste reacties op het artikel. Daar had die lezer gelijk in. De reacties met de meeste lof van de lezers waren in de trant van ‘Chinezen werden ook gediscrimineerd, maar die floreren nu dankzij de kracht van hun familiestructuur’, ‘het is tijd om te stoppen alle schuld te leggen bij het historisch erfgoed, want zo blijven zwarten zich definiëren als slachtoffers’.

Ook de vaste columnisten van de Times vertoonden moralistische trekjes. Nicholas Kristof keurde het vandalisme van de zwarte jeugd in Baltimore nadrukkelijk af – om dit vervolgens af te zwakken door te wijzen op onrechtvaardigheden als systematische ongelijkheid en ‘discriminatie op postcode’. Zijn collega David Brooks weet het gedrag aan de ‘zwarte cultuur’, met zijn gebrek aan verantwoordelijkheden en familiestructuur, en concludeerde mede op basis daarvan dat de Amerikaanse overheid haar (volgens zijn cijfers) ruimhartige hulp aan de armen dient te herzien. Het deed een boze lezer sneren: ‘Meneer Brooks, armoede bestaat niet omdat mensen slecht zijn. Armoede bestaat omdat ze arme mensen dwingt hun arbeid voor 7,25 dollar per uur te verkopen’.

de documentaire The Day the 60’s Died, die hier vorige week op de publieke zender pbs werd uitgezonden, brengt de maand mei 1970 in beeld, toen het land verscheurd werd door anti-oorlogsprotesten en sociaal activisme dat een einde wilde maken aan armoede. Het was alsof Amerika in oorlog was met zichzelf. Jong tegen oud. Conservatieven tegen radicalen. Radicalen tegen elkaar. De overheid tegen haar burgers, de burgers tegen de overheid. Op 4 mei 1970 ontplofte de situatie. Bij protesten op de campus van Kent State University opende de Nationale Garde van de staat Ohio het vuur op ongewapende studenten. Gedurende dertien seconden vuurden de soldaten 67 salvo’s op de jongelui. Er vielen vier doden en negen gewonden, van wie er één permanent verlamd bleef. Maar mogelijk nog choquerender waren de reacties van gewone Amerikanen in de film, die zonder blikken of blozen verklaarden dat ze er wat hen betreft nog wel wat meer hadden mogen neerknallen.

Als een dergelijke hardvochtigheid jegens medeburgers tegenwoordig nog onder een meerderheid leeft, dan wordt die goed verborgen gehouden. Niemand beweert publiekelijk dat het prima is dat de politie zo vaak ongewapende, zwarte mannen doodschiet. En dat er dieperliggende oorzaken zijn voor de achterstand van zwarten die niet alleen hen zijn aan te rekenen, lijkt zelfs door een deel van de kijkers van Fox News geaccepteerd.

Bovenstaande werd gereflecteerd in de woorden van Hillary Clinton, die als gedoodverfde Democratische genomineerde voor het presidentschap haar best doet een zo neutraal mogelijke positie in te nemen. Tijdens een speech op Columbia University in New York zwoer ze een ‘eind te maken aan het tijdperk van massale gevangenzetting van zwarten’, iets wat onder het presidentschap van haar man ernstig accelereerde. ‘Mijn hart breekt voor deze jongemannen en hun families’, zei ze over Freddie Gray en andere recente slachtoffers van politiegeweld. ‘We moeten harde waarheden over ras en rechtvaardigheid onder ogen zien in Amerika.’

Ze beëindigde haar toespraak door te benadrukken dat leiders zich niet alleen aan hervorming van het strafrecht moeten zetten, maar zich ook moeten ontfermen over economische ongelijkheid en het verschil in maatschappelijke kansen tussen zwarte en blanke Amerikanen. Dit alles liet ze uiteraard voorafgaan door erop te wijzen dat iedereen onder alle omstandigheden de wet dient te eerbiedigen.

Zo vielen Clintons woorden keurig onder wat _Jacobin-_redacteur Shawn Gude de ‘liberale dubbelpas’ noemt: ‘Keur extreem gedrag af, verzeker dan dat hervorming op komst is – dat de grieven gerechtvaardigd zijn, maar dat alleen ordelijke marsen legitieme vormen van verzet zijn. Al het andere zou de nagedachtenis van Freddie Gray besmeuren.’

Volgens Gude is de huidige onrust in Baltimore juist een reactie op het falen van deze benadering. Ook na de dood van Tyrone West en Anthony Anderson, zwarte mannen die onder dubieuze omstandigheden door de politie van Baltimore werden gedood, maande het gezag tot kalmte en werden hervormingen beloofd – die nooit kwamen. ‘Immuniteit van de politie en mensonterende armoede kunnen niet voor altijd naast elkaar bestaan’, schreef Gude. ‘Hoewel de toekomst onzeker is, is een ding duidelijk: alleen door verzet en strijd kan een nieuw, rechtvaardiger Baltimore ontstaan.’

Op vrijdag maakte de openbare aanklager van Baltimore bekend dat zes politieagenten onder meer moord en doodslag ten laste wordt gelegd vanwege hun rol in de arrestatie en de fatale verwonding van Freddie Gray. Zou dit ook zonder de rellen zijn gebeurd?


Beeld: Een vrouw op weg naar de zondagsmis passeert een afgebrand gebouw dat verwoest is tijdens de protesten tegen de dood van Freddie Gray (David Goldman / AP / HH)